Galaten 6:1-10
In het voorgaande hoofdstuk heeft de apostel de Christenen opgewekt om elkaar te dienen in de liefde, vers 13, en gewaarschuwd, vers 26, tegen een gemoedsgesteldheid, welke, indien ze geduld werd, hen verhinderen zou om elkaar de wederkerige liefde en dienstvaardigheid te betonen, die hij hun aanbevolen had. In den aanvang van dit hoofdstuk gaat hij er toe over om hun enig verder bestuur te geven, hetwelk, indien getrouw in acht genomen het ene zal voorkomen en het andere bevorderen, en ons gedrag meer in overeenstemming met onze Christelijke belijdenis en nuttiger en aangenamer voor elkaar maken. In het bijzonder:
I. Ons wordt onderwezen zachtmoedig met elkaar om te gaan, wanneer iemand door enige misdaad overvallen is, vers 1. Hij noemt een algemeen geval: Indien ook een mens overvallen ware door enige misdaad, dat is: door de verrassing van enige verzoeking tot zonde verleid. Het is een ding, overvallen te worden door misdaad door tegenstreven en na overleg, met het volle besluit om te zondigen, en een ander ding overvallen te worden door de verrassing van een verzoeking. Het laatste geval wordt hier gesteld, en daarin toont de apostel ons dat grote zachtmoedigheid moet aan den dag gelegd worden. Gij, die geestelijk zijt, daarmee worden bedoeld niet alleen de dienaren, alsof zij alleen geestelijke personen behoren genoemd te worden, maar evenzeer alle andere Christenen, vooral zij, die vorderingen gemaakt hebben in het Christendom, brengt den zodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid. Merk hier op:
1. Den plicht, waarop wij gewezen worden-om dezulken terecht te brengen, wij moeten trachten, door getrouwe berisping en door aanhoudenden en redelijken raad, hen tot berouw te brengen. Het oorspronkelijke woord, katartizete, betekent in zijn voegen zetten, als een ontwricht been, evenzo moeten wij trachten hen weer in hun voegen te zetten, hen tot zich zelven te brengen, door hen van hun zonden en dwaling te overtuigen, hen over te halen tot hun plicht terug te keren, hen te vertroosten met het uitzicht op vergevende goedertierenheid, en, na hen zo terecht gebracht te hebben, onze liefde jegens hen te bevestigen.
2. De wijze waarop dit geschieden moet: Door den geest der zachtmoedigheid, niet met toorn en hartstocht, alsof wij zegepralen door den val van onzen broeder, maar met zachtmoedigheid, als die over hem rouwdragen. Vele nodige bestraffingen missen hare uitwerking, omdat ze met wrevel gegeven worden, maar wanneer ze toegediend worden met kalmte en tederheid, en blijken voort te spruiten uit oprechte toegenegenheid en uit belangstelling in het welzijn van hen, die ze ontvangen, dan hebben ze veel kans van den beoogden indruk te maken.
3. Een zeer goede reden om het in den geest der zachtmoedigheid te doen is deze: Ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. Wij moeten met veel tederheid omgaan met hen, die in zonden gevallen zijn, omdat geen onzer weet wanneer hij in hetzelfde geval verkeren zal. Wij kunnen ook verzocht worden, ja, bezwijken voor de verzoeking, en daarom indien wij op de rechte wijze op ons zelven zien, zal dit ons in staat stellen om anderen zo te behandelen als wij in zulk een geval zouden wensen behandeld te worden.
II. Ons wordt hier bevolen: Draagt elkanders lasten, vers 2. Dat kan beschouwd worden als betrekking hebbende op het voorgaande, en dan onderwijst het ons om jegens elkaar verdraagzaamheid en medelijden te oefenen in de gevallen van zwakheid, dwaasheid en onvolkomenheid, die zo dikwijls voorkomen, -dat ofschoon we het niet oogluikend mogen toelaten, wij daarom niet gestreng tegen elkaar zijn moeten. Maar het kan ook een meer algemeen voorschrift zijn, en ons vermanen om met elkaar mede te gevoelen onder de verschillende moeiten en beproevingen, die ons deel worden, en gereed te zijn om elkaar te raden, te troosten, te helpen en bij te staan, wanneer de omstandigheden dat vereisen. Om ons daartoe aan te vuren, voegt de apostel er bij wijze van beweegreden aan toe, dat wij zodoende de wet van Christus vervullen zullen. Dat is, dan zullen wij handelen volgens het beginsel van Zijn voorschrift, dat is de wet der liefde, die ons verplicht tot wederzijdse verdraagzaamheid en vergevensgezindheid, en tot medelijden en welwillendheid jegens elkaar. Het moet voor ons de kracht van een wet hebben, omdat wij zodoende in Zijne voetstappen wandelen en Zijn voorbeeld navolgen. Hij verdraagt ons in onze zwakheden en dwaasheden, Hij heeft behoorlijk medelijden met onze zwakheden, en dat is dus reden genoeg voor ons om jegens elkaar hetzelfde te doen. Merk op: ofschoon wij als Christenen vrij zijn van de wet van Mozes, staan wij toch onder de wet van Christus, en daarom, in plaats van ondraaglijke lasten op elkaar te leggen (zoals zij deden, die gehoorzaamheid aan de Mozaïsche wet eisten) betaamt het ons de wet van Christus te vervullen door elkanders lasten te dragen. De apostel wist welk een grote hinderpaal de hoogmoed was voor deze wederzijdse genegenheid en behulpzaamheid, die hij aanbevolen had, hij wist dat zelfverheffing ons er toe leidt om onze broederen te verzaken en te verachten, in plaats van met hun zwakheden geduld te hebben en te trachten hen terecht te brengen indien ze door enige misdaad overvallen zijn. En daarom grijpt hij in vers 3 de gelegenheid aan om ons daartegen te waarschuwen. Hij beschouwt het als zeer mogelijk (en het ware te wensen dat het minder algemeen was) dat iemand zichzelf voor iets bijzonders hield, dat hij met welbehagen aan zijn zelfgenoegzaamheid dacht, dat hij zichzelf wijzer en beter dan anderen meende te zijn en zich gerechtigd achtte anderen de wet voor te schrijven, -terwijl hij in werkelijkheid niets was, geen degelijkheid of betrouwbaarheid bezat of iets, dat hem aanspraak gaf op den voorrang en het vertrouwen, welke hij eiste. Om ons terug te brengen van zulk een waan, zegt hij dat zo iemand zich zelven bedriegt, terwijl hij anderen overheerst door voor te geven wat hij niet bezit, werpt hij den grootsten blaam op zich zelven en vroeger of later zal hij de treurige gevolgen ervan ondervinden. Hij zal daardoor nooit de achting winnen, zomin bij God als bij de mensen, die hijzelf verwacht, hij is daarom niet meer vrij van misstappen, of veiliger tegen verzoekingen, omdat hij een goeden dunk van zijn eigen volmaaktheid heeft. Veeleer is hij des te vatbaarder om er in te vallen en er door overmocht te worden, want hij, die meent te staan, zie toe dat hij niet valle. In plaats dus van zulk een jagen naar ijdele eer te dulden, dat verwoestend is voor onze liefde en vriendelijkheid jegens onze mede-Christenen en zeer nadelig voor ons zelven, zou het ons beter passen kennis te nemen van des apostels vermaning in Filippenzen 2:3 :Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zich zelven. Zelfverheffing is zelfmisleiding, en onbestaanbaar met de liefde, welke wij elkaar verschuldigd zijn, want de liefde handelt niet lichtvaardig en is niet opgeblazen, 1 Corinthiërs 13:4. Er is geen gevaarlijker bedrog in de wereld dan zelfbedrog, en dit is zelfbedrog. Als middel om dat kwaad te voorkomen:
III. Wordt ons aanbevolen dat een iegelijk zijn eigen werk beproeve, vers 4. Door ons eigen werk wordt voornamelijk bedoeld ons eigen gedrag en onze eigen daden. De apostel zegt dat we die beproeven moeten, dat is: ernstig en onpartijdig onderzoeken volgens de regelen van Gods Woord, om te zien of ze Hem al dan niet aangenaam zijn, en daarom door God en ons geweten aangenomen kunnen worden. Dat stelt hij voor als de plicht van allen, in plaats van de eersten te zijn om anderen te oordelen of te veroordelen, is het veel meer betamelijk onze eigen wegen te doorzoeken en te beproeven. Ons werk ligt meer thuis dan daarbuiten, meer met ons zelven dan met anderen, want wie zijn wij, die eens anders huisknecht zouden oordelen? Uit de bijvoeging van deze opwekking bij hetgeen voorafging blijkt, dat de Christenen wanneer zij plichtmatig zich daartoe begeven, gemakkelijk in zich zelven fouten en gebreken ontdekken zullen, die hen spoedig overtuigen zullen, dat zij zeer weinig reden hebben om tevreden over zich zelven of gestreng jegens anderen te zijn. Wij kunnen daaruit leren, dat het beste middel om ons voor hoogmoed te bewaren is getrouw ons zelven beproeven, hoe beter wij bekend zijn met ons hart en onze wegen, des te minder zullen wij geneigd zijn om anderen te verachten, en des te meer geschikt om met anderen te gevoelen en hen te helpen in hun zwakheden en droefenissen. Teneinde ons te bewegen tot dit nuttig en voordelig werk van zelfbeproeving, geeft de apostel twee voor dat doel zeer geschikte overwegingen.
1. Dat is het middel om aan ons zelven alleen roem te hebben. Wanneer wij er ons in goeden ernst toe zetten om ons eigen werk te beproeven, en na gedaan onderzoek, ons Gode behaaglijk maken ten opzichte van onze oprechtheid voor Hem, dan mogen wij verwachten troost en vrede in onze eigen zielen te hebben, daar ons geweten ons getuigenis geeft (zie 2 Corinthiërs 1:12). En dit, bedoelt hij, zal veel beter reden van blijdschap en voldoening zijn dan wanneer wij instaat zijn aan een ander roem te hebben, hetzij door de goede gedachten, die anderen over ons hebben of naar onze mening behoorden te hebben, zoals de valse leraren gaarne door al de anderen geëerd werden (zie vers 13), hetzij door ons met anderen te vergelijken zoals naar het schijnt sommigen deden, die zeer gunstig over zich zelven dachten omdat ze niet zo slecht waren als de anderen. Maar al te velen zijn geneigd zich zelven naar zulk een maatstaf te schatten, maar de roem, dien zij daardoor verkrijgen, is niets vergeleken met dien, die het gevolg is van een onpartijdig onderzoek van ons zelven bij het licht van Gods Woord, wanneer wij daarna gerechtigd zijn ons Gode aan te bevelen. Merk op:
A. Ofschoon wij in ons zelven niets hebben om ons op te verheffen, kunnen wij reden hebben om ons te verheugen, onze werken kunnen niets voor God verdienen, maar indien ons geweten getuigen kan dat wij behoren tot hen, die Hij om Christus wil goedkeurt en aanneemt, dan hebben wij goeden grond om ons te verheugen.
B. De ware weg om bij ons zelven roem te hebben is veel onze eigen werken beproeven, ons zelven te onderzoeken naar den onfeilbaren regel van Gods Woord, en niet naar den valsen maatstaf van wat anderen zijn of wat anderen van ons denken.
C. Het is veel begeerlijker roem bij ons zelven te hebben dan bij anderen. Zo wij het getuigenis van ons geweten hebben, dat wij Gode aangenaam zijn, behoeven wij ons niet veel te bekommeren over hetgeen anderen van ons zeggen of denken, en zonder dat zal de geode mening van anderen ons weinig baten.
2. De andere beweegreden, dien de apostel gebruikt om ons den plicht van zelfbeproeving op het hart te drukken, is dat een iegelijk zijn eigen pak dragen zal, vers 5. De bedoeling daarvan is, dat in den groten dag met een iegelijk zal gerekend worden naar hetgeen hij hier gedaan heeft. Hij stelt vast dat er een dag komende is, waarop wij allen voor ons zelven aan God rekenschap moeten geven, en hij verklaart dat dan het oordeel zal volgen en het vonnis geveld worden, niet overeenkomstig de gevoelens, die de wereld omtrent ons heeft, of enig ongegrond gevoelen, dat wij omtrent ons zelven koesteren, of op grond dat wij beter of slechter waren dan anderen, maar overeenkomstig ons gedrag en onze toestand werkelijk in Gods ogen geweest zijn. En aangezien er zulk een ontzaglijke tijd komende is, waarin Hij een iegelijk vergelden zal naar zijne werken, hebben wij de grootste reden om nu zelf onze werken te beproeven. Indien wij zeker hiernamaals geroepen zullen worden om rekenschap af te leggen, behoren wij waarlijk wel dikwijls ons zelven tot rekenschap te roepen, om te zien of wij wel zulke zijn als God wil erkennen en aannemen. En nu dat onze plicht is, zouden wij, indien het ook meer onze gewoonte ware, betamelijker gedachten hebben zowel over ons zelven als over onze mede-Christenen, en in plaats van anderen hard te vallen om enigen misstap of overtreding, waaraan zij schuldig zijn, zouden we bereidwillig zijn om de wet van Christus te vervullen, door wie wij geoordeeld zullen worden, en elkanders lasten dragen.
IV. De Christenen worden vermaand om gul en vrijgevig te zijn in het onderhoud van hun dienaren. Die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen degenen, die hem onderwijst, vers 6. Hier kunnen wij opmerken:
1. De apostel spreekt als van een bekende en erkende zaak er over dat, gelijk er zijn die onderwezen worden, er ook anderen zijn, aangesteld om te onderwijzen. De dienst des Woords is een goddelijke instelling, welke niet voor allen openstaat, maar is toevertrouwd alleen aan degenen, die God ertoe geroepen heeft. Onze reden zelf leidt er ons toe om onderscheid te maken tussen hen, die onderwijzen, en hen, die onderwezen worden, want indien allen leraren waren, zouden er geen leerlingen zijn, en de Schrift verklaart voldoende dat wij dat doen moeten.
2. Het is het Woord Gods, waarin de dienaren anderen moeten onderwijzen en onderrichten, hetgeen zij prediken moeten is het Woord, 2 Timotheus 4:2. Hetgeen zij verklaren moeten is de raad Gods, Handelingen 20:27. Zij zijn niet heren van ons geloof, maar medearbeiders aan onze blijdschap, 2 Corinthiërs 1:24. Het Woord van God is de enige regel voor ons geloof en leven, zij zijn gehouden dat te doorzoeken, te openen, toe te passen, tot stichting van anderen, maar zij zijn niet verder te achten dan als zij spreken volgens dezen regel. 2.. Het is de plicht van hen, die in het Woord onderwezen worden, om hen te onderhouden, die voor dat onderwijs aangesteld zijn, want zij moeten hun mededelen van alle goederen, vrijwillig en ruimschoots bijdragen van de goede dingen, waarmee God hen gezegend heeft, hetgeen nodig is voor hun behoorlijk bestaan. De dienaren moeten aanhouden in het lezen, in het vermanen, in het leren, 1 Timotheus 4:13, zij moeten niet betrokken worden in de handelingen van. den leeftocht, 2 Timotheus 2:4, en daarom is het niet anders dan behoorlijk, dat terwijl zij geestelijke dingen zaaien, zij aardse dingen oogsten. En dit is de instelling van God zelf, want zij, die de heilige dingen bedienen, eten van het heilige, en alzo heeft de Heere verordend degenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven, 1 Corinthiërs 9:13, 14.
V. Hier volgt een waarschuwing om te zorgen, dat wij God niet bespotten, of ons zelven bedriegen door ons in te beelden dat Hij kan worden bedrogen door voorwendsels en enkele belijdenissen, vers 7. Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten. Dit kan beschouwd worden als te behoren bij de voorgaande vermaning en dan is de bedoeling om hen van hun zonde en dwaling te overtuigen, die door enige aannemelijke verontschuldigingen trachtten zich te ontslaan van hun verplichting om hun dienaren te onderhouden. Maar het kan ook in meer algemenen zin bedoeld zijn ten opzichte van het geheel van den godsdienst, en strekken om de mensen terug te houden van het koesteren van ijdele hoop of blijdschap over toekomstige beloning, terwijl zij voortdurend hun plicht verzaken. De apostel onderstelt hier, dat velen er op uit zijn om zich te verontschuldigen van de plichten van den godsdienst, en voornamelijk van dat deel, dat zelfverloochening en moeite eist, ofschoon zij terzelfder tijd veel vertoning van belijdenis maken. Maar hij verzekert hun dat deze weg dwaasheid is, want ofschoon zij daardoor misschien anderen kunnen bedriegen, zo bedriegen ze toch eigenlijk alleen zich zelven, ofschoon zij denken God om den tuin te leiden, die volkomen bekend is zowel met hun harten als met hun daden. En gelijk Hij niet bedrogen kan worden, zo laat Hij zich niet bespotten. Daarom, ten einde dit te voorkomen, beveelt hij ons aan dezen regel te houden: Zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien, of zoals wij ons thans gedragen, zo zal hiernamaals onze rekening zijn. Deze tijd is onze zaaitijd, in de toekomende wereld is de grote oogst, en gelijk de landman in den oogsttijd verzamelt naar gelang hij zaaide in den zaaitijd, zo zullen wij oogsten wat wij nu zaaien. En verder zegt hij ons, vers 8, dat gelijk er twee wijzen van zaaien zijn, zaaien in het vlees en zaaien in den geest, zo zullen er ook hiernamaals twee oogsten zijn: Wie in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien. Zo wij wind zaaien, zullen wij storm oogsten. Zij, die een vleselijk, zinnelijk leven leven, die in plaats van zich aan de eer van God en het welzijn van anderen te wijden, al hun gedachten, tijd en zorg aan het vlees besteden, kunnen van zulk een handelwijze niet anders verwachten dan verderf, een lage en korte bevrediging hier, verwoesting en ellende daarna. Maar aan de andere zijde, zij, die in den Geest zaaien, die onder leiding en invloed des Geestes een heilig en geestelijk leven leven, een leven van toewijding aan God, van nuttigheid en dienstbetoon voor anderen, mogen er op rekenen, dat zij uit den Geest het eeuwige leven zullen maaien, zij zullen de meest ware vertroosting in hun tegenwoordig leven genieten, en daarna een eeuwig leven van gelukzaligheid. Zij, die God bespotten, bedriegen alleen zich zelven. Huichelarij in den godsdienst is de grootste dwaasheid zowel als de grootste ondeugd, want de God, met wie wij te doen hebben, ziet door alle vermommingen heen en zal zeker hiernamaals met ons handelen niet naar onze belijdenis, maar naar onzen wandel.
VI. Hier wordt ons verder de vermaning gegeven: Laat ons goeddoende niet vertragen, vers 9. Evenmin als wij ons verontschuldigen mogen van enig deel van onzen plicht, evenmin mogen wij er traag in zijn. In ons allen is daartoe grote verzoeking, wij zijn allen zeer geneigd om onzen plicht moede te worden, ja dien te verwaarlozen, voornamelijk dat gedeelte, waarop de apostel hier meer bijzonder het oog heeft: het goeddoen aan anderen. Hij verlangt dus dat wij daartegen zorgvuldig zullen waken en oppassen, en hij geeft ons een zeer goede reden daarvoor: ter zijner tijd zullen wij maaien, indien wij niet verslappen. Hij verzekert ons, dat er een beloning in de toekomst is voor allen, die zich hier met ernst op goeddoen toeleggen, dat deze beloning zeker te zijner tijd ons deel zal worden-indien niet in deze wereld, dan ongetwijfeld in de toekomende, maar alleen indien wij niet verslappen in den weg van onzen plicht. Indien wij er een tegenzin in krijgen en er ons aan onttrekken, zullen wij niet alleen die beloning missen, maar ook al het voordeel en het gemak verliezen, die wij reeds verkregen hebben. Doch indien wij volhouden en volharden in goeddoen, zal de beloning, al wordt ze uitgesteld, eenmaal zeker komen en zo groot zijn, dat ze overvloedig al onze moeite en volharding vergoedt. Volharden in goeddoen is onze wijsheid en ons belang, zowel als onze plicht, want alleen daarna is de beloning beloofd.
VII. Hier is een opwekking aan alle Christenen om goed te doen aan allen en te allen tijde, vers 10. Terwijl wij tijd hebben, enz. Het is niet genoeg dat wij zelven goed zijn, we moeten ook goed doen aan anderen, indien het waarlijk zal blijken dat wij Christenen zijn. De hier aanbevolen deugd is dezelfde, waarvan in de vorige verzen gesproken is, en gelijk de apostel daar ons aanspoort om daarin oprecht en volhardend te zijn, zo spreekt hij hier van de voorwerpen voor dat goeddoen en de regelen er voor. 1. De voorwerpen voor dezen plicht zijn meer algemeen alle mensen, Wij moeten onze liefdadigheid en welwillendheid niet binnen te enge grenzen beperken, zoals de Joden en Judese Christenen geneigd waren te doen, maar wij moeten bereid zijn ze uit te breiden tot al onze natuurgenoten, zover als wij er toe instaat zijn en zij onze hulp behoeven. Maar toch in de toepassing ervan moeten wij vooral het oog hebben op de huisgenoten des geloofs, op hen, die met ons hetzelfde geloof belijden en evenals wij leden zijn van het lichaam van Christus, ofschoon de anderen niet uitgesloten moeten worden, behoren dezen den voorrang te hebben. De liefdadigheid behoort uitgebreid te zijn, maar tegelijkertijd zich in de eerste plaats te wijden aan godvrezenden. God doet goed aan allen, maar op bijzondere wijze is Hij goed voor Zijne dienstknechten, en wij moeten in het weldoen zijn navolgers Gods als geliefde kinderen.
2. De regel, dien wij daarbij in acht te nemen hebben, is goeddoen terwijl wij tijd hebben. Dat sluit in zich:
A. Dat wij het zeker moeten doen zolang wij de gelegenheid er toe hebben, of zolang ons leven duurt, want dat is de tijd, waarin wij instaat zijn anderen goed te doen. Wanneer wij ons dus in dit opzicht willen gedragen zoals het behoort, moeten wij niet handelen als zo velen, die het tijdens hun leven verzuimen en het verschuiven tot de dood komt, onder voorwendsel van dan iets van dien aard te doen, want wij weten niet of wij er dan de gelegenheid voor zullen hebben, en evenmin hebben wij reden om te denken, dat zulk een handelwijze Gode aangenaam is, en nog veel minder dat wij daardoor ons vroeger plichtverzuim kunnen wegnemen, wanneer wij aan anderen iets van onze bezittingen schenken, die wij toch niet kunnen meenemen. Maar wij moeten zorg dragen goed te doen tijdens ons leven, daar het werk van ons leven van maken. En:
B. Wij moeten bereid zijn om elke gelegenheid daartoe aan te grijpen, wij moeten niet tevreden zijn omdat wij reeds een en ander goeds gedaan hebben, maar wanneer zich nieuwe gelegenheden voordoen, moeten wij die aangrijpen zoveel in ons vermogen is, want ons wordt gezegd een deel te geven aan zeven, ja aan acht, Prediker 11:2. Gelijk God ons den plicht opgelegd heeft goed te doen aan allen, zo zorgt Zijn voorzienigheid steeds voor gelegenheden daartoe. De armen hebt gij altijd met u, Mattheus 26:11. Wanneer God ons ene gelegenheid geeft om nuttig voor anderen te zijn, verwacht Hij dat wij die gebruiken zullen, zoveel onze bekwaamheid en ons vermogen dat toelaten. Wij behoeven goddelijke wijsheid en doorzicht om ons te leiden in de uitoefening van onze liefdadigheid, en vooral in de keuze van de meest-geschikte voorwerpen, want ofschoon niemand, die er behoefte aan heeft, geheel voorbijgezien mag worden, moeten wij toch onderscheid maken tussen den een en den ander.