Handelingen 24:1-9
Wij kunnen veronderstellen, dat Lysias, de overste, na Paulus weggezonden te hebben naar Cesarea, aan de overpriesters en de anderen, die tegen Paulus waren opgetreden, te kennen heeft gegeven, dat zij indien zij hem van iets hadden te beschuldigen, hem naar Cesarea moesten volgen, dat zij hem daar zullen vinden, hem en ook een rechter, bereid om hen te horen, denkende misschien, dat zij zich niet zo veel moeite zullen getroosten. Maar waar is kwaadwilligheid al niet toe bereid?
I. Wij hebben hier nu de krachtige voortzetting van het rechtsgeding tegen Paulus.
1. Er wordt geen tijd verloren, want reeds na vijf dagen zijn zij gereed voor een verhoor. Om Paulus te vervolgen, worden terstond alle andere zaken ter zijde gelegd, zo verlangend zijn slechte mensen er naar om kwaad te doen! Sommigen rekenen deze vijf dagen van het ogenblik af, dat Paulus het eerst gegrepen werd, en dat wel met grote waarschijnlijkheid, want hij zegt hier, vers 11, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, dat hij naar Jeruzalem was opgekomen, en hij had zeven dagen doorgebracht voor zijne heiliging in den tempel, zodat deze vijf gerekend moeten worden van de laatste van die.
2. Die zijne rechters geweest waren, verschijnen hier zelven als zijne aanklagers. Ananias zelf, de hogepriester, die als rechter over hem had gezeten, staat nu om hem aan te klagen. Men kan er zich over verbazen:
a. Dat hij zich aldus heeft verkleind, de waardigheid van zijn ambt heeft vergeten! Moet de hogepriester aanklager gaan worden, al zijn werk in den tempel te Jeruzalem overlaten, om als aanklager opgeroepen te worden in het rechthuis van Herodes? Rechtvaardiglijk heeft God de priesters verachtelijk en onwaardig gemaakt, nu zij zich zelven alzo hebben gemaakt, Maleachi 2:9.
b. Dat hij dus zich zelven en zijne vijandschap tegen Paulus zou bloot leggen! Als mannen van den hoogsten rang tegen iemand kwaadwilligheid koesteren, dan achten zij het verstandig om anderen tegen hem te gebruiken, en zich zelven op den achtergrond te houden, vanwege den blaam, die er altijd mede gepaard gaat, maar Ananias schaamt zich niet zich als een gezworen vijand van Paulus te bekennen.
De ouderlingen vergezelden hem, om hun instemming met hem te betuigen en aan de vervolging kracht bij te zetten, want zij konden geen advocaat of procureur vinden, die de zaak met zoveel heftigheid zou vervolgen als zij het wensten. De moeite, die slechte mensen zich getroosten voor ene slechte zaak, hun berekening er voor, hun inschikkelijkheid waar het nodig is om hun doel te bereiken, hun onvermoeide vlijt en inspanning er voor moeten ons beschaamd maken om onze koudheid en traagheid en onverschilligheid voor hetgeen goed is.
II. Wij hebben hier de pleitrede tegen Paulus. De aanklagers brachten een zekeren voorspraak mede, genaamd Tertullus, een Romein, bedreven in de Romeinse wet en taal, en daarom het meest geschikt om gebruikt te worden in ene rechtszaak, die voor den Romeinsen stadhouder gebracht was, en dus ook het waarschijnlijkst gunst er voor zal verwerven. De hogepriester en de ouderlingen hadden wel genoeg nijd en boosheid in hun hart, maar zij dachten niet, dat hun tong scherp genoeg was, en daarom hebben zij Tertullus in dienst genomen, die waarschijnlijk bekend was als een satiriek vernuft, en ongetwijfeld hebben zij hem ene ruime geldelijke beloning toegekend, waarschijnlijk uit den schat des tempels, waarover zij te beschikken hadden, daar het ene zaak was, die de kerk betrof. Paulus wordt nu voor den rechterstoel gebracht van Felix, den stadhouder. Hij werd geroepen, vers 2. Het is de taak van Tertullus, om voor de vervolging de aanklacht uit te spreken, en hij is een man, die alles zal zeggen wat men wil om zijn salaris te verdienen, de tong van huurlingen wordt daar altijd toe bereid gevonden. Gene zaak zo onrechtvaardig of er zijn advocaten voor te krijgen, om haar te bepleiten, en toch kunnen wij hopen, dat vele advocaten rechtvaardig genoeg zijn, om niet willens en wetens ene slechte zaak voor te staan, maar Tertullus behoorde niet tot hen. Zijne rede (of een uittreksel er van ten minste, want uit de redevoeringen van Cicero blijkt, dat de Romeinse advocaten bij dergelijke gelegenheden lange redevoeringen plachten te houden) wordt hier vermeld, en zij is een samenstel van vleierij en leugen, zij noemt kwaad goed, en goed kwaad.
1. Een der slechtste mensen wordt hier geprezen en toegejuicht als een van de grootste weldoeners, alleen maar omdat hij de rechter was. Felix wordt, zowel door de geschiedschrijvers van zijn eigen volk, als door Josephus, den Jood, voorgesteld als een zeer slecht man, die, steunende op zijn invloed aan het hof, zich allerlei slechtheid veroorloofde, een grote verdrukker was, zeer wreed en zeer hebzuchtig, moordenaars begunstigde en in bescherming nam, Joseph Antiquit lib. 20, cap. 6. En toch heeft Tertullus hier in naam van den hogepriester en de ouderlingen, waarschijnlijk wel naar bijzondere instructies van hen, hem gecomplimenteerd, hem tot in de wolken verheven, alsof hij zo goed een magistraat was als er nooit geweest is. En die lof komt al heel slecht van den hogepriester en de ouderlingen, daar hij kort te voren een voorbeeld heeft gegeven van zijne vijandschap tegen hun orde, want Jonathan, de hogepriester, of een der overpriesters, hem beledigd hebbende door ene al te vrijmoedige smaadrede tegen de tirannie van zijne regering, heeft hij hem door enige schurken, die hij tot dat doel gehuurd had, laten vermoorden, welke moordenaars later hetzelfde deden naarmate zij er voor gehuurd werden. Cujus facinoris quia nemo ultor extitit, invitati hac licentia sicarii multos confodiebant, alios propter privatos inimicitias, alios conducti pecunia etiam in ipso templo. -Niemand gevonden wordende om zo ontzettende slechtheid te straffen, hebben de moordenaars, aangemoedigd door deze straffeloosheid, verscheidene personen doodgestoken, sommigen uit persoonlijke kwaadwilligheid, en sommigen, omdat zij er voor gehuurd waren -en dat zelfs in den tempel. En toch hebben zij om hem te bewegen hun ter wille te zijn in hun boosaardige bedoelingen tegen Paulus, hun die vriendelijkheid te bewijzen ter beloning van hun vriendelijkheid in dat alles maar voorbij te zien, hem verheerlijkt als den grootsten zegen voor hun kerk en natie, die hun ooit te beurt is gevallen. Zij zijn gans bereid dit te erkennen, vers 3.
"Dat wij, van de kerk, groten vrede door u bekomen, en wij beschouwen u als onzen begunstiger en beschermer, en dat vele loffelijke diensten dezen volke van tijd tot tijd geschieden door uwe voorzichtigheid, uwe wijsheid, zorg en waakzaamheid." Om hem te geven wat hem toekomt, moet gezegd worden, dat hij het oproer gedempt heeft van dien Egyptenaar, van wie de overste sprak, Hoofdstuk 21:38. Maar zal de lof hiervoor hem beschutten tegen het rechtvaardig verwijt wegens zijne tirannie en verdrukking daarna? Zie hier: a. Het ongeluk van de aanzienlijken, en een zeer groot ongeluk is het, dat hun verdiensten boven mate geprezen worden, terwijl men hen nooit in getrouwheid op hun fouten en gebreken wijst, hierdoor worden zij verhard en aangemoedigd in het kwade.
b. De staatkunde van slechte mensen, door vorsten te vleien om hetgeen zij verkeerd doen, hen tot nog erger aan te sporen. De bisschoppen van Rome zijn bevestigd in hun buitensporige kerkelijke macht, en geholpen in hun vervolgen van de dienstknechten van Christus door vleiende en liefkozende overweldigers en tirannen, en zo hebben zij hen als werktuigen gebruikt van hun boosaardigheid, juist zoals hier de hogepriester door zijne complimenten Felix tot zijn werktuig wilde maken. Zij beloven er steeds een dankbaar besef van te zullen hebben, vers 3. "Wij nemen het ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan, overal en altijd, nemen wij het aan, bewonderen wij het, machtigste Felix. Bij alle gelegenheden zullen wij bereid zijn van u te getuigen, dat gij een wijs en goed stadhouder zijt, zeer verdienstelijk jegens het land." Indien hij werkelijk zulk een goed stadhouder was geweest, dan zou het ook recht zijn geweest, dat zij zijne goede diensten met alle dankbaarheid aannamen. Voor de weldaden, die wij door ene goede regering genieten, inzonderheid door het bestuur van wijze en goede regeerders, behoren wij beide aan God en mensen dankbaar te zijn. Het behoort tot de ere, die aan de magistraten toekomt, te erkennen, dat wij vrede en rust genieten onder hun bescherming, en de loffelijke diensten die zij door hun wijsheid en voorzichtigheid tot stand brengen. Daarom verwachten zij ook zijne gunst ten opzichte van deze zaak, vers 4, Zij wenden grote zorge voor om niet te veel van zijn tijd te vorderen. Wij willen u niet te lang ophouden, maar toch zijn zij overtuigd van zijn geduld: ik bid u, dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, kortelijk hoort. Die gehele toespraak is: ad captandam benevolentiam -om hem te bewegen hun zaak te ondersteunen, en zij wisten zelven zo goed, dat het wel spoedig zou blijken, dat er veel meer boosaardigheid in, dan goede grond was voor, hun aanklacht, dat zij het nodig vonden om zich op die wijze in zijne gunst in te dringen. Iedereen wist, dat de hogepriester en de ouderlingen vijanden waren van het Romeinse bewind, zich zeer onbehaaglijk gevoelden onder hun juk, en dat zij daarom in hun hart Felix haatten, en toch, om slechts hun doel te bereiken ten opzichte van Paulus, betuigen zij hem, bij monde van hun raadsman, al dien eerbied, juist zoals zij hun eerbied betuigd hebben voor Pilatus en den keizer, toen zij onzen Zaligmaker hebben vervolgd. Vorsten kunnen niet altijd de genegenheid van hun volk beoordelen naar den lof en de toejuiching, die zij er van ontvangen, vleierij is een ding, ware trouw en gehechtheid is gans wat anders.
2. Een van de besten der mensen wordt hier beschuldigd als een der ergste boosdoeners, alleen omdat hij de gevangene was. Na die zinledige loftuiting komt hij nu tot zijne zaak, welke bestaat in Zijne Excellentie in te lichten omtrent den gevangene voor de balie, en dit deel zijner redevoering is even walglijk om den toon van scherts en spot, als het vorige om het uitbundige van de vleierij. Ik beklaag den man, en geloof, dat hij gene kwaadaardigheid koesterde tegen Paulus, ook denkt hij niet zoals hij spreekt, als hij hem aldus belastert, evenmin als hij dacht wat hij sprak in zijn vleien van Felix. Maar gelijk ik er niet anders dan bedroefd om kan zijn, dat een man van vernuft en verstand zulk ene veile tong heeft (gelijk men dit noemt) zo kan ik ook niet anders dan vertoornd wezen op mannen, die zulk een eerbiedwaardig ambt bekleedden en dus zo eerbiedwaardig van karakter hadden behoren te wezen, dat hun hart boosaardig genoeg was hem zulke woorden in den mond te leggen. Tweeërlei aanklacht brengt Tertullus in naam van den hogepriester bij Felix in.
A. Dat Paulus den vrede der natie verstoorde. Zij zouden Christus' discipelen niet als wilde dieren hebben kunnen jagen en vervolgen, indien zij hen niet eerst in de huiden van wilde dieren hadden gestoken, hun niet de slechtste en laagste behandeling kunnen aandoen, indien zij hen niet eerst als de slechtsten en laagsten der mensen hadden voorgesteld, hoewel die voorstelling van hun aard en karakter volkomen vals was, en er niet de minste grond voor bestond. Onschuld, ja zelfs uitnemendheid en nuttigheid, zijn gene beschutting tegen laster, ook niet tegen den indruk door laster teweeggebracht op het gemoed zowel van magistraten als van de volksmenigte, om achterdocht en woede bij hen op te wekken, want al is die voorstelling nog zo rechtvaardig, als zij, gelijk hier het geval was, versterkt wordt door den schijn van ernst en onder voorgeven van heiligheid, en met zekerheid in het spreken en veel luidruchtigheid, zal er altijd iets van zijn, dat ingang vindt. De oude beschuldiging tegen Gods profeten was, dat zij de beroerders waren van het land, en tegen Gods Jeruzalem, dat het ene oproerige stad was, den koningen en landschappen schade aanbrengende, Ezra 4:15, 19, en tegen onzen Heere Jezus, dat Hij het volk afkerig maakte, en verbood den keizer schatting te geven. Het is nu hetzelfde hier tegen Paulus, en hoewel de beschuldiging volkomen vals is, wordt zij hier toch met alle mogelijke zekerheid betuigd e n bevestigd. Zij zeggen niet: "Wij verdenken hem van een gevaarlijk man te zijn, en hebben hem op die verdenking gegrepen": maar alsof de zaak gans onbetwistbaar zeker was: "Wij hebben bevonden dat hij dit is, wij hebben hem dikwijls en voorlang aldus bevonden", alsof hij reeds als verrader en rebel schuldig was verklaard. En toch is er, met dat al, in die gehele voorstelling geen woord waar, want als er naar Paulus' wezenlijk karakter een onderzoek zou worden ingesteld, zal men terstond het tegenovergestelde er van ontdekken.
a. Paulus was een nuttig man, en een grote zegen voor zijn land, een man van voorbeeldige oprechtheid en goedheid, dienstvaardig voor allen, tergend of beledigend voor niemand, en toch wordt hij hier een pest genoemd, vers 5. Wij hebben hem bevonden te zijn loimon - pestem -de plaag der natie, ene wandelende pestilentie, hetgeen hem verondersteld te zijn een man van een onstuimigen geest, kwaadaardig en gemelijk, iemand, die overal waar hij kwam, alles in wanorde bracht. Zij willen doen denken, dat hij in zijn' tijd meer kwaad gesticht heeft, dan ene pestilentie had kunnen veroorzaken, dat het kwaad dat hij deed, aanstekelijk was, en dat hij anderen even kwaaddoend maakte, als hij zelf was, dat het even noodlottig is in de gevolgen, als de pest, dood en verderf aanbrengende, alles verwoestende. Menige goede leerrede heeft hij gehouden, en menig goed werk heeft hij gedaan, en daarom wordt hij nu een pest genoemd.
b. Paulus was een vredestichter, een prediker van dat evangelie, hetwelk de rechtstreekse strekking heeft om alle vijandschap te doden, en waren, duurzamen vrede te vestigen. Zelf leefde hij vreedzaam en rustig, en hij leerde anderen ook zo te leven. En toch wordt hij hier voorgesteld als een, die oproer verwekt onder alle de Joden door de ganse wereld. De Joden waren misnoegd op de Romeinse regering en diegenen onder hen het meest, die de meest blinde ijveraars waren. Felix wist dit, en hield daarom een waakzaam oog op hen gericht. Nu wilden zij hem gaarne doen geloven, dat Paulus de man was, die hen zo maakte, terwijl zij zelven de mannen waren, die het zaad van factie en opstand onder hen zaaiden, en zij wisten dit, en de reden, waarom zij Christus en Zijn Godsdienst haatten, was, omdat Hij zich niet aan hun hoofd wilde stellen in een opstand tegen de Romeinen. De Joden waren overal zeer tegen Paulus opgezet, en zij wekten het volk op om tegen hem te schreeuwen. Zij verwekten oproer in alle plaatsen, waar hij kwam, en dan gaven zij hem er onrechtvaardiglijk de schuld van, alsof hij het oproer had verwekt, evenals Nero niet lang daarna Rome in brand stak, en toen zei, dat de Christenen het gedaan hadden. c. Paulus was een man van algemene liefdadigheid, die allen wilde dienen, aan allen goed wilde doen, en toch wordt hij hier beschuldigd, een opperste voorstander van de sekte der Nazareners te zijn, hun standaarddrager, zoals de betekenis is van het woord. Toen Cyprianus ter dood veroordeeld werd, omdat hij een Christen was, werd in zijn vonnis vermeld, dat hij was auctor iniqui nominis et signifer -de bewerker en de standaarddrager van ene slechte zaak. Nu was het waar, dat Paulus een werkzame voorganger was in de verspreiding van het Christendom. Maar: Ten eerste. Het was volkomen onwaar, dat dit ene sekte was. Hij heeft de mensen niet heengetrokken naar ene partij, of hen overgehaald tot ene bijzondere mening, en evenmin heeft hij hun zijne eigene denkbeelden ten regel voorgeschreven. Het ware Christendom vestigt hetgeen van algemeen belang is voor geheel de mensheid, verkondigt liefde voor alle mensen en toont ons God in Christus de wereld met zich zelven verzoenende, en daarom kan men er niet van denken, dat het zijn oorsprong heeft uit zulke enghartige meningen, en bijzondere belangen, als die, waarvan sekten hun oorsprong hebben. Het ware Christendom heeft de strekking om de kinderen der mensen te verenigen, hen bijeen te vergaderen tot een lichaam, en in zover het zijn rechtmatigen invloed en macht verkrijgt op het hart der mensen, zal het hen zachtmoedig en rustig maken, vreedzaam en liefderijk, en in alles aangenaam en nuttig voor elkaar, en daarom is het er verre vandaan ene sekte te wezen, die verondersteld wordt tot verdeeldheid te leiden, en onenigheid te zaaien. Het ware Christendom heeft geen werelds voordeel op het oog, en daarom mag het volstrekt niet ene sekte genoemd worden. Zij, die ene sekte aannemen, worden daarin geleid door hun wereldlijk belang, zij hebben rijkdom en eer op het oog, maar dit is zo ver van de belijders van het Christendom, dat zij er zich door blootstellen aan het verlies en den ondergang van alles wat hun lief is in deze wereld. Ten tweede. Het wordt op hatelijke wijze de sekte der Nazareners genoemd, waardoor Christus dus wordt voorgesteld als te zijn van Nazareth, van waar men niets goeds verwachtte, terwijl Hij was van Bethlehem, waar de Messias was geboren. Maar het heeft Hem behaagd, zich zelven Jezus den Nazarener te noemen, Hoofdstuk 22:8. En de Schrift heeft dien naam geëerd, Mattheus 2:23. Hoewel dit dus bedoeld was als een smaad, hebben de Christenen gene reden gehad zich te schamen om in dien smaad van hun Meester te delen.
Ten derde. Het was onwaar, dat Paulus de auteur of de standaarddrager was van deze sekte, want hij heeft de mensen niet tot zich getrokken, maar tot Christus, hij heeft niet zich zelven maar Christus Jezus gepredikt.
d. Paulus had eerbied voor den tempel, daar hij de plaats was, die God heeft verkoren, om er Zijn naam te stellen, en hij had zelf nog kortelings met eerbied den tempeldienst bijgewoond, en toch wordt hij hier beschuldigd, dat hij gepoogd heeft den tempel te ontheiligen, en dat hij hem voorbedachtelijk heeft gesmaad, er de wetten van heeft geschonden, vers 6. Hun bewijs daarvan faalde, want het feit, dat zij aanvoerden, was volkomen onwaar, en dat wisten zij, Hoofdstuk 21:29.
B. Dat de loop van het recht tegen Paulus gestuit was door den overste.
a. Zij zeggen, dat zij hem gegrepen hebben, en naar hun wet hadden willen oordelen. Dat was onwaar, zij hebben niet gepoogd hem naar hun wet te oordelen, maar, tegen alle wet en recht in, hebben zij gepoogd hem dood te slaan, of hem in stukken te scheuren, zonder naar zijne verdediging te willen luisteren. Onder voorwendsel van hem in hun rechtszaal nog eens te willen ondervragen hebben zij gepoogd hem over te leveren in de handen van woestelingen om hem te vermoorden. Was dit hem naar hun wet te oordelen? Het is wel gemakkelijk voor de mensen, om als zij weten wat zij hadden moeten doen, te zeggen, dat zij dit gedaan zouden hebben, terwijl zij dit toch volstrekt niet meenden.
b. Zij maken aanmerking op den overste, alsof hij hun schade had toegebracht, hen had beledigd, door Paulus uit hun handen te verlossen, terwijl hij daarin niet slechts hem recht gedaan heeft, maar hun de grootst mogelijke vriendelijkheid heeft bewezen, in het voorkomen van de schuld, die zij over zich zelven gingen brengen. Maar Lysias, de overste daarover komende, heeft hem met groot geweld (in werkelijkheid met niet meer geweld dan nodig was) uit onze handen weggebracht, vers 7. Zie hoe vervolgers verwoed zijn over hun teleurstellingen, waarvoor zij dankbaar behoorden te wezen. Toen David in drift op een bloedigen tocht uitging, heeft hij Abigaïl gedankt, dat zij hem er van teruggehouden heeft, en God er voor gedankt, dat Hij haar hiertoe tot hem had gezonden, zo spoedig heeft hij zijne dwaling ingezien en is hij er van teruggekomen. Maar deze wreedaardige lieden rechtvaardigen zich, en achten hem hun vijand te zijn, die (zoals David toen zei) hen geweerd had van te komen met bloedstorting.
c. Zij beriepen zich op Felix en zijn oordeel, maar schijnen toch niet heel tevreden, dat zij in de noodzakelijkheid hiervan gekomen zijn, daar de overste hen er toe verplicht had, vers 8. "Hij was het, die ons genoodzaakt heeft Uwer Excellentie, en ons zelven, dien last te veroorzaken," vers 8. Ten eerste. "Hij gebood zijnen beschuldigers tot u te komen, opdat gij de aanklacht zoudt horen, terwijl het evengoed in een lager gerechtshof beëindigd had kunnen worden." Ten tweede. " Hij heeft het u overgelaten hem te ondervragen, en te zien wat gij uit hem kunt krijgen, of gij door zijne bekentenis tot de kennis kunt geraken van de dingen, waarvan wij hem beschuldigen.
III. De instemming der Joden met de aanklacht, ingediend door Tertullus, vers 9. Ook de Joden stemden het toe, zeggende, dat deze dingen alzo waren.
1. Sommigen denken dat dit te kennen geeft het bewijzen van hun aanklacht door beëdigde getuigen, die omtrent de omstandigheden er van ondervraagd zijn, en ze onder ede bevestigden. En geen wonder, dat, zo zij een advocaat vonden, die het, voor geld, wilde zeggen, zij ook getuigen vonden, die het, voor geld, wilden zweren.
2. Maar het schijnt veeleer de goedkeuring van den hogepriester en de ouderlingen te kennen te geven van hetgeen Tertullus gezegd had. Felix vroeg hun: "Is dit uw gevoelen, en is dit alles wat gij hebt te zeggen?" En zij antwoordden: "Ja, zo is het," en zo maakten zij zich mede schuldig aan al de leugen, die in deze rede gezegd was. Zij, die het vernuft en het vermogen niet hebben om kwaad te doen, dat anderen hebben, die gene redevoeringen kunnen houden tegen den Godsdienst, maken zich toch schuldig aan het kwaad, dat anderen doen, door toe te stemmen wat anderen doen, zeggende, dat deze dingen alzo zijn, herhalende wat gezegd wordt, en er zich aan houdende, om alzo de rechte wegen des Heeren te verkeren. Velen, die gene geleerdheid genoeg hebben om voor Baäl te pleiten, hebben goddeloosheid genoeg om voor Baäl te stemmen.