Handelingen 17:32-34
Wij hebben hier een kort bericht van den uitslag van Paulus' prediking te Athene.
I. Slechts op weinigen heeft zij ene goede uitwerking gehad. Het Evangelie maakte te Athene al even weinig vordering als overal elders, want de hoogmoed der filosofen aldaar heeft hen, evenals de Farizeeën te Jeruzalem, er tegen bevooroordeeld.
1. Sommigen spotten met Paulus en met zijne prediking, zij hebben hem geduldig aangehoord totdat hij van de opstanding der doden begon te spreken, vers 32, maar toen begonnen sommigen van hen te sissen-hem uit te fluiten, zoals wij zeggen-zij spotten. Wat hij te voren gezegd had, geleek enigermate op wat zij soms in hun eigene scholen gehoord hadden, zij hadden ook wel een denkbeeld van ene opstanding in de betekenis van een toekomstigen staat. Maar als hij spreekt van ene opstanding van de doden, al is het ook van de opstanding van Christus zelf, dan is dit volstrekt ongelooflijk voor hen, en zij kunnen het niet dragen om er van te horen, daar het indruist tegen een beginsel van hun filosofie. A privatione ad habitum non datur regressus -Het leven, eens verloren zijnde, is onherstelbaar verloren. Zij hadden hun helden na hun dood vergood, maar nooit hebben zij er aan gedacht, dat zij van de doden opgewekt zouden worden, daarom konden zij zich volstrekt niet verzoenen met deze leer van Christus' opstanding uit de doden. Hoe kan dit? Deze grote leerstelling, die de blijdschap is der heiligen, is voor hen scherts, kortswijl, toen zij maar even voor hen genoemd werd spotten zij, vonden zij het iets belachelijks. Wij moeten het niet vreemd vinden, als heilige waarheden van het grootste belang en de meest stellige zekerheid voor het onheilige vernuft een onderwerp van spot en minachting is.
2. Anderen waren bereid er nog over na te denken. Wij zullen u wederom hiervan horen, zeiden zij. Voor het ogenblik wilden zij nog niet berusten in hetgeen Paulus gezegd had en zij wilden het ook niet tegenstaan, maar: wij zullen u wederom hiervan horen, namelijk: van de opstanding der doden. Wat duidelijk en onbetwistbaar was, schenen zij voorbij te zien, de toepassing en het onderricht er van te ontwijken door tegenwerpingen te maken tegen hetgeen betwistbaar was, en waarover gedebatteerd kon worden. Aldus gaat voor velen de weldaad te loor van de praktische leerstelling van het Christendom, door dat zij zich in de wateren der twistredenen gaan wagen, waar de grond hun onder de voeten wegzinkt, of liever door bedenkingen op te werpen tegen hetgeen, waarin wel enige moeilijkheid is, terwijl toch, zo iemand genegen en vast besloten is den wil van God te doen in zover hij hem geopenbaard is, van deze leer van Christus zal bekennen dat zij uit God is, en niet uit den mens, Johannes 7:17. Zij, die zich aan de tegenwoordige overtuiging van het woord niet wilden onderwerpen, dachten, evenals Felix, er van af te komen, door uitstellen tot een meer gelegener tijd, zij zullen er den een of anderen dag wederom van horen, maar zij weten niet wanneer, en zo komt de duivel en ontfutselt hun al hun tijd, door hen te bedriegen omtrent den tegenwoordigen tijd.
3. Hierop verliet hen Paulus, vers 33, hij is uit het midden van hen weggegaan, daar hij het niet waarschijnlijk oordeelde, dat hij hun toen enig goed kon doen, doch waarschijnlijk met de belofte aan hen, die hem wederom wensten te horen, dat hij met hen samen zou komen, wanneer zij dit ook mochten begeren.
II. Toch waren er sommigen, in wie ene werking ten goede was geoefend, vers 34. Zo sommigen niet wilden, anderen wilden wèl. 1. Sommige mannen hingen hem aan, en geloofden. Toen hij van hen wegging, wilden zij niet aldus van hem scheiden, wáár hij ook heenging, overal volgden zij hem, vastbesloten om te blijven bij de leer, die hij predikte, en die zij geloofden.
2. Twee personen worden inzonderheid genoemd, de een was een uitnemend man, Dionysius de Areopagiet, een lid dus van dat hoge gerechtshof, of groten raad, die zitting hield op den Areopagus, of heuvel van Mars, een rechter, een senator, een dergenen, voor wie Paulus opgeroepen werd om voor hen te ver schijnen. Zijn rechter is dus zijn bekeerling geworden. Het bericht, dat de ouden van dezen Dionysius geven, luidt, dat hij opgevoed was te Athene, in Egypte de astrologie had bestudeerd, waar hij de wonderbare zonsverduistering heeft opgemerkt, die bij het lijden onzes Heilands heeft plaats gehad, dat hij bij zijne terugkomst te Athene senator werd, met Paulus heeft geredetwist, en door hem van zijne dwaling en afgoderij tot bekering werd gebracht, en na grondig door hem onderwezen te zijn, tot bisschop van Athene werd aangesteld. Aldus Eusebius, lib. 5. cap. 4. lib. 4. cap. 22. De vrouw, genaamd Damaris, was, naar sommigen denken, de vrouw van Dionysius, het is echter meer waarschijnlijk dat zij ene andere vrouw van aanzien is geweest. En hoewel nu in Athene niet zulk ene grote oogst ingezameld werd als in sommige andere plaatsen, waren er toch deze enkelen, op wie ten goede gewerkt was, zodat Paulus gene reden had om te zeggen, dat hij te vergeefs had gearbeid.