1 Thessalonicenzen 5:11-15
In deze woorden wekt de apostel de Thessalonicenzen op tot verscheidene plichten.
I. Jegens hen, die nauw met hen verwant waren. Dezen moeten elkaar vertroosten, opwekken en stichten, vers 11.
1. Zij moeten elkaar vertroosten of vermanen, het oorspronkelijke woord heeft deze beide betekenissen. Zij zijn waarschijnlijk meestal het best geschikt om anderen te troosten, die zich zelven vertroosten kunnen, en daarom is de beste wijze om ons zelven te vertroosten of anderen troost toe te dienen, de vermaning door het Woord. Wij moeten niet enkel zorg dragen voor ons eigen welzijn en onzen eigen troost, maar ook trachten den troost en het welzijn van anderen te bevorderen. Hij is een Kaïn, die zeggen kan: Ben ik mijns broeders hoeder? Wij moeten elkanders lasten dragen en alzo de wet van Christus vervullen.
2. Zij moesten elkaar stichten. Wij moeten najagen hetgeen tot de stichting onder elkaar dient, Romeinen 14:19. De Christenen zijn levende stenen, opgebouwd tot een geestelijk huis, dus moeten zij trachten het welzijn der gemeente te bevorderen door elkaar in het werk der genade op te bouwen. En het is de roeping van een ieder onzer, goed na te gaan wat kan strekken tot stichting van hen met wie wij omgaan, teneinde alle mensen tot hun wezenlijk nut te behagen. Wij moeten onze kennis en ondervinding aan elkaar mededelen. Wij moeten ons met elkaar verenigen in gebed en dankzegging. Wij moeten elkaar een goed voorbeeld geven. En het is de plicht voornamelijk van hen, die gezamenlijk in dezelfde omgeving of in hetzelfde gezin leven, om elkaar te stichten, dat is de beste nabuurschap en het beste middel om te beantwoorden aan het doel der samenleving. Zij, die nauw met elkaar in betrekking staan en liefde voor elkaar hebben, verkrijgen daardoor de beste gelegenheid, en liggen derhalve onder de grootste verplichting, om elkaar deze vriendelijkheid te bewijzen. Deze Thessalonicenzen deden dat (gelijk gij ook doet), en derhalve werden zij vermaand om daarin voort te gaan en toe te nemen. Zij, die het goede doen, behoeven opwekkingen om verder en meer goed te doen, en om voort te gaan in hetgeen waarmee zij bezig zijn.
II. Hij toont hun hun plicht jegens hun dienaren, vers 12, 13. Ofschoon de apostel van hen verwijderd was, hadden zij anderen die onder hen arbeidden en aan welke zij dezelfde plichten te vervullen hadden. De apostel vermaant hen op te merken:
1. Wat den dienaren in hun werk is voorgeschreven. Zij moeten meer waarde hechten aan het werk en den plicht, waartoe zij geroepen zijn, dan aan eerbiedwaardige en eervolle titels. Hun werk is zeer gewichtig, zeer eerbiedwaardig en nuttig.
A. Dienaren moeten onder hun gemeenteleden werken met ijver en aanhoudend. Zij moeten arbeiden in het woord en in de leer, 1 Timotheus 5:17. Zij worden arbeiders genoemd en mogen geen luiaards zijn. Zij moeten in hun gemeente arbeiden, om te onderrichten, te vertroosten en te stichten. En:
B. Dienaren moeten hun gemeente regeren, 1 Timotheus 5:17. Zij moeten regeren, niet met kracht, maar met liefde. Zij moeten geen heerschappij voeren als tijdelijke heren, maar regeren als geestelijke gidsen, door goede voorbeelden aan de kudde te geven. Zij zijn over de gemeente des Heeren, maar moeten zich onderscheiden van aardse overheidspersonen, en ook laten uitkomen dat zij slechts dienaren onder Christus zijn, door Hem aangesteld, en die Zijn volk moeten regeren naar Zijne wetten, en niet naar hun eigen inzettingen. Dat moet het einddoel van al hun dienst en arbeid zijn: de dienst en de eer des Heeren.
C. Zij moeten de mensen vermanen, niet alleen in het openbaar, maar ook bij elke gelegenheid in het bijzonder. Zij moeten hen leren het goede te doen, en bestraffen als zij kwaad verrichten. Het is hun plicht niet alleen goeden raad te geven, maar ook te vermanen, de kudde voor dreigende gevaren te waarschuwen en te bestraffen over verzuimen en misslagen.
2. Wat de plicht is der gemeente jegens de dienaren. Er is wederzijdse verplichting tussen dienaren en gemeente. Indien de dienaren onder de gemeenteleden zullen werken dan:
A. Moet de gemeente hen kennen. Gelijk de herder de schapen moet kennen, moeten de schapen den herder kennen. Zij moeten zijn persoon kennen, zijn stem horen, hem voor hun herder erkennen, en aandacht tonen voor zijn lering, bestiering en vermaning.
B. Zij moeten hun dienaren in liefde hoogachten, zij moeten den dienst zijner bediening hogelijk waarderen, hun dienaren eren en liefhebben, en hun achting en genegenheid bij alle gelegenheden tonen, en zulks om huns werks wil, omdat hun roeping is de eer van Christus en het welzijn der zielen te bevorderen. Getrouwe dienaren moeten om hun werk niet licht geteld, maar daarentegen in hoge achting gehouden worden. Het werk der bediening is ver van minder waardigheid te geven aan hen, die om andere redenen achting verdienen, het strekt integendeel tot eer voor hen, die zeer getrouw en ijverig zijn, ofschoon zij anders op eer geen aanspraak kunnen maken, en zal hun van goede gemeenten die eer en achting doen verwerven, welke zij overigens niet konden verwachten.
III. Hij geeft verschillende vermaningen betreffende de verplichtingen, welke Christenen jegens elkaar hebben.
1. Zijt vreedzaam onder elkaar, vers 13. Sommigen menen (met het oog op enkele afschriften) dat deze vermaning aan de gemeente is gericht ten opzichte van haar dienaren, om vreedzaam met hen te leven, en nooit verschil te verwekken of aan te vuren tussen dienaar en gemeente, hetgeen zeker een hindernis zou zijn voor het werk van den dienaar en de stichting der gemeente. Dit is zeker, dat dienaren en gemeente alles hebben te vermijden wat verkoeling van hun wederzijdse genegenheid zou kunnen veroorzaken. En de gemeenteleden moeten vreedzaam onder elkaar zijn, al doen wat zij kunnen om te voorkomen dat er verschillen onder hen ontstaan en blijven bestaan, en alle middelen aanwenden om vrede en harmonie te bevorderen.
2. Vermaant de ongeregelden, vers 14. In alle gezelschappen zullen enigen zijn, die ongeregeld wandelen, die buiten hun roeping en plaats gaan, en het is niet enkel de plicht van de dienaren, maar van alle Christenen, om dezulken te waarschuwen en te vermanen. Dezulken moeten om hun zonden bestraft worden, gewaarschuwd voor het gevaar, en zonder omwegen gewezen op het nadeel, dat zij hun eigen zielen berokkenen, en de schade, die zij aan anderen kunnen veroorzaken. Hun moet voorgehouden worden wat zij behoren te doen, en zij moeten bestraft worden indien zij anders handelen. 3. Vertroost de kleinmoedigen. Door dezen worden bedoeld de bedeesden en zwakken van hart, of zulke die neergebogen en bedroefd van geest zijn. Sommigen zijn lafhartig, bevreesd voor moeilijkheden, ontzenuwd door de gedachte aan gevaren, verliezen en beproevingen. Zij moeten aangemoedigd worden, wij mogen hen niet verachten, maar moeten hen vertroosten, en wie weet wat een goed en vertroostend woord nog kan uitwerken!
4. Ondersteunt de zwakken. Sommigen zijn niet goed instaat om hun werk te verrichten, of hun lasten behoorlijk te dragen, wij moeten hen daarom ondersteunen, helpen in hun zwakheden, een deel van hun lasten dragen, en zo hen voorthelpen. Zeker, het is de genade van God, die dezulken moet ondersteunen en kracht geven, maar wij moeten hen wijzen op die genade en trachten hen aan die genade te doen deel krijgen.
5. Zijt lankmoedig jegens allen. Wij moeten dragen en verdragen. Wij moeten lankmoedig zijn, en onzen toorn onderdrukken, wanneer die opkomt bij het vermoeden van beledigingen, tenminste wij moeten ten spoedigste onzen toorn inbinden. En deze plicht moet betracht worden jegens alle mensen, goede en slechte, aanzienlijke en geringe. Wij moeten niet hoog zijn in onze verwachtingen en eisen, niet ruw in onze terechtwijzingen, niet hard in onze onderstellingen, maar trachten van alles de lichtzijde te zien, en van ieder het beste te denken wat wij kunnen.
6. Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde. Hier moeten wij op toezien en er zeer zorgzaam in zijn. Wij moeten in elk geval vermijden, dat wij ons zelven zouden wreken. Indien anderen ons onrecht aandoen, geeft dat ons geen recht om het hun te vergelden, door hetzelfde of enig ander onrecht hun aan te doen. Het betaamt ons te vergeven als dezulken, die van God vergeving hebben ontvangen of hopen te ontvangen.
7. Jaagt ten allen tijde het goede na. Over het algemeen moeten wij er op letten om onzen plicht te vervullen, Gode te behagen, onder alle omstandigheden, om het even of de mensen ons goed of slecht daarvoor vergelden, wat de mensen ons ook aandoen, wij moeten hun goeddoen. Wij moeten altijd trachten zegen te verspreiden en dienstig te zijn aan het welzijn van anderen, zowel onder de onzen in de eerste plaats, als zijnde de huisgenoten des geloofs, en daarna, zoveel in ons is, aan alle mensen, Galaten 6:10.