Job 13:1-12
Job drukt hier in warme bewoordingen zijn gevoeligheid uit over de onvriendelijkheid van zijn vrienden.
I. Hij verklaart dat hij de zaak, waarover hun geschil loopt, even goed begrijpt als zij en dat hij het niet nodig heeft, om door hen onderwezen te worden, vers 1, 2. Zij dwongen hem, zoals de Corinthiërs Paulus gedwongen hebben, om met lof van zichzelf en van zijn eigen kennis te spreken, niet in zelfverheffing, maar ter rechtvaardiging van zichzelf. Alles wat hij tevoren gezegd heeft, heeft zijn oog bevestigd gezien door vele voorbeelden en zijn oor had het door vele gezaghebbende personen horen getuigen, en hij begreep het goed en wist er gebruik van te maken. Zalig zij, die de grootheid, heerlijkheid en vrijmacht van God niet slechts zien en horen, maar ook verstaan. Dit, dacht hij, zal rechtvaardigen wat hij tevoren gezegd heeft, Hoofdst. 12:3 en hier herhaalt, vers 2 : "gelijk gijlieden het weet weet ik het ook, zodat ik niet tot u behoef te komen om onderwezen te worden, ik zwicht niet voor u, ik ben uw mindere niet in wijsheid." Zij, die zich in twist begeven, komen in verzoeking om meer dan betamelijk is zichzelf te verheerlijken en hun broederen te verlagen, daarom behoren zij te waken en te bidden tegen de werkingen van de hoogmoed.
II. Hij wendt zich van hen tot God, vers 3. Ik zal tot de Almachtige spreken, alsof hij gezegd had: "Ik kan mij geen voldoening beroven in met ulieden te spreken, o mocht ik de vrijheid hebben om met God te spreken! Hij zou zo hard niet voor mij zijn als gijlieden." De vorst zelf zal misschien met meer zachtheid geduld en minzaamheid audiëntie verlenen aan een arme smekeling, dan zijn dienaars. Job wil liever met God redeneren dan met zijn vrienden. Zie hier:
1. Welk een gerustheid diegenen hebben bij God, wier hart hen niet veroordeelt wegens heersende geveinsdheid, zij kunnen met nederige vrijmoedigheid voor Hem verschijnen en zich op Hem beroepen.
2. Welke troost diegenen hebben in God die door hun naburen ten onrechte worden veroordeeld. Als zij tot hen niet kunnen spreken in de hoop van een welwillend gehoor bij hen te vinden, dan kunnen zij tot de Almachtige spreken, zij hebben gemakkelijk toegang tot Hem en zullen met onpartijdigheid door Hem gehoord worden.
III. Hij veroordeelt hen wegens hun onrechtvaardige en liefdeloze bejegening van hem vers 4. Zij hebben hem valselijk beschuldigd en dat was onrechtvaardig. Gij zijt leugenstoffeerders. Zij maakten een verkeerde stelling betreffende de Goddelijke voorzienigheid, stelden het voor alsof nooit iemand anders dan boosdoeners op merkwaardige wijze beproefd worden in deze wereld, en op die stelling grondden zij het verkeerde oordeel over Job, dat hij gewis een geveinsde moest wezen. Wegens deze grove vergissing, zowel in de leer als in haar toepassing meent hij dat er een rechterlijke aanklacht van vervalsing tegen hen ingebracht kan worden. Leugens te spreken is slecht genoeg, al is het ook door ze anderen na te zeggen, maar ze te verzinnen met voorbedachten rade, dat is nog veel erger. Zij hebben hem laaghartig bedrogen en dat was onvriendelijk. Zij hebben zijn genezing op zich genomen deden zich voor als zijn medicijnmeesters maar zij waren nietige medicijnmeesters, "afgod- medicijnmeesters, die niet meer goed kunnen doen dan een afgod." Zij waren waardeloze geneesmeesters, die noch zijn ziekte begrepen, noch er hem iets voor wisten voor te schrijven, kwakzalvers, die grote dingen voorgaven, maar als het er op aankwam niets ter wereld uitrichtten, hij was door al hun gepraat en geredeneer volstrekt niet wijzer geworden. Zo zijn voor hen, die gebroken van hart zijn of een gewonde consciëntie hebben, alle schepselen, buiten Christus, nietige medicijnmeesters, aan wie men alles te koste kan leggen zonder baat bij hen te vinden. De zieke wordt erger inplaats van beter, Markus 5:26.
IV. Hij verzoekt hen te zwijgen en geduldig naar hem te luisteren, vers 5, 6.
1. Hij denkt dat het hun tot eer zou zijn als zij niets meer zeiden, daar zij reeds teveel gezegd hebben. "Och of gij geheel stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen, want hiermede zoudt gij uw onwetendheid en uw kwaadwilligheid bedekt houden, die nu gezien worden in alles wat gij zegt." Zij gaven voor dat zij niet konden nalaten te spreken, Hoofdst. 4:2, 11:2, 3, maar hij zegt hun dat zij meer met hun eer te rade zouden gegaan zijn, indien zij zichzelf het zwijgen hadden opgelegd. Het is beter niets te zeggen dan jets te zeggen, dat niet ter zake is, of dat tot oneer is van God, of tot smart van onze broederen. "Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden," omdat dan het tegendeel niet blijkt, Spreuken 17:28. En gelijk zwijgen een bewijs is van wijsheid, zo is het er ook een middel toe, daar het tijd geeft tot denken en horen.
2. Hij denkt dat het een daad van gerechtigheid zou zijn jegens hem, om te horen wat hij te zeggen heeft: Hoort toch mijn verdediging. Misschien hebben zij, hoewel zij hem niet in de rede vielen, zich toch onverschillig betoond voor hetgeen hij had gezegd en er niet veel acht op geslagen. Wij behoren gaarne en gewillig te luisteren naar hetgeen diegenen voor zichzelf te zeggen hebben, van wie wij om de een of andere reden geneigd zijn harde gedachten te koesteren. Menigeen zou, zo hij slechts met billijkheid werd aangehoord, ook billijk vrijgesproken worden, zelfs in het geweten van hen, die hem zochten ter neer te werpen.
V. Hij poogt hen te overtuigen van het kwaad, dat zij deden aan Gods eer, terwijl zij voorgaven voor Hem en Zijn eer op te komen, vers 7, 8. Zij lieten er zich op voorstaan, dat zij spraken voor God, Zijn zaak bepleitten, Hem wilden rechtvaardigen in de weg, die Hij met Job gehouden heeft. En, naar zij dachten, optredende voor de soeverein, verwachtten zij, niet slechts het oor te hebben van het hof en het laatste woord, maar dat ook het oordeel, de uitspraak, tot hun gunst zal wezen. Maar Job zegt hun ronduit:
1. Dat God en Zijn zaak zulke voorspraken niet nodig hebben. "Zult gij denken voor God te strijden, alsof Zijn gerechtigheid omfloerst was en nodig had opgehelderd te worden, of alsof Hij verlegen was om woorden, niet wist wat te zeggen, en ulieden nodig had om voor Hem te spreken? Zult gij, die zo zwak en hartstochtelijk zijt, in de bres springen voor Gods zaak?" Goed werk moet niet in slechte handen worden gegeven. Zult gij zijn aangezicht aannemen? Indien zij, die het recht niet aan hun zijde hebben, hun rechtszaak toch winnen, dan is het omdat de rechter partijdig is tot hun gunste, maar Gods zaak is zo rechtvaardig, dat zij de steun van zulke methodes niet nodig heeft. Hij is een God en kan voor zichzelf pleiten, Richteren 6:31, en indien gij voor altijd zweegt, dan zouden de hemelen Zijn gerechtigheid vertellen.
2. Dat Gods zaak leed onder hun behandeling ervan. Onder voorgeven van God te rechtvaardigen in Zijn beproeving van Job, veroordelen zij hem meesterachtig als een geveinsde, een slecht man. "Dit", zegt hij, "is onrecht spreken", -want liefdeloosheid en bedilzucht zijn onrecht, het is God beledigen als wij onze broederen onrecht doen -"het is bedrieglijk spreken, want gij veroordeelt iemand die uw geweten op hetzelfde ogenblik niet anders dan vrijspreken kan. Uw beginselen zijn vals en uw redeneringen bedrieglijk, en zal het u verontschuldigen te zeggen: het is voor God?" Neen, want een goede bedoeling zal een slecht woord of een slechte daad niet rechtvaardigen, en nog veel minder heiligen. Gods waarheid heeft onze leugen niet van node en Gods zaak heeft geen behoefte aan onze zondige wijsheid of onze zondige hartstochten De toorn des mensen werkt Gods gerechtigheid niet en wij "mogen het kwade niet doen opdat het goede daaruit kome," Romeinen 3:7, 8. Vroom bedrog, zoals men het noemt, is goddeloos bedrog en vrome vervolgingen zijn afschuwelijke lasteringen van Gods naam, zoals van hen, die "hun broeders haatten en hen uitwierpen, zeggende: Dat de Heere heerlijk worde". Jesaja 66:5, Johannes 16:2.
Vl. Hij poogt hun vrees in te boezemen voor Gods oordeel en hen aldus tot een betere gezindheid te brengen. Zij moeten niet denken God te kunnen bedriegen, zoals zij mensen, gelijk zij zelf zijn, zouden kunnen bedriegen noch Zijn steun verwachten voor hun slechte praktijken door ijver voor te wenden voor Hem en Zijn eer. "Denkt gij Hem te kunnen bespotten en bedriegen, zoals de ene mens de andere bespot en bedriegt door hem te vleien?" Gewis, zij, die wanen God te bedriegen, zullen blijken slechts zichzelf bedrogen te hebben. Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten.
Opdat zij niet aldus spotten met God en Hem beledigen, wil hij, dat zij beide over God en over henzelf zullen nadenken, en dan zullen zij bespeuren dat zij niet instaat zijn met Hem in het gericht te treden.
1. Laat hen bedenken welk een God Hij is in wiens dienst zij zich aldus gedrongen hebben, en aan wie zij in werkelijkheid zoveel ondienst deden, en dan eens nagaan of zij Hem goede rekenschap kunnen geven van hetgeen zij deden. Zij moeten denken:
A. Aan het strikte en nauwkeurige van Zijn onderzoek nopens hen, vers 9. "Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken? Kunt gij het dragen dat de beginselen, waarnaar gij oordeelt, onderzocht worden, en dat het eigenlijke van de zaak aan het licht wordt gebracht?" Het is voor ons allen van groot belang om eens ernstig na te gaan, of het al of niet in ons voordeel zal zijn, dat God het hart doorgrondt. Voor een oprecht man, die het eerlijk bedoelt, is het goed dat God hem doorgrondt, daarom bidt hij er om: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart. Gods alwetendheid getuigt van zijn oprechtheid, maar voor hem, die ziet naar de ene kant en roeit naar de andere kant, is het slecht dat God hem doorgrondt en hem tot zijn beschaming open en bloot legt.
B. De strengheid van Zijn bestraffingen en van Zijn misnoegen tegen hen, vers 10. "Zo gij het aangezicht, al is het ook in het verborgen aanneemt, Hij zal u gewis bestraffen, uw afkeuring en bestraffing van mij zullen Hem zo weinig behagen, ofschoon gedaan onder schijn van Zijn zaak en eer voor te staan, dat Hij ze beschouwen zal als een belediging Hem aangedaan, gelijk ieder vorst of voornaam, aanzienlijk man het aldus zou beschouwen, indien een lage daad werd gepleegd en zijn naam er voor werd gebruikt, onder schijn van zijn belangen te bevorderen." Voor hetgeen wij verkeerd doen zullen wij gewis vroeg of laat op de een of andere wijze worden bestraft, al is het nog zo in het geheim gedaan.
C. De verschrikking van Zijn majesteit. Indien zij daar behoorlijk ontzag voor hadden, dan zouden zij niet datgene doen, wat hen blootstelt aan Zijn toorn, vers 11."zal u niet Zijn hoogheid verschrikken? Hoe durft gij, die grote kennis hebt van God en de Godsdienst belijdt, op die wijze spreken, u zo'n grote vrijheid in het spreken veroorloven? "Zoudt gij niet wandelen en spreken in de vreze Gods" Nehemia 5:9. Zal niet Zijn vrees u overvallen en uw hartstochten in toom houden? Mij dunkt dat Job dit spreekt als iemand, die zelf de schrik des Heeren kent en in heilige vreze voor Hem leeft, wat zijn vrienden ook van hem mochten denken of beweren. Er is in God een ontzaglijke majesteit. Hij is het meest majestueuze wezen, heeft alle voortreffelijkheden in zichzelf, en in ieder er van overtreft Hij oneindig ver ieder schepsel. Zijn voortreffelijkheden zijn in zichzelf lieflijk en heilig. Hij is het schoonste wezen, maar vanwege des mensen afstand van God door de natuur en zijn afval en ontaarding door de zonde, zijn Zijn voortreffelijkheden schrikkelijk. Zijn macht, Zijn heiligheid, Zijn gerechtigheid, ja, en ook Zijn goedheid, zijn schrikkelijke voortreffelijkheden. Zij zullen de Heere en Zijn goedheid vrezen. Een heilig ontzag van deze schrikkelijke voortreffelijkheid moet ons overvallen en ons bevreesd maken. Dit zou onboetvaardige -zondaars doen ontwaken en hen tot bekering brengen, en invloed uitoefenen op allen om te zoeken Hem te behagen en hen te doen vrezen om Hem te beledigen.
2. Laat hen zichzelf beschouwen en zien hoe ongelijke partijen zij zijn van deze grote God, vers 12, "Uwe gedachtenissen -al datgene in u, voor hetwelk gij hoopt in gedachtenis te worden gehouden als gij zijt heengegaan-zijn gelijk as, zwak en waardeloos, gemakkelijk te vertreden en te verstuiven, uw lichamen zijn als lichamen van leem, vermolmend en vergaand. Gij denkt dat uw gedachtenissen uw lichamen zullen overleven, maar helaas, zij zijn als as, dat met uw stof zal weggevaagd worden." De gedachte aan onze geringheid en sterfelijkheid moet ons bevreesd maken om God te beledigen, en is een goede reden waarom wij onze broederen niet moeten verachten en vertreden. Bisschop Patrick geeft een andere betekenis aan dit vers. "Uwe betogen ten behoeve van God zijn niet beter dan stof, en de argumenten, die gij opgehoopt hebt, zijn slechts even zoveel hopen drek."