4. 1) En de HEERE zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: a) Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u om uw heimwee daarnaar b) te bevredigen, met uw ogen doen zien, 2) maar gij zult daarheen niet overgaan, zoals u reeds vroeger gezegd is (
Numeri 20:12). a)
Genesis 12:7;
13:15;
15:18;
17:8;
26:3;
28:13 b)
Deuteronomium 3:23,
1) Men kan het openbaar leven van Mozes, als wetgever en aanvoerder van Israël, beschouwen als een schilderij gevat in de lijst van twee grote teleurstellingen; de eerste, waar hij bij het verslaan van de Egyptenaar waant, dat zijn broeders hem als een verlosser zullen beschouwen, en zich op het gruwelijkst bedrogen vindt (Exodus 2:11); de tweede, toen de ingang in het land van de belofte hem ontzegd wordt. Meer jaren heeft hij de smart van de eerste wond rondgedragen, dan maanden die van de tweede; maar zouden wij ons wel zo ver bedriegen, als wij de tweede voor de diepste en zwaarste houden? Bijna zouden wij zelfs aarzelen haar diepte te peilen, wanneer hij niet zelf het verband, dat haar dekte, voor Israël en ook voor ons had losgemaakt; maar in het verhaal van hoofdstuk 3:23, horen wij hoe hij met roerende eenvoud spreekt van een bijzonder voorval, dat wij bijna een bladzijde zou kunnen noemen uit het dagboek van zijn verborgen geschiedenis, ingelegd in het reisverhaal, dat hij in dit en de beide vorige hoofdstukken opschreef. De grijsaard is hier ongeveer twee maanden vóór zijn dood bezig om met zijn volk een gedeelte van de weg te overzien, waarlangs hen de Heere geleid heeft; hij herinnert hun eraan hoe Og, de koning van Bazan, overwonnen, zijn land verdeeld, en aan Jozua het vrolijk vooruitzicht op nieuwe zegepralen geopend werd. Terwijl dit nu voor Israël dagen van blijde vreugde geweest waren, had hij zich op die tijd gedwongen gezien een allersmartelijkst offer te brengen. Vergeefs-zo bericht de ootmoedige man, als wilde hij openlijk boete doen- vergeefs had hij gebeden om opheffing van het over hem uitgesproken vonnis; de Heere had hem met harde woorden geantwoord. Men hoort het aan de toon van dit bericht, hoe zwaar hem de strijd, hoe moeilijk hem de onderwerping wordt; en bijna is het ons te moe, als trilde zijn stem, als kwam hem een traan in zijn oog, wanneer bij de jongere geslachten tot hun verrassing en lering verhaalt: "Maar de Heere was toornig op mij om uwentwil, en verhoorde mij niet, maar sprak tot mij: "Laat het genoeg zijn, spreek er Mij niet meer van." Wanneer wij die zaak, op zichzelf beschouwd, voor de rechterstoel van ons eigen gevoel brengen, dan roepen wij uit: een donkere leiding. Kanaän, dat was de naam, die Mozes reeds als kind met eerbied en liefde stamelde; dat was het punt, waarheen het oog van de jongeling, van de man, van de grijsaard, nu reeds langer dan een eeuw met een heilig verlangen gericht was; het was het énig loon, dat hij afsmeekte voor een leven vol arbeid en strijd, welke moeite en vrucht God alleen naar waarde kon beoordelen. Nog nooit heeft hem de Heere afgewezen, als hij als Middelaar voor Israël optrad, zijn stoutste bede: "Laat mij Uw heerlijkheid zien heeft Hij niet onverhoord gelaten (Exodus 33:18); maar het veel geringere, deze betrekkelijk kleine zaak weigert Hij hem; het einde van de tocht is de grenspaal van Mozes' hoop. Nee, hij zal uw poorten niet binnentreden, gij bloeiende palmstad: de poorten van de dood moet hij binnengaan. Maar wij laten ook de stem van het verleden spreken, en dan stamelen wij: "een rechtvaardig gericht!" Wij willen niet eenmaal de zonde herinneren, waardoor Mozes het edelste voorrecht moest missen; wij voegen bij het reeds vroeger gezegde (zie Numeri 20:12) alleen nog dit, dat de schuld na enige weken en maanden misschien voor Mozes en Israël een andere gedaante had gekregen; niet alzo voor Israëls God. Het oordeel over Mozes was voorzeker geen toegeven aan een ogenblikkelijke, onheilige toorn, maar een oordeel van billijkheid, wijsheid en liefde; en wanneer de Heere zich in dit geval had laten verbidden, zo zou dit de schijn kunnen gehad hebben, alsof Hij vroeger te ver gegaan was, toen hij zelfs Mozes en Aäron, als de grootste overtreders veroordeelde. Wij vinden evenwel ook voor Mozes zelf in de weigering van zijn bede een verborgen weldaad gelegen; want zoals menige harde en onaanzienlijke schaal een zoete kern verbergt, zo is het ook met de tuchtigingen van God -zelfs zijn roeden druipen van zegen. Neemt zelf de weegschaal in handen en ziet eens, wat Mozes ontbeert, wat hij daarvoor ontvangt, en wat hij door een en ander wint. Nu ja, hij moet Kanaän ontberen en daarmee-alles? O neen; Kanaän is -hoe kon het anders zijn? -zijn aards ideaal, en idealen winnen zelden door de verwerkelijking ervan; en zelfs het land van de belofte maakt geen uitzondering op die treurige regel, dat begeren van meer waarde is, dan zelfs het gelukkigst bezit. Heeft hij reeds overdacht, welk dagelijks kruis hem te wachten staat, als hij daar in de eerste weken niets zal zien dan bloed en tranen, en later tot de ontdekking zal moeten komen, hoe Israël wel verbeterd is van woonplaats, niet van hart? Mozes, Mozes, gij weet het niet, wat een zielesmart u de Heere bespaarde door dat ogenschijnlijk strenge antwoord: "spreek er Mij niet meer van." Gij hebt reeds genoeg gehad in uw gehele leven, oude man! deze laatste en grootste smart mocht u eens uw hart doen breken. Maar, terwijl God wil, dat hij niet langer over déze zaak zal spreken, gewaagt Hij zelf van een betere, schonere zaak. Mozes moet de hoogste top van het gebergte Pisga bestijgen, en van Kanaän niet alleen zien zoveel het natuurlijk oog ontdekt, maar wat de Heere zijn verhelderde blik zal tonen. En in heilige verrukking ziet hij het dan ook weldra, bewoond, gezegend en gelukkig, zoals hij het nimmer in de werkelijkheid zou gezien hebben, zoals het misschien nooit ten volle geweest is, zoals hij het zich gedroomd had in de schitterendste ogenblikken, als zijn adelaarsgeest de vlerken ontplooide en zich wiegelde boven het veld van de toekomst. O voordelige ruil, dat Kanaän van het aanschouwen voor het Kanaän van de werkelijkheid, waarbij tenslotte alleen de voet een weinig verloren heeft maar het oog en het hart gewonnen hebben; want die beide laatsten zijn nu ten volle verzadigd! Immers, wat wint nu toch wel de man Gods bij datgene, wat hem God in Zijn toorn toedeelt, die toch slechts verborgen genade is? Niet alleen een ogenblik van rein genot, zoals hem de aarde bezwaarlijk zou hebben kunnen geven, maar meer, oneindig veel meer; want hier wordt de laatste hand gelegd aan Mozes' vorming voor een hogere, hemelse werkkring. Vaster dan hij misschien zelf tot nog toe vermoed had, kleeft zijn hart nog aan Kanaän, en dit is natuurlijk billijk en tot zekere hoogte goed; maar zelfs niet eens een Kanaän moet te veel plaats in een hart innemen, waarvoor God alles moet zijn. Tot nog toe waren Kanaän en God, of als gij liever wilt, - omdat wij niet denken aan verdeeldheid van hart-God in Kanaän verheerlijkt: maar nu God alleen, geheel en voor immer, als de Gever van alle gaven, zo nodig zelfs zonder de hoogste aardse gave daarbij. Als gij daarom later bij het afscheid en het naar huis gaan van Mozes, niets zondigs, ja nauwelijks iets aards meer ontdekt, zo is dit de vrucht geweest ook van deze beproeving; want wie kon nu, daar zelfs geen Kanaän het vermag hem te belonen, zijn loon, zijn deel, zijn hoogste goed zijn dan-God? Let op het einde van het wezen van de Heere! Wachten is de bijzondere leerschool, waarin Hij allen leidt, die tot iets groots bestemd zijn. Wanneer evenwel deze school doorlopen is, dan is er dikwijls nog kort voor de dood een grote teleurstelling om-vergeeft ons de uitdrukking-de hoogste klasse te doorlopen; een teleurstelling zoals deze, waarop men wel allerminst gerekend had, waarbij het gehele levensdoel verloren schijnt maar nu valt ook de laatste scheidsmuur tussen God en ons hart in het stof, totdat wij tenslotte op de vraag, of wij nog iets, hoegenaamd, hier beneden begeren, met de stervenden Melanchton niets kunnen antwoorden dan: "Niets dan de hemel.". Mozes op de berg Pisga naar Kanaän heenziende, maar zonder dit te kunnen bereiken, is een juiste vertegenwoordiger van het Verbond, waarvan hij de middelaar was, of veelmeer van allen, die in dat verbond leven; want zij betreden het ware Kanaän niet, maar zien het slechts van verre, om er immer meer naar te verlangen: Mozes op de hoogte van Pisga vertegenwoordigt echter ook datgene, wat het Oude Testament, de Openbaring n het algemeen voortreffelijks heeft, al moet hij zich met een vergezicht vergenoegen, zijn leven is niet doelloos geweest; waar hij moet ophouden, ziet hij een ander optreden, een Jozua, door wie de Heere zich voorbehouden heeft te helpen..
2) Als hier gezegd wordt, dat Mozes het land ziet, dan moet dit opgevat worden in de gewone zin van het woord. Niet in een toestand van verrukking, maar werkelijk met zijn lichamelijke ogen. God heeft zijn blik zo verhelderd, dat hij Kanaän heeft aanschouwd..