Deuteronomium 6:17-25
I. Hier gebiedt Mozes hen Gods geboden te houden, vers 17-19.gij zult de geboden des Heeren uws Gods vlijtiglijk houden. Het vereist zeer veel zorg en moeite om de Godsdienst in zijn kracht in ons hart en leven op te houden. Onachtzaamheid zal ons verderf zijn, maar zonder vlijt en waakzaamheid kunnen wij niet behouden worden. Ten einde hen hiertoe te bewegen, toont hij hen:
1. Dat dit Gode zeer welbehaaglijk zal zijn. Het is recht en goed in de ogen van de Heer en datgene is in waarheid recht en goed, wat dit is in de ogen Gods. Als wij achtnemen op de gunst van onze Schepper als ons geluk en de wet van onze schepping als onze regel, dan zullen wij Godsdienstig zijn.
2. Dat dit zeer nuttig en voordelig voor henzelf zal zijn. Het zou hen het bezit van het land Kanaän verzekeren, voorspoed in dat land, en een voortdurend zegevieren over hen, die hen in de weg staan. Kortom: Doet wèl, en het zal wel met u zijn.
II. Hij beveelt hen hun kinderen te onderwijzen in de geboden van God, niet alleen opdat zij in hun jonge jaren met verstand en liefde aan de Godsdienstoefeningen zullen deelnemen maar opdat ook zij in hun volwassen leeftijd de Godsdienst hoog zullen houden en hem overleveren aan hen, die na hen zullen komen.
Nu is hier:
1. Een gepaste vraag, die de kinderen verondersteld worden te zullen stellen, vers 20. "Wat zijn dat voor getuigenissen en inzettingen en rechten? Wat is de betekenis van de feesten, die wij vieren, de offeranden, die wij offeren, en de vele eigenaardige gewoonten en gebruiken onder ons?"
Merk op:
a. Alle Goddelijke inzettingen hebben een zekere betekenis, en het is iets groots, wat er mee bedoeld wordt.
b. Het is van belang voor ons om er de betekenis van te weten en te verstaan, opdat wij een redelijke Godsdienst waarnemen en opdat wij de Heere niet het blinde offeren.
c. Het is voor kinderen goed om reeds vroeg te vragen naar de betekenis en bedoeling van de Godsdienstplichten, waartoe zij opgeleid worden. Aldus nieuwsgierig te zijn naar de Goddelijke dingen is een goed teken, dat zij er belang in stellen, en een goed middel om er zeer mee bekend en vertrouwd te worden, dan zullen wij kennen, indien wij aldus vervolgen om de Heere te kennen.
2. Hier is een volledig antwoord gelegd in de mond van de ouders om op deze goede vraag te worden gegeven. Ouders en leraars moeten onderricht geven aan hen, die aan hun zorg zijn toevertrouwd, ook al vragen zij er niet om, ja, al hebben zij er ook afkeer van, en nog veel meer moeten zij bereid zijn op vragen te antwoorden, en onderricht te geven als het begeerd wordt, want men kan hopen, dat zij, die het vragen het zullen willen ontvangen. Vroegen de kinderen naar de betekenis van Gods wetten, zo laat hen gezegd worden, dat zij waargenomen moeten worden:
A. In dankbare herinnering aan Gods vroegere gunsten jegens hen, inzonderheid aan hun bevrijding uit Egypte, vers 21-23. De kinderen moeten dikwijls verhaald worden van de treurige toestand, waarin hun voorouders zich hebben bevonden, toen zij slaven in Egypte zijn geweest, de grote verlossing voor hen gewrocht door God door hen vandaar uit te voeren, en dat God door hen bijzondere inzettingen te geven bedoeld heeft de gedachtenis aan dat wonderwerk te bestendigen, waardoor zij tot een bijzonder volk geformeerd werden.
B. Als de gestelde voorwaarde van Zijn verdere gunsten. De Heere gebood ons te doen al deze inzettingen ons ten goede. God gebiedt ons niets dan wat wezenlijk ons ten goede is, het is ons belang zowel als onze plicht om Godsdienstig te zijn.
a. Het zal ons leven zijn, om ons in het leven te behouden, hetgeen een grote gunst is, meer dan wij konden verwachten, in aanmerking genomen hoe dikwijls wij het leven verbeurd hebben. De Godzaligheid heeft de belofte van de voortduur en de vertroosting van het tegenwoordige leven, inzover het strekt tot eer en heerlijkheid Gods.
b. Het zal onze gerechtigheid zijn. Indien wij slechts dat ene gebod volkomen konden houden om God lief te hebben met geheel ons hart, geheel onze ziel en al onze krachten, en als wij konden zeggen: "Wij hebben nooit anders gedaan", dan zou dit zo onze gerechtigheid zijn, dat wij recht zouden hebben op de voordelen van het verbond in de staat van de onschuld, indien wij gebleven waren in alles wat in het boek van de wet geschreven is om dat te doen, dan zou de wet ons gerechtvaardigd hebben. Maar daar kunnen wij geen aanspraak op maken, en daarom zal onze oprechte gehoorzaamheid aangenomen worden door een Middelaar, door wie wij evenals Noach rechtvaardig voor Gods aangezicht genoemd worden, Genesis 7:1 , Lukas 1:6, 1 Johannes 3:7. De Chaldeeuwse overzetting geeft deze lezing: "Er zal een beloning voor ons zijn, indien wij waarnemen deze geboden te doen, want, zonder enige twijfel, in het houden van Gods geboden is grote loon."