7. En Azaria1) ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David; maar omdat hij aan de melaatsheid gestorven was, niet in de koninklijke erf-begraafplaats (
1 Koningen 2:10), maar, om deze niet te verontreinigen, in de aarde naast deze (
2 Kronieken 26:23); en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats, nadat hij tot dusver reeds het ambt van plaatsvervangend regent van het rijk had bekleed.
1) In het doodsjaar van Uzzia (758 v. Chr.), werd Jesaja (eigenlijk Jeschajahoe, d.i. Heil van de HEERE), zoon van een zekere Amos, die de overlevering voor een broeder van koning Amazia ( 14:1vv.) verklaart, tot het profetenambt geroepen (Jesaja 6:1vv.). Even onbewezen als de sage is, dat hij een nakomeling uit het koninklijk huis van David geweest is, is de andere, die hem tot opvoeder van de jonge prins Hizkia maakt en hem onder diens regering het ambt van Rijksgeschiedschrijver (2 Kronieken 26:22; 32:32) laat bekleden. Wel maken zijn wezen en zijn verschijning een volstrekt koninklijke indruk, zodat hij met het volste recht de koning van de profeten genoemd wordt; met koningen spreekt hij als een koning, met majesteit treedt hij de groten van zijn volk tegemoet en steeds bewijst hij zich meester van zijn onderwerp en van de taal. Maar dat koninklijk karakter komt uit iets anders dan uit koninklijk bloed voort, en slechts zoveel laat zich met zekerheid van hem zeggen, dat hij een geboren Jeruzalemmer was. In het midden van de 1500 jaren, dat het verbond van de wet duurde, tussen Mozes en Christus in, werkt Jesaja in het zo gewichtig keerpunt in de geschiedenis van Gods volk, toen dit, in de strijd van het oostelijke wereldrijk Assyrië met het westelijke of Egypte om het bezit van de wereldheerschappij, medegewikkeld, zijn vernietiging tegemoet ging. Toen had de profetie het dubbele doel, om in de aanstaande schijnbare zegepraal van de heidense goden een openbaring aan te wijzen van de straffende gerechtigheid van de HEERE tegen Zijn volk, en om het het herstel van de theocratie uit de puinhopen van het verwoeste rijk tot troost van de gelovigen aan te kondigen. Overeenkomstig dit dubbele doel valt bij Jesaja nog meer dan bij andere profeten de afwisseling in het oog, dat hij onder de beste regeringen de ernstigste dreigingen, en in de tijd van de allerslechtste koning, van Achaz, daarentegen de vertroostendste beloften vermeldt. Nadat het 15de jaar van Hizkia (712 v. Chr.) om was, heeft de profeet, naar het schijnt, zich niet meer met de openbare zaken beziggehouden, maar hij leefde, naar ene geloofwaardige overlevering, nog tot aan het begin van Manasse's regering (698 tot 643 v. Chr.), toen hij als slachtoffer van het heidendom, dat toen weer heersende godsdienst geworden was, gevallen zou zijn. Wat de Talmud vertelt omtrent de wijze, waarop hij de dood vond, klinkt zeker fabelachtig. Toen Manasse de woorden van de bestraffende rede van Jesaja vernomen had-zo luidt een aantekening bij 21:16 -werd hij met toorn tegen hem vervuld, zijn gerechtsdienaars liepen de profeet na om hem te grijpen, en hij ontvluchtte hen. Toen vertoonde zich een Johannes-broodboom, waarin hij zich verborg; maar er kwamen timmerlieden, die de boom doorzaagden, zodat Jesaja's bloed eruit vloeide. Omdat intussen doorzagen een de Israëlieten niet onbekende wreedheid was (2 Samuël 12:31; 1 Kronieken 20:3 20:3) en in Hebreeën 11:37 ook van zulke bloedgetuigen sprake is, die in stukken gezaagd zijn, lijdt het wel geen twijfel, dat Manasse werkelijk Jesaja liet doorzagen. Daaruit volgt, dat hij de leeftijd van minstens 85 jaar bereikt moet hebben, en nog heden wijst men ten zuiden van de vijver van Siloa (2 Samuël 17:17" en "1 Koningen 7:26) een moerbeiboom aan op de plaats, waar de wrede daad gebeurd zou zijn. Overigens wordt geen profeet zo dikwijls in het Nieuwe Testament aangehaald..
Lees dus zijn profetieën met de bede van de vrome Abt Aelredus van Rieval (gestorven 1166 na Chr.): "Gij die de heilige Jesaja hebt ingegeven te schrijven, geef, ik bid het U, geef mij te verstaan, wat hij geschreven heeft, nadat Gij mij reeds gegeven hebt te geloven; want wanneer wij niet vooraf het geloof hebben, zullen wij het ook niet verstaan.".
*XIV. Vers 8-12. Wat de Heere niet slechts aan Jehu toegezegd, maar ook later onder Jerobeam II door de profeet Hosea ( 1:4) bevestigd had, dat wordt in Zacharia vervuld, die 11 jaar na zijn vaders dood hem in de heerschappij over het rijk van Israël opvolgt; want reeds na 6 maanden wordt hij door Sallum voor aller oog gedood. Maar met hem wordt ook het andere woord in dezelfde profetische uitspraak vervuld, dat aan het koninkrijk van het huis van Israël een einde gemaakt zal worden; want zijn opvolgers zijn niet zozeer koningen als wel rovers en tirannen, die de naam van koningen onwaardig zijn, die de door misdaad verkregen en door misdaad gehandhaafde heerschappij ook door misdaad weer verliezen.