Deuteronomium 3:21-29
I. Hier is Mozes' aanmoediging aan Jozua die hem in de regering moest opvolgen, vers 21, 22. Hij gebood hem niet te vrezen. Zo moeten zij, die oud zijn en ervaren in de dienst des Heeren, alles doen wat zij kunnen, om de handen te sterken van hen, die jong zijn en nog beginnen in de Godsdienst. Hij wijst hem tot zijn bemoediging op twee dingen.
1. Wat God gedaan had. Jozua had gezien welk een volkomen nederlaag God door de strijdmacht van Israël aan deze twee koningen had toegebracht, en daaruit kan hij dan gemakkelijk afleiden, dat de Heere alzo aan alle koninkrijken zal doen, naar dewelke gij henen doortrekt, en met wie wij oorlog zullen voeren. Hij moet hieruit niet alleen afleiden, dat de Heere aldus aan hen allen doen kan, want Zijn arm is niet verkort, maar dat Hij hun aldus doen zal, want Zijn voornemen of raadsbesluit is niet veranderd, die begonnen heeft zal voleindigen, Gods werk is volmaakt. Jozua had het met zijn ogen gezien. En hoe meer voorbeelden wij gezien hebben van de Goddelijke wijsheid, macht en goedheid, hoe minder wij te verontschuldigen zijn, indien wij vrezen wat vlees ons doen kan.
2. Wat God heeft beloofd. De Heere uw God zal voor u strijden, en die zaak moet wel zegevieren, waar de Heere van de heirscharen voor strijdt. Indien God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn, om tegen ons te overmogen? Wij smaden onze aanvoerder, indien wij Hem sidderend volgen.
II. Mozes' bede voor zichzelf, en het antwoord, dat God hem geeft.
1. De bede was dat hij, zo het Gods wil was, voor Israël over de Jordaan in Kanaän zou gaan. Te dier tijd, toen hij Jozua had aangemoedigd om Israëls strijd te strijden, daar hij het voor vastgesteld hield dat hij Israëls aanvoerder zal zijn, toen, bij die gelegenheid, gevoelde hij de vurige begeerte om zelf over de Jordaan te gaan, welke begeerte zich uit niet in een hartstochtelijke, ongeduldige klacht, of aanmerkingen op het vonnis, dat over hem was uitgesproken, maar in ootmoedige smeking tot God om een genadige herroeping van dat vonnis. Ik bad de Heere. Wij moeten nooit begeerten in ons hart toelaten, die wij niet in het geloof tot God kunnen opzenden in gebed, en alle begeerten, die onschuldig zijn, moeten tot God gebracht worden. Wij hebben niet, omdat wij niet bidden.
Merk op:
A. Waar hij op pleit. Op twee dingen.
a. Op de grote ervaring, die hij had van Gods goedheid jegens hem in hetgeen Hij gedaan had voor Israël. Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand. Heere voleindig wat Gij hebt begonnen. Gij hebt mij Uw heerlijkheid doen zien in de overwinning, behaald over deze twee koningen, en het gezicht hiervan heeft mij vervuld van bewondering en dankbaarheid: o laat mij meer van de uitgangen mogen zien van mijn God, mijn Koning! Dit grote werk zal ongetwijfeld voortgezet en voltooid worden, schenk mij de voldoening van het te zien!" Hoe meer wij van Gods heerlijkheid zien in Zijn werken, hoe meer wij er van begeren te zien. De werken des Heeren zijn groot, daarom worden zij al meer en meer gezocht van allen, die er lust in hebben. b. De goede indrukken, die door alles wat hij gezien had, op zijn hart teweeggebracht werden, want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uwe werken? Hoe meer wij bewogen zijn door hetgeen wij gezien hebben van God, van Zijn wijsheid, macht en goedheid, hoe beter wij bereid zijn voor nog verdere ontdekkingen. Diegenen zullen de werken Gods zien, die Hem er in zien en bewonderen. Mozes had zich reeds lang tevoren aldus over God en Zijn werken uitgedrukt, Exodus 15:11, en hij blijft nog van dezelfde mening, dat er geen werken zijn, waardig om vergeleken te worden bij Gods werken, Psalm 86:8.
B. Wat hij bidt. Laat mij toch overtrekken, vers 25. God had gezegd dat hij niet zou overtrekken, en toch bidt hij dat hij mag overtrekken, niet wetende of de bedreiging niet misschien voorwaardelijk was want zij was niet bevestigd door een eed, zoals die ten opzichte van het volk, dat zij niet zouden ingaan. Zo heeft Hizkia gebeden om zijn leven, en David om het leven van zijn kind, nadat beide toch uitdrukkelijk door een boodschap Gods met de dood bedreigd waren, en de eerste heeft overmocht, maar: niet de tweede. Mozes gedacht aan de tijd toen hij door het gebed bij God had overmocht, zodat het Hem berouwde over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen, Exodus 32:14. En waarom zou hij dan niet mogen hopen evenzo voor zichzelf te zullen overmogen? Laat mij toch overtrekken en dat goede land bezien. Niet: "Laat mij toch overtrekken, om daar een vorst en heerser te zijn, " hij zoekt niet zijn eigen eer, hij wil gaarne aan Jozua de regering overlaten, maar: "Laat mij gaan, om aanschouwer te zijn van Uw goedheid over Israël, en wat ik geloof betreffende het goede en voortreffelijke van het land van de belofte ook te zien." Hoe aandoenlijk spreekt hij van Kanaän, dat goede land, dat goede gebergte! Diegenen kunnen hopen Gods gunst te verkrijgen en te genieten, die haar weten te waarderen. Wat hij bedoelt met dat goede gebergte kunnen wij te weten komen uit Psalm 78:54, waar van Gods Israël gezegd wordt, dat Hij hen bracht tot de landpale van Zijn heiligheid, tot deze berg, die Zijn rechterhand verkregen heeft, waar dit duidelijk verstaan moet worden van het gehele land Kanaän, maar met het oog op het heiligdom, de heerlijkheid er van.
2. In Gods antwoord op dit gebed is een vermenging van goedertierenheid en van recht, opdat hij van beide de Heere zingen zal.
A. Er was recht in de weigering van zijn verzoek, en er was ook toorn in, vers 26. De Heere verstoorde zich zeer om uwentwil over mij. God ziet niet slechts zonde in Zijn volk, maar die zonde mishaagt Hem zeer, en zij zelfs, die van de toekomenden toorn verlost zijn, kunnen toch in deze wereld onder het teken van Gods toorn liggen, en zo kan hun dan de een of andere gunst, waar hun hart zeer aan hecht ontzegd worden. God is een genadig, teder, liefhebbend Vader, maar Hij is toornig op Zijn kinderen als zij verkeerd doen, en weigert hun menige zaak, die zij begeren en waar zij om zouden willen wenen. Maar hoe was Hij verstoord over Mozes? Om Israëls wil. Hetzij:
a. Om de zonde, waartoe zij hem getergd hadden, zie Psalm 106:32, 33, Of:
b. Het wegnemen van Mozes op die tijd, toen hij zo slecht gemist kon worden, was een bestraffing van geheel Israël, en een straf om hun zonde. Of:
c. Het was om hunnentwil, opdat het een waarschuwing voor hen zou zijn om zich te wachten van God te beledigen, door te eniger tijd hartstochtelijke ongelovige woorden te spreken in de gelijkheid van zijn overtreding want indien dit aan zulk groen hout gedaan wordt, wat zal aan het dorre geschieden? Hij erkent dat de Heere niet naar hem wilde horen. God had hem dikwijls gehoord en verhoord voor Israël, maar voor hemzelf wilde Hij hem niet verhoren. Het was het kroonrecht van Christus, de groten voorbidder, om altijd gehoord te worden, toch hebben Zijn vijanden van Hem gezegd: Anderen heeft hij verlost, hij kan zichzelf niet verlossen, waarover de doden Hem niet gesmaad zouden hebben, indien zij hadden bedacht dat Mozes, hun grote profeet, wel voor anderen bij God heeft overmocht, maar niet voor zichzelf. Hoewel Mozes, een van het worstelend zaad Jakob's zijnde, God niet tevergeefs zocht, verkreeg hij toch niet de zaak, die hij zocht. God kan een welbehagen hebben in ons gebed, en ons toch juist die zaak, waar wij om bidden, onthouden.
B. In verscheidene opzichten is met deze toorn ook barmhartigheid gemengd.
a. God heeft Mozes onder het raadsbesluit, dat was uitgegaan, rust gegeven in zijn ziel, door dit woord: Het zij u genoeg, vers 26. Ongetwijfeld is met dat woord een Goddelijke kracht uitgegaan om Mozes met de wil van God te verzoenen, en hem er toe te brengen om er in te berusten. Als God ons door Zijn voorzienigheid niet geeft wat wij begeren, maar ons door Zijn genade zonder dat tevreden geeft te wezen, dan komt dit tamelijk wel op hetzelfde neer. "Het zij u genoeg om God tot uw Vader te hebben, en de hemel tot uw deel, al hebt gij dan ook niet alles wat gij wenste" te hebben in deze wereld. Wees hiermede tevreden: God is algenoegzaam.
b. Hij legt eer op zijn gebed door hem te zeggen niet verder aan te dringen op zijn verzoek. Spreek niet meer tot Mij van deze zaak. Dit geeft te kennen dat wat God niet geschikt acht toe te staan, wij niet geschikt moeten achten te vragen, en dat God zo'n behagen schept in het gebed van de oprechten, dat het Hem geen genoegen is, zelfs in geen enkel geval, er een weigerend antwoord op te geven.
c. Hij beloofde hem een gezicht op Kanaän van de hoogte van Pisga, vers 27. Hoewel hij er het bezit niet van zal hebben, zal hij er toch een gezicht op hebben, en wel zo'n gezicht, dat het hem een ware voldoening zal zijn, en hem instaat zal stellen om zich een zeer duidelijk en aangenaam denkbeeld te vormen van dat beloofde land. Aan Mozes was niet slechts het gezicht van zijn ogen behouden voor andere doeleinden, maar het was grotelijks versterkt en verruimd voor dit doeleinde, want als hij er niet zo'n gezicht op zou hebben, als anderen van dezelfde plaats er niet op konden hebben, dan zou dit voor Mozes geen bijzondere gunst zijn geweest, noch een zaak van belofte. Zelfs grote gelovigen zien, in de tegenwoordige staat, de hemel slechts op een afstand.
d. Hij gaf hem een opvolger, een die de eer van Mozes zou ophouden, en het heerlijke werk zal voortzetten en voltooien, waar Mozes zozeer zijn hart op had gesteld, namelijk Israël in Kanaän te brengen, en er hen te vestigen, vers 28. Gebied dan Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem tot dit werk. Zij, aan wie God een last een gebod geeft, zullen voorzeker ook kracht en moed verkrijgen, om de last te volvoeren. En het is voor de vrienden van de kerk (als zij stervende zijn en heengaan) een vertroosting te zien, dat Gods werk waarschijnlijk, als zij zwijgend nederleggen in het stof, door andere handen voortgezet zal worden.