Hooglied 6:11-13
Christus, nu teruggekeerd zijnde tot de bruid, en de breuk volkomen genezen en de twist tussen deze minnaars geëindigd zijnde in de vernieuwing hunner liefde, geeft Christus hier nu een bericht beide van de verwijdering en van de verzoening.
1. Dat Hij, toen Hij zich terug had getrokken van Zijn kerk, als Zijn bruid, en haar niet vertroostte, haar zelfs toen toch beschouwde als Zijn hof, waar Hij zorg voor droeg, vers 11. "Ik ben naar de notenhof afgegaan, de hof van muskaatnoten, om de groene vrucht van de vallei te zien, met welbehagen en zorgende belangstelling ze te zien als de Mijne." Toen Hij buiten het gezicht was, was Hij niet verder weg dan in de hof, verborgen onder de bomen van de hof, in een lage en donkere vallei, maar toen merkte Hij op of de wijnstok bloeide, om er alles aan te doen wat nodig was om de bloei ervan te bevorderen, en om er zich in te verlustigen, zoals de mens zich verlustigt in een vruchtbare hof. Hij ging om te zien of de granaatbomen uitbotten, Christus bemerkt het eerste begin van het goede werk van de genade in de ziel, en het eerste opkomen van vrome genegenheden en neigingen, en Hij heeft er een welbehagen in, zoals wij een welbehagen hebben in de bloesems van de lente.
2. Dat Hij zich toch niet lang hiermede tevreden kon stellen, maar plotseling een krachtige onweerstaanbare drang gevoelde in Zijn hart om weer te keren tot Zijn kerk, als Zijn bruid, bewogen zijnde door haar zuchten en verlangen naar Hem, vers 12 :eer Ik het wist zette Mij Mijn ziel op de wagens van Mijn vrijwillig volk, Ik kon Mij niet langer op een afstand houden, al mijn berouw is tezamen ontstoken, en terstond besloot Ik om Mij terug te spoeden naar de armen van Mijn vriendin, naar Mijn duif. Aldus hield Jozef zich voor een tijd vreemd voor zijn broeders, om hen te kastijden voor hun vroegere onvriendelijkheid, en om hun tegenwoordige gezindheid op de proef te stellen, totdat hij zich niet langer kon bedwingen, maar, eer hij het wist, in tranen uitbarstte en zei ik ben Jozef, Genesis 45:1,3. en nu bemerkte de bruid, zoals David bemerkt heeft, Psalm 31:23, dat, hoewel zij in haar haast gezegd heeft: "Ik ben afgesneden van voor Uw ogen", Hij toch terzelfder tijd de stem van haar smekingen heeft gehoord, en dat Hij als de wagens van Amminadab werd, die beroemd waren om hun schoonheid en snelheid. Mijn ziel zette Mij op de wagens van Mijn vrijwillig volk, zo lezen het sommigen, "de wagens van hun geloof en hun hoop en liefde, van hun begeerten en hun gebeden en hun verwachtingen, die zij Mij nazonden, om Mij terug te halen, als vurige wagens en vurige paarden". Christus volk zijn, en behoren te zijn, een gewillig volk. Als zij Hem blijven zoeken en naar Hem blijven verlangen, zelfs wanneer Hij zich van hen schijnt terug te trekken, dan zal Hij ter bestemder tijd genadiglijk tot hen wederkeren, eerder misschien dan zij denken en in aangename verrassing. Geen wagens, die voor Christus gezonden worden, zullen ledig terugkomen. Alle genadig wederkeren van Christus tot Zijn volk komt voort uit Hemzelf. Zij zijn het niet, maar het is Zijn eigen ziel die Hem op de wagens van Zijn volk zet want Hij is genadig omdat Hij genadig wil zijn, en heeft zijn Israël lief omdat Hij hen wilde liefhebben, niet om hunnentwil, dit zij hun bekend.
3. Dat Hij tot haar wedergekeerd zijnde, haar vriendelijk nodigt om weer te keren tot Hem, in weerwil van de ontmoedigingen, die haar kwellen. Laat haar er niet aan wanhopen om evenveel genot en vertroosting te zullen hebben als zij ooit gehad heeft, voordat deze verwijdering heeft plaats gehad, maar nu van de vertroosting genieten van Zijn terugkeren, vers 13. Hier
A. Wordt de kerk Sulammith genoemd, verwijzende, hetzij naar Salomo, de bruidegom in type, naar wiens naam zij genoemd is, ten teken van haar betrekking tot hem en haar vereniging met hen zo worden de gelovigen christenen genoemd naar Christus, of wel, verwijzende naar Salem, haar geboorteplaats en haar woonplaats, zoals de vrouw van Sunem de Sunamietische wordt genoemd. De hemel is het Salem, waar de heiligen hun geboorte hebben en waar zij hun burgerschap hebben, zij, die Christus toebehoren en op weg zijn naar de hemel, zullen Sulammieten genoemd worden.
B. Zij worden uitgenodigd om terug te keren, en de uitnodiging is zeer dringend, Keer weer, keer weer, en wederom, keer weer, keer weer, vind de vrede weer, die gij verloren en verbeurd hebt, kom terug tot uw vorige kalmte en blijmoedigheid." Als er stoornis is gekomen in de vertroosting en de gemoedsrust van goede Christenen, dan is het soms moeilijk om hen weer tot rust te brengen, dan moeten zij er dringend toe vermaand worden om weer te keren tot hun rust. Gelijk rebellerende zondaren het nodig hebben om telkens en nogmaals geroepen te worden Bekeert u, bekeert u, want daarom zou gij sterven, zo hebben ontroerde en veronruste heiligen het nodig om telkens en nogmaals geroepen te worden: keert weer, keert weer, waarom wilt gij kwijnen? Wat buigt gij u neer, o mijn ziel?
C. Weergekeerd zijnde, wordt van haar verlangd dat zij haar aangezicht zal tonen, dat wij u mogen aanzien. Ga niet langer met een bedekt aangezicht als een rouwdragende. Laat hen, die vrede hebben met God, hun aangezicht opheffen tot God, Job 22:26, laat hen met vrijmoedigheid komen tot de troon van de genade. Christus heeft een welbehagen in de blijmoedigheid en het nederig vertrouwen van Zijn volk, en Hij wil dat zij er aangenaam uitzien. Dat wij u mogen aanzien, niet alleen Ik, maar ook de heilige engelen, die zich verblijden in de vertroostingen van de heiligen zowel als in de bekering van zondaren, Ik niet alleen, maar al de dochters. Christus en de gelovigen hebben een welbehagen in de schoonheid van de kerk.
D. Er wordt een kort bericht gegeven van hetgeen in haar te zien is. De vraag wordt gedaan: Wat zult gij aan de Sulammith zien? En er wordt geantwoord: Als het gezelschap van twee legers.
a. Sommigen denken dat zij zelf dit bericht van zich geeft. Zij schroomt er voor om te verschijnen, wil niet graag dat men haar aanziet, daar zij in haar eigen schatting gedaante noch heerlijkheid heeft. Helaas, zegt zij, wat zult gij zien aan de Sulammith? Niets dat de moeite waard is van het aan te zien, niets dan als het ware het gezelschap van twee legers, die in strijd met elkaar zijn, er is niets te zien dan slachting en bloed. De wachters hadden haar geslagen en gewond, en zij droeg in haar gelaat de tekenen van die wonden, zij zag er uit alsof zij gevochten had. Zij had gezegd, Hoofdstuk 1:6:"Ziet mij niet aan dat ik zwart ben, hier zegt zij: Ziet mij niet aan dat ik bebloed ben." Of het kan zien op de voortdurende worsteling tussen genade en bederf in de ziel van de gelovigen, zij zijn in hen als twee legers in onophoudelijke schermutseling, waardoor zij zich schaamt om haar aangezicht te laten zien.
b. Anderen denken dat haar liefste dit bericht van haar geeft. Ik zal u zeggen wat gij in de Sulammith zien zult, gij zult een zo groot en schoon gezicht hebben als dat van twee legers, of twee delen van hetzelfde leger, opgesteld in gelederen, niet alleen als een leger met banieren, maar als twee legers, met een dubbele majesteit als die, waarvan tevoren is gesproken, zij is als Mahanaim als de twee legers, die Jakob gezien heeft Genesis 32:1, 2, een leger van engelen hen dienende, "de strijdende kerk, en de triomferende kerk." Zie twee legers, in beide verschijnt de kerk schoon en heerlijk.