Bijbelstudie
Boeken
Hooglied 4
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
1
ZIE,
1
gij zijt schoon, Mijn vriendin, zie,
2
gij zijt schoon; uw ogen zijn
3
duiven
ogen
a
4
tussen uw vlechten;
b
uw haar
5
is als een kudde geiten die
het gras
van den
6
berg Gileads
7
afscheren.
2
8
Uw tanden zijn als een kudde
schapen
die
9
geschoren zijn,
10
die uit de wasstede opkomen; die altezamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is
11
jongeloos.
3
12
Uw lippen zijn
13
als een scharlaken snoer, en uw spraak
c
is lieflijk; de slaap uws hoofds is als
14
een stuk van een granaatappel
15
tussen uw vlechten.
4
d
16
Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is
17
tot ophanging van wapentuig, waar
18
duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden
19
der helden.
5
e
Uw
20
twee borsten
21
zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree,
22
die onder de leliën weiden.
6
23
Totdat de dag aankomt en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg en tot den wierookheuvel.
7
24
Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen
25
gebrek aan u.
8
26
Bij Mij van den Libanon af,
27
o bruid, kom bij Mij van den
28
Libanon af; zie van den
29
top van
30
Amána, van den top van
31
Senir en van
32
Hermon, van de woningen
33
der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.
34
9
Gij hebt
35
Mij het hart
36
genomen,
37
Mijn zuster, o bruid;
38
gij hebt Mij het hart genomen
39
met één van uw ogen, met één
40
keten
41
van uw hals.
10
42
Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! Hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan
43
wijn, en de reuk
44
uwer oliën dan alle
45
specerijen!
11
46
Uw lippen, o bruid,
47
druppen van honigzeem;
48
honig en melk is onder uw tong, en
49
de reuk uwer klederen is als
50
de reuk van Libanon.
12
Mijn zuster, o bruid, gij zijt een
51
besloten hof,
52
een besloten wel,
53
een verzegelde fontein.
13
54
Uw scheuten zijn
55
een paradijs van granaatappelen, met
56
edele vruchten,
57
cyprus met nardus,
14
Nardus en saffraan,
58
kalmoes en kaneel, met allerlei
59
bomen van wierook, mirre en
60
aloë, mitsgaders
61
alle voornaamste specerijen.
62
15
63
O Fontein der hoven, Put
64
der levende wateren,
65
die uit Libanon vloeien!
16
66
Ontwaak, Noordenwind, en kom, Gij Zuidenwind,
67
doorwaai
68
mijn hof,
69
dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en
70
ate zijn
71
edele vruchten!