Prediker 4:7-12
Salomo wijst hier op een ander voorbeeld van de ijdelheid van deze wereld, namelijk hoe het dikwijls gebeurt dat, hoe meer de mensen ervan hebben, hoe meer zij zouden willen hebben, en dit jagen zij zo ijverig na, dat zij geen genot hebben van hetgeen zij bezitten. Nu wijst Salomo hier aan
1. Dat zelfzucht de oorzaak is van dat kwaad, vers 7, 8. Daar is één, die om niemand geeft dan om zichzelf, zich om niemand bekommert, maar, indien hij kon, alleen in het midden van de aarde geplaatst zou willen worden. Er is geen tweede, en hij verlangt ook naar geen tweede, één mond is genoeg in een huis, denkt hij, en hij mort tegen alles wat aan een ander ten koste wordt gelegd. Zie hoe deze hebzuchtige mestworm hier beschreven wordt
A. Hij maakt zich tot een slaaf van zijn bezigheid. Hoewel er niemand ten zijnen laste is hij heeft kind noch broeder en hij voor zichzelf te zorgen heeft, niemand van hem afhankelijk is, en hij geen arme bloedverwanten heeft, en hij niet durft huwen uit vrees voor de onkosten van het onderhoud van een gezin is er aan al zijn arbeid geen einde, dag en nacht is hij er aan bezig, vroeg en laat, en nauwelijks gunt hij zichzelf, of hun die in zijn dienst zijn, enige rust. Hij bepaalt zich niet tot zijn eigen beroep, maar wil de hand hebben in alles, waar hij winst uit kan behalen. Zie Psalm 127:2.
B. Nooit denkt hij genoeg te hebben, zijn oog wordt niet verzadigd van de rijkdom. Hebzucht wordt de begeerlijkheid van de ogen genoemd, 1 Johannes 2:16, omdat het te zien met zijn ogen alles is wat de wereldling schijnt te begeren, Prediker 5:10. Hij heeft genoeg voor zijn rug, zoals bisschop Reynolds opmerkt voor zijn buik, voor zijn beroep, voor zijn gezin, en om fatsoenlijk in de wereld te kunnen leven, maar hij heeft niet genoeg voor zijn ogen, ofschoon hij het slechts kan zien, slechts zijn geld kan tellen, en het niet van zich kan verkrijgen om het te gebruiken, is hij toch niet tevreden, omdat hij niet meer heeft om er zijn ogen op te vergasten.
C. Hij ontzegt zich het genot van hetgeen hij heeft. Hij laat zijn ziel gebrek hebben aan het goede. Als onze ziel gebrek heeft aan het goede, dan zijn wijzelf het, die haar gebrek laten lijden. Anderen kunnen ons beroven van uitwendig goed, maar zij kunnen ons niet van genade en vertroosting beroven, ons geestelijk goed. Het is onze eigen schuld als wij geen genot hebben, maar velen zijn zo begerig naar de wereld, dat zij in het najagen ervan hun ziel beroven van het goede, hier en voor eeuwig schipbreuk lijden van het geloof en van een goed geweten, zich beroven niet alleen van de gunst van God en het eeuwige leven, maar ook van het genoegen van deze wereld en het tegenwoordige leven. Wereldse mensen zijn, terwijl zij voorgeven wijs te zijn voor zichzelf, in werkelijkheid vijanden van zichzelf.
D. Hij heeft er geen verontschuldiging voor om dit te doen. Hij heeft kind noch broeder niemand aan wie hij verplicht is, aan wie hij tot zijn voldoening kan besteden wat hij heeft terwijl hij leeft, niemand voor wie hij liefde of vriendelijkheid gevoelt, en wie hij het kan nalaten als hij sterft, niemand die arm is, of die hem dierbaar is.
E. Hij ziet zelf de dwaasheid hiervan niet in, hij vraagt zich niet af: "Voor wie arbeid ik aldus? Arbeid ik, zoals ik moest, voor de eer van God, en opdat ik wat heb te geven aan hen, die nooddruftig zijn? Besef, overweeg ik dat het slechts voor het lichaam is dat ik arbeid, voor een stervend lichaam, voor anderen, en ik weet niet voor wie. misschien voor een dwaas, die het even snel zal verstrooien als ik het vergaderd heb, misschien voor een vijand, die ondankbaar zal zijn aan mijn nagedachtenis?" Voor hen, die zich moeite geven omtrent deze wereld is het verstandig om eens te bedenken en na te gaan voor wie zij zich al die moeite geven, en of het wezenlijk van de moeite waard is om hun ziel gebrek te doen hebben aan het goede, teneinde het aan een vreemde te geven. Als de mensen hieraan niet denken, dan is het ijdelheid en een moeilijke bezigheid, zij maken zich beschaamd en kwellen zich zonder doel.
2. Dat gezelligheid het geneesmiddel is tegen dit kwaad. De mensen zijn aldus gierig, omdat zij alleen voor zichzelf leven. Nu toont Salomo hier door verscheidene voorbeelden, dat het niet goed is voor de mens om alleen te zijn, Genesis 2:18. Hij bedoelt ons hiermede beide het huwelijk en vriendschap aan te bevelen, twee dingen, die hebzuchtige gierigaards afwijzen vanwege de onkosten, die er mee gepaard gaan. Maar het gerief en het voordeel van beide zijn zo groot, dat, zo zij met voorzichtigheid en beleid worden aangegaan, zij die onkosten ruimschoots zullen vergoeden. Zelfs in het paradijs kon de mens niet gelukkig zijn zonder een gezellin, en daarom is hij niet spoediger geschapen en uitgehuwelijkt.
A. Salomo stelt dit vast als een waarheid, dat twee beter zijn dan één, en gelukkiger tezamen dan zij ieder afzonderlijk konden zijn meer behagen hebbende in elkaar dan zij alleen in zichzelf konden hebben, wederkerig dienstbaar zijnde aan elkanders welvaren, en door vereende krachten beter instaat om goed te doen aan anderen. Zij hebben een goede beloning voor hun arbeid, welke dienst zij ook doen, hij wordt hun op een andere wijze vergolden. Hij, die alleen zichzelf dient, heeft ook alleen zichzelf voor betaalmeester, en gewoonlijk blijkt hij meer onrechtvaardig en ondankbaar jegens zichzelf dan zijn vriend, indien hij die diende, jegens hem zou wezen, getuige hij, die eindeloos arbeidde en toch zijn ziel gebrek liet hebben aan het goede, hij heeft geen beloning van zijn arbeid, maar hij die vriendelijk is voor een ander, heeft een goede beloning. Het genoegen en het voordeel van heilige liefde zullen een overvloedige beloning zijn voor al het werk en de arbeid van de liefde.
B. Daar leidt hij het kwaad van de eenzaamheid van af: Wee hem die alleen is, hij is blootgesteld aan vele verzoekingen, waartegen goed gezelschap en vriendschap hem zouden helpen om op zijn hoede te zijn. Hem ontbreekt het voordeel dat iemand heeft van het aangezicht, dat is: door de steun van zijn vriend, zoals ijzer dat men scherpt met ijzer. Een klooster- of kluizenaarsleven was dus nooit bedoeld voor een staat van volmaaktheid, ook moeten zij niet de grootste liefhebbers van God geacht worden te zijn, die het niet van zich kunnen verkrijgen om iemand anders lief te hebben.
3. Hij bewijst het door onderscheidene voorbeelden van het voordeel van vriendschap.
A. Hulp in nood. Het is goed voor twee om samen te reizen, want indien de één valt, en misschien wel zo dat hij niet instaat is om alleen op te staan, dan zal de ander bereid zijn om hem op te helpen. Een vriend in de nood is inderdaad een vriend, terwijl iemand, die alleen reist en valt, verloren kan zijn uit gebrek aan een weinig hulp. Indien iemand in zonde valt, zijn vriend zal hem helpen om hem terecht te brengen met de geest van de zachtmoedigheid, indien hij valt in moeilijkheid of benauwdheid, zijn vriend zal hem helpen door hem te vertroosten en zijn leed te verzachten.
B. Wederzijdse warmte. Gelijk een medereiziger van nut is "amices pro vehiculo een vriend kan zeer goed een rijtuig vervangen" zo is dit ook een bedgenoot, indien twee tezamen liggen, zo hebben zij warmte. Zo worden deugdzame en godvruchtige genegenheden op gewekt door goed gezelschap, en christenen verwarmen elkaar door elkaar op te wekken tot liefde en goede werken.
C. Verenigde kracht. Als een vijand een man alleen vindt, dan zal hij hem waarschijnlijk overweldigen, hij moet zich zonder hulp tegen hem verweren en zal het onderspit moeten delven maar als hij een tweede heeft, dan zal hij wei tegen de vijand bestand zijn, twee zullen tegen hem bestaan "Gij zult mij helpen tegen mijn vijand, en ik zal u helpen tegen de uwe," naar de overeenkomst tussen Joab en Abisai, 2 Samuël 10:11, en aldus zijn beide overwinnaars, terwijl zij, indien zij ieder afzonderlijk hadden moeten strijden, beide overwonnen zouden zijn, zoals van de oude Britten gezegd werd, toen de Romeinen in hun land vielen: "Dum singuli pugnant, universi vincuntur" terwijl zij in afzonderlijke groepen streden, offeren zij de algemene zaak op. In onze geestelijke strijd kunnen wij elkaar behulpzaam zijn, zowel als in ons geestelijk werk, na de vertroosting van gemeenschap met God komt die van de gemeenschap van de heiligen. Hij besluit met dit spreekwoord: Een drievoudig snoer wordt niet snel gebroken, evenmin als een bundel pijlen, hoewel ieder afzonderlijke draad en iedere afzonderlijke pijl gemakkelijk verbroken wordt. Twee tezamen vergelijkt hij bij een drievoudig snoer, want waar twee innig samenverbonden zijn in heilige liefde en gemeenschap, zal Christus door Zijn Geest tot hen komen en de derde zijn, zoals Hij zich bij de een drievoudig snoer, dat nooit verbroken kan worden. Zij, die in liefde wonen, wonen in God, en God in hen.