Job 19:1-7
Jobs vrienden hadden hem een zeer strenge bestraffing toegediend als een goddeloos man, omdat hij zo zwaar beproefd was, nu zegt hij hun hier dat hij het zeer euvel opnam om aldus bestraft te worden. Bildad had tweemaal zijn rede begonnen met een Hoe lang, Hoofdst. 8:2, 18:2, en daar Job hem nu in het bijzonder gaat antwoorden, begint ook hij met een hoe lang, vers 2. Hetgeen waar men niet van houdt zal men gewoonlijk "lang" vinden, maar Job had meer reden om hen, die hem aanvielen "lang" te vinden, dan zij hadden om hem "lang" te vinden, die zich slechts verdedigde. Er kan een betere reden aangetoond worden om onszelf te verdedigen, indien wij het recht aan onze zijde hebben, dan om onze broederen te beledigen, ofschoon wij het recht aan onze zijde hebben. Merk hier nu op:
I. Hoe hij hun onvriendelijkheid jegens hem beschrijft
1. Zij kwelden zijn ziel, vers 2, en dat is smartelijker dan een kwelling van de beenderen, Psalm 6:3, 4. Zij waren zijn vrienden, zij kwamen om hem te vertroosten, gaven voor dat zij hem ten beste rieden, maar met veel deftigheid en een groot vertoon van wijsheid en vroomheid hebben zij er zich toe begeven om hem te beroven van de enige vertroosting die hem was overgebleven, in een goede God, een goed geweten en een goede naam, en dit griefde hem in het hart.
2. Zij verbrijzelden hem met woorden, en het waren voorzeker harde en wrede woorden, die een mens konden verbrijzelen, zij griefden hem, en aldus verbraken zij hem, daarom zal er hier namaals afrekening gehouden worden wegens al de harde woorden, gesproken tegen Christus en Zijn volk, Judas: 15..
3. Zij deden hem schande aan, vers 3, schreven hem een slecht karakter toe, en legden hem dingen ten laste waarvan hij niets wist. Voor een oprecht, edel gemoed is schande iets dat vlijmende smart veroorzaakt.
4. Zij stelden zich vreemd tegen hem aan vers 3, waren, nu hij zich in moeite en ellende bevond, schuw van hem, zij kenden hem niet Hoofdst. 2:12, waren niet vrij en gemeenzaam met hem, zoals zij in de tijd van zijn voorspoed met hem plachten te wezen. Diegenen laten zich door de geest van de wereld regeren, maar niet door de beginselen van ware eer of liefde, die zich als vreemden maken voor hun vrienden, of voor Gods vrienden, als zij in smart en beproeving zijn, een vriend heeft ten allen tijde lief,
5. Zij hebben zich niet alleen van hem vervreemd, maar zichzelf tegen hem verheven, vers 5, hem niet slechts schuw, maar ook trots aangezien, hem gehoond en vernederd door zichzelf te verheffen. Het is klein en laag om aldus diegenen te vertreden, die reeds terneder zijn geworpen.
6. Zij dreven zijn smaad tegen hem. Dat is: zij maakten gebruik van zijn beproeving als een argument tegen hem om te bewijzen dat hij een goddeloze was. Zij hadden zijn oprechtheid moeten aanvoeren ten zijnen gunste, hem moeten helpen en aanmoedigen om onder zijn beproeving en zijn lijden daar de vertroosting van te smaken, en die dus moeten aanvoeren tegen zijn smaad, zoals Paulus, 2 Corinthiers 1:12, maar inplaats hiervan dreven zij zijn smaad, om zijn oprechtheid voor vals te kunnen verklaren, hetgeen niet alleen onvriendelijkheid was, maar ook zeer onrechtvaardig. Immers, waar zullen wij een eerlijk man vinden, indien zijn smaad als een beschuldiging tegen hem moet gelden?
II. Hoe hij hun onvriendelijkheid verzwaart.
1. Zij hadden hem dikwijls aldus mishandeld, vers 3. Gij hebt nu tienmaal schande mij aangedaan, dat is: zeer dikwijls, zoals Genesis 31:7 Numeri 14:22. Vijfmaal hadden zij gesproken en iedere rede was een dubbele versmaadheid. Hij sprak, alsof hij bijzonder rekening had gehouden van hun smaadheden en hun kon zeggen hoe talrijk zij waren, het is gemelijk en onvriendelijk om dit te doen, het is alsof men daarmee wraak en wedervergelding op het oog heeft, veel meer zullen wij onze vrede, onze gemoedsrust bevorderen door beledigingen en onvriendelijkheid te vergeten, dan door ze in de herinnering te bewaren en op te tellen.
2. Zij gingen hiermede nog voort en schenen besloten om er in te volharden: "Hoelang zult gij dit doen?" vers 2, 5. "Ik zie, dat gij in weerwil van alles, wat ik ter mijner rechtvaardiging gezegd heb, u tegen mij wilt verheffen." Zij, die te veel spreken, denken zelden dat zij genoeg gezegd hebben, en als de mond geopend is in hartstocht, dan is het oor gesloten voor verstand of rede.
3. Zij waren niet beschaamd om hetgeen zij gedaan hadden, vers 3. Zij hadden reden om zich te schamen wegens hun hardheid van hart, die zo weinig betaamt aan mannen, en hun liefdeloosheid, die zo weinig voegde aan Godvruchtige mannen, en hun bedrieglijkheid, die zo weinig voegde aan vrienden, maar schaamden zij zich? Neen, hoewel het hun telkens en nogmaals gezegd was, waren zij toch niet instaat te blozen.
III. Hoe hij antwoordt op hun harde bestraffing, door hun te tonen dat hetgeen zij veroordeelden, verontschuldigd kon worden, en dat hadden zij moeten bedenken.
1. De dwalingen van zijn oordeel waren te verontschuldigen, vers 4. "Maar ook: het zij waarlijk dat ik gedwaald heb, dat ik door onwetendheid of vergissing ongelijk heb," hetgeen betreffende mensen wel verondersteld kan worden, ook betreffende vrome mensen "Humanum est errare- Dwalen is menselijk" en wij moeten het ook van onszelf willen veronderstellen. Het is dwaasheid om te geloven dat wij onfeilbaar zijn. "Maar het zij zo", zegt Job, "mijn dwaling zal bij mij vernachten," dat is: "ik spreek naar mijn beste weten, in alle oprechtheid, en niet uit een geest van tegenspraak." Of, "Zo ik in dwaling ben, ik houd het voor mijzelf, en dwing niet, zoals gij, anderen mijn gevoelens op, ik spreek slechts van mijzelf en van mijn eigen werk, ik bemoei mij niet met anderen, zomin om hen te onderwijzen als om hen te oordelen." De dwalingen van de mensen zijn te meer verschoonbaar, als zij ze voor zich houden en er anderen niet mee verontrusten. Hebt gij geloof? Heb dat bij uzelf. Sommigen geven deze zin aan deze woorden: "Indien ik dwaal, dan ben ik het, die er voor zal te lijden hebben, en daarom behoeft gij er u niet bezorgd om te maken, ja, ik ben het, die er reeds voor lijd, smartelijk er voor lijd, en daarom behoeft gij door uw smadelijke verwijtingen niet nog toe te doen aan mijn ellende.
2. Zijn uitbreken in drift en hartstocht is niet goed te keuren, maar wèl te verontschuldigen, in aanmerking genomen de diepte van zijn smart en de uiterste ellende, waarin hij verkeerde. "Indien gij wilt voortgaan met op ieder woord van klacht, dat ik spreek, te vitten en het op zijn ergst uit te leggen, en het als een wapen tegen mij wilt gebruiken, zo neemt dan ook de oorzaak van de klacht in aanmerking, en weegt haar, eer gij een oordeel uitspreekt over de klacht, en haar als smaad tegen mij drijft, en weet dat God mij heeft omgekeerd," vers 6. Hij wil dat zij drie dingen zullen in aanmerking nemen.
a. Dat zijn ellende zeer groot was. Hij was omgekeerd, ternedergeworpen, en hij kon zichzelf niet helpen, hij was als met een net omsloten, en kon er niet uitkomen.
b. Dat God er de werker van was, en dat Hij daarin tegen hem streed. "Het was Zijn hand, die mij heeft omgekeerd. Het is Zijn net, dat mij omsloten houdt, en daarom behoeft gij niet aldus tegen mij op te treden, ik heb genoeg te doen en te worstelen onder Gods misnoegen laat mij niet ook nog onder het uwe liggen. Laat Gods twist met mij tot een einde komen eer gij met uw twist tegen mij begint." Het is wreed, om "hem te vervolgen, die God geslagen heeft, en een praat te maken van de smart van Zijn verwonde," Psalm 69:27.
c. Dat hij geen hoop kon verkrijgen op het herstel van zijn grieven. vers 7. Hij klaagde over zijn pijn, maar kreeg geen verlichting, verzocht de oorzaak te kennen van zijn beproevingen, maar kon haar niet ontdekken, beriep zich op Gods rechterstoel om zijn onschuld aan het licht te doen komen, maar kon geen gehoor verkrijgen, en nog veel minder een uitspraak als gevolg van zijn beroep. Ik roep over onrecht, doch word niet verhoord, vers 7. God kan voor een tijd Zijn oor schijnbaar afwenden van Zijn volk, schijnbaar vertoornd zijn op hun gebeden, en hun beroep op Hem voorbijzien en indien zij in dat geval bitterlijk klagen, dan moeten zij verontschuldigd worden. Wee ons, indien God tegen ons is!