Efeze 5:3-20
Deze verzen bevatten ene waarschuwing tegen alle soorten van onzedelijkheid, met geschikte beweeggronden en geneesmiddelen, waaraan sommige andere waarschuwingen zijn toegevoegd, en enkele deugden aanbevolen. Vleselijke lusten moeten onderdrukt worden, teneinde heilige liefde aan te kweken. Wandelt in de liefde, maar vliedt alle hoererij en onreinheid. Hoererij is zonde, bedreven tussen ongehuwde personen. Alle onreinigheid sluit in zich alle andere soorten van vleselijke lusten, welke onder de heidenen maar al te gewoon waren. Of gierigheid. Daar deze zonde hier gelijk met die andere vermeld wordt als ene, die zelfs niet genoemd mag worden, verstaan sommigen hieronder onnatuurlijke zonden. En anderen houden het voor, in den meer gewonen zin, onbeteugelde begeerte naar winst en onverzadelijke dorst naar rijkdommen, welke geestelijk afgoderij is. Want door deze gaat de ziel, die aan God verbonden was, van Hem weg, werpt zich in de armen van een vreemde, en daarom worden vleselijk-gezinde wereldlingen overspelers genoemd. Overspelers en overspeelsters, weet gij niet dat de vriendschap der wereld vijandschap tegen God is? Deze zonden moeten in den hoogsten graad gevreesd en verfoeid worden. Laat ze ook onder u niet genoemd worden, nooit bij wijze van goedkeuring of zonder afschuw, gelijk het den heiligen betaamt, heilige personen, die van de wereld afgezonderd en Gode gewijd zijn. De apostel waarschuwt niet alleen tegen de grove vormen van deze zonden, maar ook tegen hetgeen sommigen lichter tellen en vergeeflijk achten. Noch oneerbaarheid, vers 4, waardoor moet verstaan worden alle dubbelzinnige taal en onbehoorlijke beweging en gedrag, noch zot geklap, duistere en lage woorden, of in `t algemeen, zinledige gesprekken, die gewoonlijk veel dwaasheid en onbeschaamdheid inhouden, en in genen dele stichtelijk zijn. Of gekkernij. Het Griekse woord eutrapelia is hetzelfde, dat Aristoteles in zijn Ethica tot een deugd verheft, aangenaamheid in den omgang. Er bestaat zonder twijfel onschuldige scherts, welke wij niet veronderstellen moeten dat de apostel hier verbiedt. Sommigen denken hier aan zulke lage en bedekte uitdrukkingen, die dienen om anderen tentoon te stellen en belachelijk te maken. Dat is slecht genoeg, maar de grondtekst schijnt te doelen op zulke vrolijke gesprekken, die onrein en dubbelzinnig zijn, wat ook met bedorven, rottend en vuil, bedoeld wordt in Hoofdstuk 4:29. Van al deze dingen zegt hij dat ze niet betamen. Inderdaad, ze zijn niet alleen onwelvoegelijk, maar er is ook veel zonde in. Ze zijn niet alleen ver van nuttig, maar ze bezoedelen en vergiftigen de hoorders. De bedoeling is: Deze dingen passen geen Christenen, ze zijn in het geheel niet overeen te brengen met hun belijdenis en roeping. Christenen mogen wellevend en aangenaam zijn, maar ze moeten vriendelijk en wijs zijn. De apostel voegt er bij: maar veel meer dankzegging. De vrolijkheid van den Christen moet zover zijn van dubbelzinnige en lage kwinkslagen, dat hij zijn geest verkwikt en zich verblijdt door dankbare herinnering van Gods goedheid en barmhartigheid jegens hem, en door Hem daarvoor te verheerlijken en te prijzen.
1. Wij behoren alle gelegenheden aan te grijpen om God dank en lof te brengen voor Zijn vriendelijkheid en ons bewezen gunsten.
2. Ene beschouwing van de genade en goedheid Gods voor ons, met het doel om onze dankbaarheid te verlevendigen, is het rechte middel om den geest des Christens te verfrissen, te verlichten en hem vrolijk te maken. Dr. Hammond meent dat het woord eucharistia betekent aangenaam, godvruchtig, godsdienstig gesprek in het algemeen, in tegenstelling met hetgeen de apostel veroordeelt. Onze vrolijkheid, in plaats van uit te breken in hetgeen ijdel en zondig is, of verlaging van Gods naam teweegbrengt, moet zich openbaren in hetgeen den Christen betaamt en Gods heerlijkheid bevordert. Indien de mensen overvloediger waren in goede en godvruchtige uitdrukkingen, zouden zij niet zo instaat zijn slechte en onvoegzame woorden te spreken, want zal zegening en vervloeking, gemeenheid en dankzegging, uit dezelfden mond voortkomen?
I. Om ons te versterken tegen de zonden van onzedelijkheid enz., voert de apostel verscheidene gronden aan, en schrijft verscheidene voorbehoedmiddelen voor in hetgeen volgt.
1. Hij gebruikt verscheidene beweegredenen. En wel:
A. Deze zonden sluiten iemand buiten den hemel, want dit weet gij, enz., vers 5. Zij wisten het, de Christelijke godsdienst had hun dit geleerd. Door een gierigaard verstaan sommigen een laag, wulps libertijn, die zich dompelt in die vuile lusten, welke de zekere kenmerken van een heiden en afgodendienaar zijn. Anderen nemen het in de gewone betekenis van het woord, en zo iemand is een afgodendienaar omdat de liefde voor de wereld geestelijk afgoderij is. Gelijk de wellusteling een god maakt van zijn buik, zo maakt de gierigaard zijn geld tot zijn god, geeft dat al zijn liefde, stelt daar al zijn hoop op, al zijn vertrouwen en zijn verlustiging is in werelds goed, dat toch alleen voor God moet bestemd worden. Hij dient mammon in plaats van God. Van zulke mensen is gezegd, dat zij geen erfenis hebben in het koninkrijk van Christus en van God, dat is het koninkrijk van Christus die God is, of het koninkrijk Gods, waarvan Christus als Middelaar Koning is, dat Hij zich verworven en dat God Hem gegeven heeft. De hemel wordt hier een koninkrijk genoemd (gelijk meermalen) ten opzichte van zijn uitnemendheid en heerlijkheid, zijn volheid en genoegzaamheid, enz. In dit koninkrijk hebben de heiligen en dienstknechten Gods ene erfenis, want het is de erfenis der heiligen in het licht. Maar zij, die onboetvaardig zijn en toegeven aan de lusten des vlezes of de liefde voor de wereld, zijn niet waarlijk Christenen en behoren niet tot het koninkrijk van genade, en zullen dus niet komen in het koninkrijk der heerlijkheid. Laat ons dus altijd tegen deze zonden op onze hoede zijn, daar zij ons buiten het koninkrijk der hemelen houden.
B. Deze zonden brengen den toorn Gods over hen, die er zich aan schuldig maken. Dat u niemand verleide met ijdele woorden, enz., vers 6. Laat niemand u vleien alsof zulke zonden verdragelijk waren en in een Christen geoorloofd, en alsof zij niet zeer beledigend voor God waren, of dat gij er u in zoudt mogen dompelen en toch ongestraft blijven. Dat zijn ijdele woorden. Zij, die zich zelven en anderen vleien met de hoop van het ongestraft blijven der zonden, bedriegen zich zelven en anderen. Zo bedroog Satan onze eerste ouders met de ijdele woorden: Gij zult niet den dood sterven. Het zijn waarlijk ijdele woorden, want zij, die er op vertrouwen, zullen jammerlijk bedrogen uitkomen, want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid. Door kinderen der ongehoorzaamheid kunnen wij verstaan de heidenen, die ongelovig zijn en weigeren te luisteren naar en zich te onderwerpen aan het Evangelie, of meer algemeen, alle verharde zondaren, die niet willen geroepen worden, maar aan hun ongehoorzaamheid overgelaten blijven. Ongehoorzaamheid is de slechtheid der zonde. Door een gewoon Hebraïsme worden zulke mensen genoemd "kinderen der ongehoorzaamheid" en zij zijn het inderdaad van kindsbeen af, wegdwalende van hun geboorte aan. De toorn Gods komt over dezulken, om hun zonden, soms in deze wereld, meer bepaald in de toekomende. En zullen wij dat licht achten, hetwelk ons zou brengen onder den toorn Gods? Neen! Zo zijt dan hun medegenoten niet, vers 7. Neemt geen deel aan hun zonden, anders zoudt gij delen in hun straffen. Wij nemen deel in de zonden van anderen niet alleen wanneer wij op dezelfde zondige wijze leven als zij, en toestemmen en gehoor geven aan hun verzoekingen en uitnodigingen om te zondigen, maar ook wanneer wij hen aanmoedigen in hun zonden, het hun gemakkelijk maken, en niet voorkomen of verhinderen, zover dat in onze macht staat. C. Ziet hier onder welke verplichting Christenen verkeren om op andere wijze te leven dan deze zondaren. Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere, enz., vers 8. De bedoeling is: Zulk een leven is geheel ongepast bij uw tegenwoordigen toestand, want toen gij heidenen en onwedergeborenen waart, zo waart ge duisternis, gij hebt nu een grote verandering ondergaan. De apostel noemt hun vorigen toestand duisternis, om de grote duisternis aan te duiden, waarin zij verkeerden. Zij leefden een goddeloos en godonterend leven, zijnde verstoken van het licht des onderrichts van buiten en van de verlichting en genade des Geestes inwendig. De toestand van zonde is een toestand van duisternis. Zondaars zijn als mensen in het donker, zij weten niet waar ze lopen of wat ze doen. Maar de genade Gods had een machtige verandering in hun zielen gewerkt: Nu zijt gij licht in den Heere, zaligmakend verlicht door het Woord en den Geest Gods. Nu, door uw aannemen van het Evangelie en uw geloof in Christus. Wandelt als kinderen des lichts. Kinderen des lichts zijn zij, die verkeren in een toestand van licht, toegerust met kennis en heiligheid, Aangezien gij nu dezulken zijt, laat nu uw wandel zijn in overeenstemming met uw roeping en voorrechten, en leeft dus volgens de verplichting, die op u rust door de kennis en de genade, waarin ge u verheugt.
Beproevende wat den Heere welbehaaglijk zij, vers 10, onderzoekende en naarstig zoekende wat God geopenbaard heeft als Zijn wil, en tonende dat gij dat weet, door er uzelven naar te vormen. Wij moeten niet alleen vrezen en vermijden wat God mishaagt, maar ook zoeken en beproeven wat Hem aangenaam is, met dat doel de Schrift onderzoekende, en ons daardoor op den grootst- mogelijken afstand van de zonde houdende.
2. De apostel omschrijft sommige middelen tegen die zonden.
A. Indien wij niet verstrikt worden willen door de begeerlijkheden des vlezes, dan moeten wij vruchten des Geestes voortbrengen, vers 9. Dat wordt verwacht van kinderen des lichts, dat zij, verlicht zijnde, ook geheiligd zijn door den Geest, en daarom Zijn vruchten voortbrengen. Die vruchten zijn in alle goedigheid, een aansporing om goed te doen en barmhartigheid te bewijzen, en rechtvaardigheid, dat zegt ons dat wij in onze daden rechtvaardig zijn moeten. Dat zijn ze meer bepaald, maar in het algemeen is alle godsdienst goedheid en rechtvaardigheid. En daarin en daarbij moeten ze zijn waarheid, of oprechtheid en eerlijkheid des harten.
B. Wij moeten geen deelgenootschap hebben met zonden of zondaren, vers 11. Zondige werken zijn werken der duisternis, zij komen uit de duisternis der onwetendheid, zij zoeken de duisternis van geheimhouding, zij leiden naar de duisternis der hel. Deze werken der duisternis zijn onvruchtbare werken, zij doen niets goeds in hun langen loop, welk voordeel de zonde ook voorspiegelt, het einde wordt verlies, want het einde is de uiterste verwoesting van den onboetvaardigen zondaar. Wij moeten daarom geen gemeenschap hebben met deze onvruchtbare werken, gelijk wij ze zelven niet moeten bedrijven, zo mogen we ook anderen niet steunen in het begaan daarvan. Er zijn verscheidene manieren om gemeenschap te hebben aan de zonden van anderen, aanbeveling, raad, toestemming, oogluiking. En indien wij met anderen delen in hun zonden, moeten we verwachten ook aandeel te krijgen in hun plagen. Ja, indien wij gemeenschap met hen hebben, is er het grootste gevaar dat wij eerlang hetzelfde zullen doen. Maar, veeleer, in plaats van daaraan gemeenschap te hebben, moeten wij ze bestraffen. Daarin ligt opgesloten dat wij aan de zonden van anderen gemeenschap hebben indien wij ze niet bestraffen. Wij moeten voorzichtig en gepast getuigen tegen de zonden van anderen, en trachten hen van hun zondigheid te overtuigen, wanneer het gevoeglijk en beslist kan, door onze woorden, maar in elk geval door onze heiligheid van leven en door godvruchtigen wandel. Hun zonden be- straffen door overvloedig te zijn in de daaraan overgestelde deugden. Een reden daarvoor is: Het is schandelijk ook te zeggen, vers 12. Zij zijn zo vuil en afschuwelijk, dat het schandelijk is om het te vermelden, behalve ter bestraffing, hoe schandelijk is het dan wel om er gemeenschap aan te hebben! Het geschiedt van hen heimelijk. Het schijnt dat de apostel hier spreekt van de heidense afgodendienaars en hun afschuwelijke geheimenissen, welke overvloeiden van weerzinwekkende ondeugd, en die op straffe des doods niet mochten ontdekt worden. Een goed man schaamt zich te noemen wat een goddeloos man zich niet schaamt te doen, maar voorzover zulke daden openbaar worden, moeten ze bestraft worden. Hier volgt een andere reden voor zulke bestraffing. Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar, vers 13. Waarschijnlijk bedoelt de apostel met deze woorden: "Al deze onvruchtbare werken der duisternis, welke gij geroepen zijt te bestraffen, worden opengelegd en in hun ware kleuren openbaar gemaakt door de zondaars zelven, door het licht der leer of van Gods Woord in uw monden, als getrouwe bestraffers, of door het onderwijzend licht, dat uitstroomt uit uw heiligheid van leven en uw voorbeeldigen wandel." Het licht van Gods Woord en zijn openbaring in een Christelijken wandel zijn de geschikte middelen om zondaren te overtuigen van hun zonden en goddeloosheid. Er volgt: Want al wat openbaar maakt is licht, dat wil zeggen: het is het licht, dat aan den dag brengt wat vroeger in de duisternis verborgen was, en daarom betaamt het hun, die kinderen des lichts zijn, die licht zijn in den Heere, om anderen aan hun zonden te ontdekken, en te trachten hen te overtuigen van het kwaad en gevaar daarvan, waardoor zij schijnen als lichten in de wereld. De apostel dringt verder deze verplichting aan door het voorbeeld van God of Christus: Daarom zegt hij enz., vers 14. Alsof hij zei: "Dusdoende volgt gij den groten God, die zich bemoeit om zondaren op te wekken uit hun slaap en te doen opstaan uit den dood der zonden, opdat zij het licht van Christus mogen ontvangen. Hij zegt: De Heere spreekt voortdurend in Zijn woord, hetgeen bepaaldelijk wordt aangeduid in Jesaja 60:1. Of: Christus, door Zijne dienaren, die het eeuwig Evangelie prediken, roept voortdurend zondaren daartoe. Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden. In hoofdzaak wordt door deze verschillende uitdrukkingen hetzelfde bedoeld, zij dienen om ons te herinneren aan de grote stompzinnigheid en de ellendige zekerheid van de zondaren, hoe ongevoelig zij zijn voor hun gevaar, hoe onbekwaam van nature voor geestelijke bewegingen, gevoelens en handelingen. Wanneer God hen roept om te ontwaken en te verrijzen, bedoelt Hij dat ze hun zonden moeten afbreken door berouw en een leven van heilige gehoorzaamheid beginnen, en Hij moedigt hen aan om daarvan de proef te nemen en er hun uiterste best voor te doen, met de genadige belofte: En Christus zal over u lichten, of: Christus zal u verlichten, of: zal over u schijnen. Hij zal u brengen in een toestand van kennis, heiligheid en geluk, u met Zijn genade bijstaan, uw geest verfrissen met vreugde en vrede hier en met eeuwige heerlijkheid hiernamaals. Merk op: Wanneer wij trachten zondaren te overtuigen en van hun zonden terug te brengen, volgen wij God en Christus na in datgene, dat het grote doel van geheel het Evangelie is. Sommigen verstaan hieronder een roepstem tot de zondaren en tot de heiligen, tot de zondaren om berouw te tonen en zich te bekeren, tot de heiligen om zich aan te gorden tot hun plicht. De eersten moeten opstaan uit hun geestelijken dood, de laatsten verrijzen uit hun geestelijke dodigheid.
C. Een ander behoedmiddel tegen de zonde is voorzichtigheid, zorgvuldigheid, vers 15. Zie dan enz. Dit kan bedoeld zijn met het oog op hetgeen onmiddellijk voorafgaat: Indien gij de zonden van anderen moet bestraffen, en daarin uw roeping getrouw vervullen wilt, moet gij voor uzelven wèl toezien op uzelf en uw eigen gedrag en wandel (en inderdaad, alleen zij, die zelf met de nodige voorzichtigheid en zorg wandelen, zijn gerechtigd anderen te bestraffen). Maar wij kunnen hier ook hebben een ander voorbehoedmiddel tegen de vroeger genoemde zonden. Mij komt het voor, dat dit de bedoeling van den apostel is, want het is onmogelijk reinheid en heiligheid van hart en wandel te bewaren, zonder grote voorzichtigheid en zorgvuldigheid. Wandelt voorzichtiglijk enz., of zoals het woord eigenlijk betekent: nauwgezet, betamelijk, in den rechten weg, waartoe wij zonder verpozen den regel en de aanwijzingen te raadplegen hebben, die ons in de Heilige Schrift gegeven zijn. Niet als onwijzen, die maar op goed geluk wandelen en die geen begrip van hun plicht hebben, zomin als van de waarde hunner zielen, en door verwaarlozing, achteloosheid en zorgeloosheid in zonden vallen en zich zelven verwoesten, maar als wijzen, als mensen, die door God onderwezen en met wijsheid van boven toegerust zijn. Voorzichtig wandelen is het gevolg van ware wijsheid, maar het tegenovergestelde is het gevolg van dwaasheid. Nu volgt: den tijd uitkopende, vers 16, letterlijk: de gelegenheid kopende. Dat is een vergelijking met kooplieden en handelaars, die nauwkeurig acht geven op het geschikte jaargetijde voor handel, en daarvan gebruik maken. Dat is een groot deel van de Christelijke wijsheid, dat men den tijd uitkoopt. Goede Christenen moeten goede besteders van hun tijd zijn en zorg dragen dien tot de beste doeleinden te gebruiken, door tegen verzoekingen te waken, door goed te doen terwijl het in hun macht is, en door den tijd steeds met nuttig werk te vullen, -dat is een zeer goed behoedmiddel tegen zonde. Zij moeten van den tegenwoordigen tijd van genade het best-mogelijke gebruik maken. Onze tijd is een talent ons van God gegeven tot een of ander nuttig doel, en hij wordt daarom misbruikt en verloren, wanneer hij niet tot doel aangewend wordt. Indien wij vroeger onzen tijd verloren hebben, moeten wij nu trachten dat in te halen door onzen ijver te verdubbelen in het betrachten van onze roeping. De reden daarvoor gegeven is: dat de dagen boos zijn, dat kan zijn, door de boosheid van hen, die er in leven, of dat ze moeilijk en gevaarlijk zijn voor u, die er in leeft. De apostel schreef dit in een tijd van vervolging, de Christenen waren elk uur in gevaar. Wanneer de dagen boos zijn, hebben wij dubbele reden om de dagen uit te kopen, vooral omdat we niet weten of ze niet spoedig nog slechter zijn zullen. De mensen klagen heel licht over boze tijden, het zou goed zijn indien zij er door gebracht werden tot het uitkopen van den tijd. Daarom, zegt de apostel, vers 17, omdat de tijden boos zijn, zijt niet onverstandig, onwetend omtrent uwe roeping en slordig voor uwe zielen, maar verstaat welke de wil des Heeren zij. Bestudeer, beschouw, en daarna gewen u aan den wil van God, die uw plicht bepaalt. Onwetendheid omtrent onzen plicht en verwaarlozing van onze zielen zijn bewijzen van de grootste dwaasheid, terwijl bekendheid met den wil van God en zorgvuldigheid om dien te vervullen, de beste en oprechtste wijsheid tonen.
II. In de volgende drie verzen waarschuwt de apostel tegen enige andere bepaalde zonden en wekt op tot sommige andere plichten.
1. Hij waarschuwt tegen de zonde van dronkenschap. En wordt niet dronken in wijn, vers 18. Dat was een zeer gewone zonde onder de heidenen, voornamelijk bij gelegenheid van feesten hunner goden en vooral in hun Bacchanalia, dan waren zij gewoon zich op te winden met wijn, en tengevolge daarvan allerlei onbehoorlijke dingen te doen. Daarom voegt de apostel er bij: waarin -in dronkenschap- overdaad is. Het woord asootia betekent weelderigheid, verkwisting, en het is zeker dat dronkenschap niet gepaard gaat met matigheid en reinheid van leven, maar alle soorten van buitensporigheden te voorschijn roept en de mensen vervoert tot grote zinnelijkheid en gemene wandaden. Dronkenschap is een zonde, die zelden op zich zelve blijft, gewoonlijk brengt zij de mensen tot andere overtredingen, zij is een zonde, die God zeer vertoornt en het geestelijk leven sterk verhindert. De apostel bedoelt hier al zulke onmatigheid en ongeregeldheid, als staan tegenover het matig en voorzichtig gedrag, dat hij bedoelt in zijn raad om den tijd uit te kopen. 2. In plaats van vervuld te worden met wijn, vermaant hij hen om vervuld te worden met den Geest. Zij, die vol wijn zijn, hebben niet veel kans om vervuld te worden met den Geest, en daarom is die roeping het tegenovergestelde van deze zonde. De bedoeling van deze vermaning is, dat men zal trachten naar een overvloedige maat van genade des Geestes, die de zielen vervullen zal met grote kracht, vreugde en moed, welke zinnelijke mensen verwachten dat de wijn hun geven zal. In ons trachten daarnaar kunnen wij ons niet aan overdrijving schuldig maken, neen, wij mogen niet tevreden zijn met een weinig van den Geest, maar behoren steeds naar meer te streven, om met den Geest vervuld te worden. Door dat middel zullen wij verstaan, welke de wil des Heeren zij, want de Geest Gods is gegeven als de Geest der wijsheid en des verstands. En omdat allen, die met den Geest vervuld zijn, geleid worden tot handelingen van godsvrucht en al haar uitwerkingen, vermaant de apostel:
3. Den Heere te zingen, vers 19. Dronkaards zijn gewoon dubbelzinnige en gemene liederen te zingen. De heidenen op hun Bacchanalia zongen lofzangen ter ere van Bacchus, dien zij den god van den wijn noemden. Zo uitten zij hun vreugde, maar de vreugde der Christenen moet zich openbaren in liederen ter ere Gods. Daarin moeten zij spreken onder elkaar, in hun vergaderingen en onderlinge samenkomsten, tot wederzijdse stichting. Door psalmen worden de psalmen David's bedoeld, of zulke liederen, die geschikt waren om onder begeleiding van muziekinstrumenten gezongen te worden. Lofzangen zijn zulke liederen, die meer bepaald Gods heerlijkheid bezingen, als die van Zacharias, Simeon, enz. Geestelijke liederen omvatten een grotere verscheidenheid van onderwerpen, leerstellige, profetische, historische, enz. Merk hier op:
A. Het zingen van psalmen en lofzangen is een instelling van het Evangelie, een goddelijk gebod, bedoeld tot Zijne verheerlijking.
B. Ofschoon de Christenen vijanden zijn van onbetamelijke vrolijkheid, worden zij aangemoedigd tot vreugde en blijdschap en om daarvan ook de blijken te geven. Gods volk heeft reden om zich te verblijden en te zingen van vreugde. Zij moeten zingen en psalmen den Heere in hun harten, niet enkel met hun stemmen, maar met innerlijke toewijding, en dan zal hun zang Gode zo aangenaam zijn als muziek is voor ons. Het moet geschieden met het doel om Hem te behagen en Zijn lof te verkondigen en dan geschiedt het den Heere.
4. Dankzegging is een andere plicht, waartoe de apostel ons vermaant, vers 20. Ons wordt gezegd psalmen enz. te zingen, om onze dankbaarheid jegens God te tonen, maar, ofschoon wij niet altijd kunnen zingen, wij kunnen wel altijd danken, dat is, wij mogen nooit de geneigdheid tot dezen plicht missen, want wij hebben er altijd reden toe. Wij moeten daarmee voortgaan ons leven lang, en wij moeten danken voor alle dingen, niet alleen voor genoten geestelijke zegeningen, en voor de eeuwige, die we wachtende zijn (voor de eerste die we in handen hebben, en de laatste die we in hope bezitten), maar ook voor alle tijdelijke weldaden, niet alleen onze gemakken, maar ook onze geheiligde beproevingen, niet alleen voor hetgeen onmiddellijk ons zelven betreft, maar ook voor de bewijzen van Gods vriendelijkheid en gunst voor anderen. Het is onze plicht God en den Vader te allen tijd over alle dingen te danken, God als de Vader van onzen Heere Jezus Christus en in Hem onze Vader, in wiens naam wij al onze gebeden, lofzeggingen en geestelijke diensten moeten brengen, zullen ze Gode aangenaam zijn.