3. Maar als iemand God liefheeft, hetgeen daaruit blijkt, dat hij zijn naaste liefheeft en bij alles zijn stichting op het oog heeft (
Hoofdstuk 6:12;
10:23), die is door Hem gekend.
Wat hier is verteld, "dingen, die de afgoden geofferd zijn", zijn de overblijfselen van de dieren, waarvan alleen de edele delen voor eigenlijke offers bestemd waren. Deze vielen deels de priesters ten deel, deels de offeraars zelf Leviticus 3:5, deels werden zij openlijk verkocht, deels ook in de tempels of in de huizen voor offermaaltijden gebruikt Leviticus 3:17. Nu bestond er te Corinthiërs een verschil. Er waren er, die, in de overtuiging zowel van de nietigheid van al het afgodische alsmede overtuigd van de Christelijke vrijheid omtrent alles wat niet met de Christelijke leefregel in tegenspraak was, vrijer dachten. Zij meenden dat het hen vrijstond om vlees van het afgodenoffer, dat op de markt te koop werd aangeboden, te kopen en zowel dit, als wat hun bij gastmalen in heidense huizen werd voorgezet, te eten, ja zelfs deel te nemen aan maaltijden van afgodenoffer, waartoe zij door heidense verwanten en bekenden werden genodigd. Zij rekenden, dat dit vlees gelijk aan ander vlees was en zij daardoor niet met de afgoden in enige aanraking kwamen, die een nadelige invloed op hen kon uitoefenen, omdat de afgoden door hen beschouwd werden als nietig en zonder betekenis of kracht. Aan de andere kant waren er, die daarvan een afkeer hadden en er een verontreiniging in zagen, in zoverre hun bewustzijn van de afgoden als werkzame wezens, die een verkeerde, bevlekkende invloed uitoefenen op degenen, die zich in enig opzicht voor hen bloot geven, in het bijzonder op degenen, die van het vlees van de hun gewijde dieren aten, nog niet uitgeblust was.
Onthouding van afgodenoffer was een van de stukken, die de apostolische synode de Christenen uit de heidenen had opgelegd. De apostel vermeed het echter aan de door hem zelf gestichte gemeente dat onthouden voor te schrijven op de manier van een kerkorde ("Ac 15:23. Hij wijst het liever aan uit het inwendige van het Christendom, dan dat hij zich zou beroepen op een synodaal besluit. Het stemt nu geheel overeen met de aard van de Corinthiërs, zoals die ons in het eerste deel van de brief bekend geworden is, dat men aan de apostel had geschreven. Het spreekt toch wel vanzelf dat zij, die over het nietige van de afgoden duidelijke begrippen hadden, niet hoefden te letten op de achtergeblevenen, die zich nog ergerden aan het eten van afgodenoffer. Paulus neemt de helden van het weten het woord uit de mond, als hij schrijft: "Aangaande nu de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen tezamen kennis hebben. "Later" (Vers 7) zegt hij: "in allen is de kennis niet" en herinnert hij de wetenschappelijken daaraan, dat er buiten hen toch nog andere mensen waren, broeders, waarvoor Christus gestorven was. daarom zijn de woorden "wij hebben allen tezamen kennis" te denken als geschreven met aanhalingstekens, alsof Paulus zei: "lag het aan het weten, dan hoefde er van het afgodenoffer niet gesproken te worden, want wij hebben allen, zoals u zegt, kennis. " Die deze niet hadden, telden in de ogen van de woordvoerders te Corinthiërs niet mee; maar de aard van wetenschap, die zij zich beroemden met Paulus gemeen te hebben, ontvangt van hem weinig lof: "de kennis maakt opgeblazen. "
Hij stemt die mening van de Corinthiërs alleen toe, om te herinneren dat de kennis, namelijk die op zichzelf staat, degene opblaast die ze heeft, terwijl de liefde degene sticht, waartoe zij uitgaat. Het weten alleen is verheffing van het eigen ik, terwijl dat een holheid meebrengt, de liefde daarentegen is een bevordering van de naaste, die hem met rijkere inhoud vervult. Daarmee wijst hij hen op een geheel ander gezichtspunt, waaronder zij het onderwerp van hun vraag moesten overwegen. Maar meer nog: de apostel stelt dat weten, dat de gemeente op de voorgrond stelde, voor als iets, die naam onwaardig; want die de mening over zichzelf aankleefde, dat hij iets kende (niet dat hij het zich slechts inbeeldde, maar dat hij zich daarop verhief), die had nog volstrekt niets gekend, dus niet alleen dat niet, wat hij meende te hebben leren kennen, maar in het algemeen nog niets.
In Vers 3 zou de voortging van de gedachte de nazin eisen: die kent in waarheid, zoals men moet kennen; de apostel wendt echter den zin met hoge bedachtzaamheid om (vgl. Galaten 4:9) en stelt in de plaats van het kennen het gekend zijn door God.
Hij daalt van de liefde tot de naaste af tot haar wortel, de liefde van God en klimt van het menselijk kennen tot de bron daarvan, het goddelijke op. Waar die is, waar de mens God liefheeft, de liefde tot de naaste het gevolg en de openbaring is (1 Johannes 4:20 v.), daar is hij door God gekend. Zo iemand heeft God erkennend in zich opgenomen; hij is hierdoor in de sfeer van het geestelijk leven van God verheven, waarvan dan het licht van de kennis zich in hem instort, zodat het gekend zijn door God als gevolg kennis heeft, evenals de liefde tot God de liefde tot de naaste.
God is een ontoegankelijk licht, geen geschapen geest kan door eigen kracht in Hem indringen, Hem Zijn geheimen ontroven. Ieder streven van die aard geeft een schijnbare kennis. Maar wel kan God in de ziel, die naar ware kennis verlangt, Zich openbaren en zo in passiviteit de ware kennis teweeg brengen. Het kennen van God veronderstelt dus een gekend worden door Hem.
Voor zoveel wij liefhebben, voor zoveel hebben wij kennis.