Deuteronomium 34:1-4
I. Hier is Mozes opklimmende naar de hemel tot aan de top van Pisga, om daar te sterven, want die plaats was hiervoor aangewezen, Hoofdstuk 32:49, 50. Israël lag toen gekampeerd in de vlakke velden van Moab, en van daar klom hij, volgens het hem gegeven bevel, op naar de berg Nebo, tot het hoogste punt van dat gebergte, hetwelk Pisga genoemd werd, vers 1. Pisga is de gewone naam voor al zulke hoogten. Mozes schijnt alleen naar de top van Pisga te zijn opgeklommen, alleen en zonder hulp, een teken dat zijn lichaamskracht niet was verminderd, daar hij op de laatste dag zijns levens naar de top van een hoge berg kon opklimmen, zonder de ondersteuning te behoeven, die hij eens nodig heeft gehad voor zijn handen, toen zij zwaar waren geworden, Exodus 17:12, alleen, zonder metgezel. Toen hij geëindigd had Israël te zegenen, heeft hij, naar wij kunnen veronderstellen, plechtig afscheid genomen van Jozua en Eleazar en zijn andere vrienden, die hem waarschijnlijk tot aan de voet des bergs hadden vergezeld, maar toen gaf hij hun de last, die Abraham aan zijn jongens gegeven had aan de voet van een anderen berg: Blijft gij hier, terwijl ik daarheen ga en sterf. Zij moeten hem niet zien sterven, omdat zij niet moeten weten waar zijn graf is. Hetzij dit nu zo was of niet, hij klom op naar de top van Pisga:
1. Om te tonen, dat hij bereid was te sterven. Toen hij de plaats van zijn dood kende, heeft hij haar zo weinig vermeden, dat hij goedsmoeds een steile berg heeft beklommen om er te komen. Zij, die door genade wèl bekend zijn met een andere wereld, en er veel gemeenschap mee gehad hebben, behoeven niet bevreesd te zijn om deze wereld te verlaten.
2. Om te tonen dat hij op de dood zag als op zijn hemelvaart. De ziel van een mens, van een Godvruchtig mens, gaat, als zij het lichaam verlaat, opwaarts, Prediker 3:21, in overeenstemming met de beweging van de ziel, zal het lichaam van Mozes er mee opwaarts gaan zover als de aarde het zal dragen. Als Gods dienstknechten van uit de wereld weg worden geroepen, dan luidt het bevel: Ga op en sterf.
II. Mozes weer neerwaarts ziende naar deze aarde, om het aardse Kanaän te zien, dat hij nooit mag binnengaan, maar in dit Kanaän voorwaarts ziende naar het hemelse waar hij nu stond binnen te gaan. God had gedreigd dat hij niet in het bezit zou komen van Kanaän, en de bedreiging is nu vervuld. Maar Hij had ook beloofd dat hij er een gezicht van zou hebben, en de belofte wordt thans verwezenlijkt, de Heere toonde hem al dat goede land, vers 1.
1. Hij ging alleen naar de top van Pisga, maar toch was hij niet alleen, want de Vader was met hem, Johannes 16:32. Als iemand vrienden heeft, dan zal hij die om zich heen hebben als hij ligt te sterven. Maar als het, hetzij door Gods voorzienigheid of door hun onvriendelijkheid, gebeurt dat wij dan alleen zijn, zo behoeven wij geen kwaad te vrezen, indien de grote en goede Herder met ons is, Psalm 23:4.
2. Hoewel zijn gezichtsvermogen zeer goed was, en hij al het voordeel had van een hogen grond, dat hij voor het uitzicht kon wensen zou hij toch niet hebben kunnen zien wat hij nu zag, geheel Kanaän, van het een uiteinde tot het andere (berekend op ruim vijftig uren) en van de ene zijde naar de andere zijde, (geschat op ongeveer achttien uren) indien zijn gezichtsvermogen niet wonderbaarlijk ondersteund en verruimd was en daarom wordt gezegd: De Heere wees het hem. Al de lieflijke uitzichten, die wij hebben op het betere land, zijn wij verschuldigd aan Gods genade, Hij is het, die de Geest van de wijsheid geeft, zowel als de Geest van de openbaring, het oog, zowel als het voorwerp. Dit gezicht dat God hier aan Mozes gaf op Kanaän, heeft de duivel waarschijnlijk gepoogd na te bootsen met de pretentie van het nog te overtreffen toen hij in een luchtverschijnsel onze Heiland die hij, evenals Mozes, op een zeer hoge berg had gesteld, al de koninkrijken van de wereld toonde, met al hun heerlijkheid, niet trapsgewijze, zoals hier, eerst een land en dan een ander, maar allen in een ogenblik tijd.
3. Hij zag het van verre: zo'n gezicht hadden de Oud Testamentische heiligen op het koninkrijk van de Messias, zij hebben het van verre gezien. Zo heeft Abraham lang voor dit tijdstip de dag van Christus gezien, en de belofte niet verkregen hebbende, haar in het geloof omhelsd, zie Hebreeën 11:13. Zulk een gezicht hebben de gelovigen thans door genade op de zaligheid en heerlijkheid van hun toekomende staat. Het woord en de inzettingen zijn voor hen wat de berg Pisga voor Mozes geweest is, daaruit hebben zij een troostrijk gezicht op de heerlijkheid, die nog geopenbaard moet worden en zij verblijden zich in de hope er op.
4. Hij zag het, maar moet er nooit het genot van hebben. Gelijk God soms Zijn kinderen wegneemt vóór het nakende kwaad, zo neemt Hij hen op andere tijden weg vóór het komende goed, dat is, goed, wat aan de kerk in deze tegenwoordige wereld ten deel valt. Heerlijke dingen worden gesproken van Christus' koninkrijk in de latere dagen, van zijn toeneming en bloei, wij voorzien het, maar zullen waarschijnlijk niet lang genoeg leven om het te aanschouwen. Zij, die na ons zullen komen, zullen, hopen wij, dat beloofde land binnen gaan, hetgeen ons een troost is, als wij onze dode lichamen zien vallen in de woestijn van deze wereld. Zie 2 Koningen 7:2.
5. Hij zag dit alles even vóór zijn dood. Soms bewaart God de heerlijkste ontdekkingen van Zijn genade voor Zijn volk om hun ten steun te zijn in het ogenblik van sterven. Kanaän was Immanuëls land, Jesaja 8:8, zodat hij in de beschouwing er van het gezicht had op de zegeningen, die wij genieten door Christus. Het was een type van de hemel, Hebreeën 11:16, waarvan het geloof de vaste grond en het bewijs is. Zij, die sterven in het geloof van Christus en in de hope op de hemel, en met Kanaän voor hun ogen kunnen goedsmoeds deze wereld verlaten. Aldus de zaligheid Gods gezien hebbende, kunnen wij wèl zeggen: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede.