11. Niet dat ik dit woord van blijdschap over uw gave zeg vanwege gebrek, ten gevolge van druk, waarvan ik graag bevrijd wilde zijn en nu ook werkelijk bevrijd ben; want zo'n druk heb ik niet gevoeld, alhoewel er gebrek was (
Vers 14). Ik heb toch geleerd (
Hebreeën 5:8) vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben, in alle omstandigheden, waarin ik mij moge bevinden (
1 Timotheus 6:6,
Hebreeën 13:5 Sir. 40:18
Paulus zegt: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn, hetgeen zoveel betekent als: er was een tijd dat hij niet wist hoe. Het kostte hem grote moeite tot het geheim van die grote waarheid door te dringen. Zonder twijfel dacht hij soms het geleerd te hebben en verloor dan weer de moed. En toen hij er ten slotte toe gekomen was om te zeggen: Ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben, was hij een afgeleefde grijsaard, aan de rand van het graf, een arme gevangene in Nero's kerker te Rome. Wij mochten wel wensen Paulus' zwakheden te lijden en de kille kerker met hem te delen, als wij slechts daardoor tot zijn heerlijk standpunt konden raken. Sla geen geloof aan de mening dat u vergenoegd kunt zijn zonder het leren, of dat u kunt leren zonder tucht. Het is geen kracht, die van nature moet geoefend, maar een wetenschap, die trapsgewijs verkregen moet worden. Wij weten dit uit ondervinding. Christen, staak uw morren, hoe natuurlijk het ook moge wezen en vaar voort een ijverig leerling in de school van de vergenoegdheid te zijn.
Benijdbare Paulus. Benijdbaar boven velen te Rome en te Filippi en over de gehele wereld, schoon zij vrij zijn en in eer, schoon zij overvloed hebben en geen doorn in het vlees, maar gezondheid, die grootste schat. Benijdbare Paulus, waar hij ook zij en wat hij ook zij, omdat hij geleerd heeft in hetgeen hij is vergenoegd te zijn. Benijdbare Paulus, want hij heeft het geheim van het geluk van het leven, van dat geluk, dat niet in overvloed, niet in verzadiging, niet in hoogheid en eer, zelfs niet in vrijheid en gezondheid bestaat, maar in de inwendige blijdschap van het gemoed, in de vergenoegdheid, in die zalige zielsstemming, waarin men, hoe het ook ga, onder alles zeggen kan en zegt: "Ook zo is het mij goed". Zeker, het geheim van het geluk ligt in de vergenoegdheid. Deze is de toverstaf, die al wat hij aanraakt in goud verandert. Maar deze vergenoegdheid zelf, die het geheim is van het geluk van het leven, die is haar eigen geheim? Deze steen van de wijsheid, waar wordt hij gevonden? Deze alles in goud veranderende toverstaf, wie is de gelukkige, die zich daarvan als een Paulus meester maakt? Om vergenoegd te kunnen zijn in de dag van de vernedering, in de dag van de honger en in tijden van gebrek, van welke aard dan ook, is één ding volstrekt noodzakelijk. Dit: dat men van de vernedering, die ons deel is, van de honger, die men lijdt, van het gebrek, dat men verduurt, zich stil of luid vertroost met een overvloed, met een voedsel, die men in een ander opzicht nog bezit. Waar volstrekt niets is, is geen vergenoegdheid mogelijk. Om vergenoegd te zijn moet men op de een of andere manier genoeg hebben. Zich te verheugen in de schat van de gezondheid, kan de arme vergenoegd maken; de zieke de getrouwe verpleging, de zijn hart verzadigende liefde van een dierbaar huisgezin; de door ramp op ramp neergebogene, de overvloed van hoop op verandering en betere tijden. Niet altijd is er zo'n tegenwicht. Zelden is het genoeg, geheel genoeg, voor lang genoeg. Maar dit is genoeg, volkomen genoeg, voor altijd genoeg en ook daar genoeg waar letterlijk niets is dan dit ene: Christus te kennen als de algenoegzame, als degene, die de diepste, de dringendste, de edelste behoeften van de ziel vervult, die haar overvloed is en haar verzadiging te midden van alle gemis en alle gebrek; Christus te kennen als de onuitputtelijke bron van liefde en hoop en van dat gezonde leven, dat tegen elken doorn in het vlees is opgewassen. 12. En Ik weet, ten gevolge van dat leren, vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; ik kan mij in beide schikken, naardat ik in de een of andere omstandigheid word geplaatst (2 Corinthiërs 4:8; 6:9 v.); alleszins en in alles, in allerlei toestanden en omstandigheden, waarin ik kom, ben ik onderwezen en ik weet het ene even goed als het andere te verdragen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden (1 Kor. 4:11, 2 Corinthiërs 11:27
De juiste verhouding van de Christen tot de uitwendige omstandigheden waarin hij zich bevindt, heeft de apostel het treffendst voorgesteld in zijn voorbeeld. Met deze tekenen heeft hij zich tegenover een dubbel vooroordeel gesteld, zowel tegenover dat, dat de armoede voor de noodzakelijke voorwaarde van een ware Christelijke levensontwikkeling houdt, als tegenover hem, die de armoede als een ondragelijke last beschouwt. Hij stelt zich met zijn woorden in het bijzonder zowel tegenover de zelf gekozen armoede van het monnikendom, als tegenover de bedrieglijke illusies van het socialisme, dat alle armoede denkt te vernietigen. De Christen moet beide leren dragen, armoede en rijkdom, want beide zijn gevaren, beide brengen onder bepaalde omstandigheden verkeerdheden teweeg: de armoede, omdat zij makkelijk ontevreden, de rijkdom, omdat zij makkelijk overmoedig maakt.
Velen zijn er, die weten "vernederd te worden", die niet hebben geleerd overvloed te hebben. Wanneer zij boven op een toren worden gezet, worden zij duizelig en dreigen te vallen. De Christen maakt zijn belijdenis veel meer in voor- dan in tegenspoed te schande. Het is gevaarlijk in voorspoed te zijn. De smeltkroes van de tegenspoed is voor de Christen een minder zware beproeving dan de beker van voorspoed. O, hoeveel magerheid van de ziel en veronachtzaming van de geestelijke dingen is veroorzaakt juist door de barmhartigheden en weldaden van God. Dit is evenwel een noodzakelijkheid, want de apostel zegt ons, dat hij wist overvloed te hebben. Als hij veel had wist hij het te gebruiken. Overvloedige genade stelde hem in staat overvloedig voorspoed te verdragen. Voer hij met volle zeilen, dan had hij veel ballast aan boord en kon zo veilig voortdrijven. Meer dan menselijke bekwaamheid is nodig om de boordevolle beker met sterfelijk geluk met een vaste hand te dragen. Paulus had die kunst evenwel geleerd, want hij verklaart: alleszins en in alles ben ik onderwezen, zowel verzadigd te zijn als honger te lijden. Het is een goddelijke les, om te leren verzadigd te zijn, want eenmaal waren de Israëlieten verzadigd, maar terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, kwam de toorn van God over hen. Velen hebben om genadegiften gevraagd, ten einde de lust van hun hart te voldoen. Overvloed van brood heeft vaak rijkdom van bloed gegeven, hetgeen vaak wulpsheid ten gevolge had. Wanneer wij veel goeds van Gods voorzienigheid ontvangen, gebeurt het vaak dat wij slechts weinig van Gods genade genieten en weinig dankbaarheid betonen voor de ontvangen weldadigheden. Wij zijn verzadigd en wij vergeten God; met het aardse voldaan, kunnen wij het best buiten het hemelse stellen. Wees verzekerd dat het moeilijker is te weten verzadigd te zijn, dan honger te lijden - zo verschrikkelijk is de neiging van de menselijke natuur tot hoogmoed en vergetelheid van God. Denk eraan om in uw gebeden te vragen dat God u leert verzadigd te wezen. Verhoed, dat wat U ons wilt schenken in genade ons hart van U vervreemd en dus ons zij tot schade.
Alleszins en in alles ben ik onderwezen, zegt hij met een woord, oorspronkelijk door de ingewijden in zekere geheimen van de heidense oudheid gebruikt; en inderdaad, zo'n vergenoegdheid zij een geheim, een raadsel voor de wereld, die haar bron niet begrijpt en haar toch onwillekeurig benijden moet. Onderwezen in alles, beide in verzadigd te zijn en honger te lijden, beide in overvloed te hebben en gebrek te lijden, wat een weergaloos geluk te midden van zo rampsnel een lot; wat een waarachtige grootheid te midden van zo diepe vernedering; wat een kalme gelijkmoedigheid, te midden van zo wisselende en tegenstrijdige toestanden - voor zo'n kwekeling in de school van de Christelijke tevredenheid ontbloten wij onwillekeurig het hoofd. Maar slaan wij nu van de kwekeling op de Meester het oog, die hem in deze geheimen ingewijd heeft, wij buigen diep deemoedig de knie. Ik kan doen alle dingen door Christus, die mij kracht geeft (Vers 13). Zie daar de sleutel tot het schijnbaar onoplosbaar raadsel. Merk het op, Paulus zegt niet: "die mij kracht heeft gegeven; maar die mij (voortdurend) kracht geeft. " De apostel leeft in stille geestelijke gemeenschap met de verheerlijkte Heiland, zodat hij steeds uit die volheid ontvangt, wat hij voor zijn innerlijk leven nodig heeft. De Geest van Christus vervult en sterkt hem in de strijd, die hij ongetwijfeld ook tegen zichzelf te voeren heeft, om zo gestemd te zijn en te blijven. De vergenoegdheid van Paulus is zo de vrucht van zijn levend geloof, tot deze zeldzame graad van rijpheid gekomen onder de beademing van een gedurig gebed en nu ook liefelijk genoeg om zelfs een kerker met haar geur te verkwikken. Nee, zo'n zielegrootheid is niet de vrucht van zelfbedwang alleen, van wijsgerige redenering, van gewoonte aan allerlei lotwisseling, waarbij men zich eindelijk over niets meer verwondert. De godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging (1 Timotheus 6:6) heeft dezelfde Paulus geschreven, maar Christelijke godzaligheid is zonder geloof in Christus ondenkbaar, en geen schoner vrucht van dat geloof dan wanneer hier binnen, het zegt niet weinig voorwaar, dat weerbarstige ik gebroken is, dat de onuitputtelijke bron, van zoveel verborgen jammerzaligheid is. Alleen bij en van Christus wordt de ware vergenoegdheid en zielevrede geleerd. Hij leert haar, ook door Zijn woord en voorbeeld, maar bovenal door Zijn Geest; ja, al Zijn leidingen met de Zijnen hebben wel beschouwd geen ander doel dan hier binnen de zelfzucht te doden en de engel van de vrede in haar plaats te doen inkeren. Onze dwaasheid wil vaak kinderen vergenoegd maken door hun alles in te willigen, wat zij dwingend begeren; de hoogste Wijsheid maakt haar kwellingen stil door hen te spenen van veel, dat zij heimelijk wensen en toch niet mogen genieten. Zij leert ons eerst de Psalm van de goede Herder, maar daarna ook die van het gespeende kind, dat rust op de schoot van zijn moeder. Wie van onze verstaat haar niet, de dubbele les, die uit de kerker van Paulus ons tegenklinkt? O u, wier ziel naar de vrede haakt, kom tot Christus; pas hij, die met zijn God is verzoend, kan ook met zijn lot zijn bevredigd. Maar ook u, die Christus toebehoort, wantrouw uw eigen Christendom vrij, zolang u nog niet kunt zeggen: "ik heb althans aanhankelijk geleerd vergenoegd te zijn met hetgeen ik ben "en ik leer" het van tijd tot tijd beter.
O God, het is zoet met U te leven, In U tevreên, in U gerust, Getrokken door geen vrijen lust, Door genen aardsen wind gedreven.
`t Is zoet, mijn God, wanneer wij lijden, Tot U, de Redder, op te zien; `t Is zoet, aan U de dank te biên, Wanneer ons hart zich mag verblijden.
Wie vindt in het bruischen van de vermaken, Bij wulpsen dans of nietig spel, Verlichting voor zijn zielgekwel, Voldoening voor zijn hart te smaken?
Wie vindt in ongebonden weelde, In het zwelgen van de overvloed, De vreugd, de vrede van het gemoed, Die zich de ontvlamde drift verbeeldde?
Wie kon, met schatten op te hopen, Met eer of steigerziek gezag, Of waar hem het hart naar talen mag, Zichzelv' een uur van zielrust kopen?
Ach! wie de wereld mocht betrouwen, Aan niemand, niemand hield zij woord, Niets heeft zij wat in haar bekoort; Heur schoon is enkel in het aanschouwen. Haar vrucht betovere ons de zinnen; Uitwendig bloost en lacht ze u aan, Maar wie de hand daarin durft slaan, Wat vindt hij? smaakloze as van binnen.
U enig onbedrieglijk Wezen, U, U alleen belooft en geeft! Die U betrouwt, verwacht en heeft, Met U is geen gebrek te vrezen.
Laat and'ren dorre stranden ploegen En hijgen naar een vals genot, In U te kennen voor mijn God Berust mijn enig zielsgenoegen.
Laat and'ren Rijn en Weissel oogsten, Brooddronken, dronken en verbrast! Mijn schuren houde ik volgetast, Van het oog bestraald des Allerhoogsten.
Dit steunsel zal mij niet ontvallen, Schoon het krijgsvuur veld en akker blaak', De ondankbare grond zijn heer verzaak', Of het feestvuur woed' door kooi en stallen.
Laat and'ren voor de toekomst ijzen! Mijn God, mijn Vader geeft mij brood, Hij weet, Hij kent, Hij ziet mijn nood En heeft genoeg om mij te spijzen.
Laat, Vader, laat mij dit verwerven In ruimer of bekrompener maat! Mijn ziel verlangt geen overdaad en U, U laat geen nooddruft derven.
Deel, deel mij naar Uw welbehagen, Genadig' Vader, leed en zoet, Maar duld niet dat mijn overmoed Zich van Uw giften zou beklagen.
Neen, leg me, in voor- en tegenspoeden, de dank in het hart en in den mond en wil me in `s levens avondstond Voor twijf'larij en wanhoop hoeden.
O God! ik hoop op Uw genade, Verleng mijn dagen, breek hen af! De weg ten hemel ligt door het graf, Nooit komt men daar te vroeg of spade.
U, die de graanscheut heeft doen groeien, Gebiedt de maaier en hij snijdt en het halmtjen valt ter rechter tijd en het najaarsweer zijn air komt schroeien.
Bewaar zo mij, bewaar Uw schapen, O God, eer het rampvol uur genaakt, Voor al wie Jezus niet verzaakt en laat mij in Uw heil ontslapen.
Of, eist U het, geef in angst en plagen, De krachten, die het hart behoeft, Dat al zijn zwakheid heeft beproefd, Om in de nood zichzelf te schragen!
O red het, steun het in gevaren, Vervul, regeer het, drijf het aan, Ontruk het aan zijn eigen waan en wil het voor zichzelf bewaren!