Deuteronomium 33:22-25
I. Hier is de zegen van Dan, vers 22. Jakob had hem in zijn zegen vergeleken bij een slang in list, Mozes vergelijkt hem bij een leeuw wegens moed en vastberadenheid, en wat zou kunnen bestaan voor hen, die het hoofd van een slang en het hart van een leeuw hebben? Hij wordt vergeleken bij de leeuwen, die voort springen uit Basan, een berg, bekend om de woeste leeuwen, die er uit voortsprongen op hun prooi in de vlakten. Dit kan betrekking hebben, hetzij:
1. Op de bijzondere overwinningen, behaald door Simson (die van deze stam was) op de Filistijnen: De Geest des Heeren begon hem bijwijlen te drijven in het leger van Dan, toen hij nog zeer jong was, als een leeuwenwelp, zodat hij in zijn aanvallen op de Filistijnen hen verraste en overweldigde door zijn kracht, zoals een leeuw zijn prooi, en een van zijn eerste heldendaden was het verscheuren van een leeuw. Of:
2. Op een meer algemene krijgsverrichting van die stam, toen een bende van Danieten op het bericht, dat hun gebracht werd, van de gerustheid en zorgeloosheid van Laïs, dat in een deel van Kanaän lag, het verst van hen verwijderd, die plaats bij verrassing innam. Zie Richteren 18:27. En daar de bergen van Basan niet ver van die stad waren, hebben zij waarschijnlijk van daar hun aanval er op gedaan, weshalve zij gezegd worden voort gesprongen te zijn van Basan.
II. De zegen van Nafthali, vers 23. Hij ziet op die stam met verwondering en juicht hem toe. "O Nafthali gij zijt gelukkig, gij zult dit zijn, moogt gij het altijd zijn!" Er zijn drie dingen, die het geluk uitmaken van deze stam.
1. Wees verzadigd van de goedgunstigheid. Sommigen verstaan dit van de goedgunstigheid van mensen, hun goede wil en hun goed woord. Jakob had deze stam beschreven als in het algemeen bestaande uit hoffelijke, welwillende mensen, gevende schone woorden als de lieflijke hinde, Genesis 49:21. Wat nu zullen zij hierdoor verkrijgen? Mozes zegt hun hier dat zij zullen delen in de genegenheid hunner naburen en verzadigd zijn van goedgunstigheid. Zij, die beminnen, zullen bemind worden. Maar anderen verstaan het van de gunst van God, en met reden, want deze alleen is de gunst, die de ziel verzadigt en ware blijdschap geeft in het hart. Diegenen zijn in waarheid gelukkig, die de gunst van God hebben, en diegenen zullen haar hebben, die er hun voldoening in vinden en achten dat zij, die hebbende, genoeg hebben en niets meer begeren.
2. Wees vol van de zegen des Heeren, dat is, niet slechts van de goede dingen, die de vruchten zijn van de zegen, koren en wijn en olie, maar van de zegen zelf dat is: van de genade Gods, overeenkomstig Zijn belofte en Zijn verbond. Zij, die deze zegen hebben kunnen zich wèl als vol beschouwen, zij hebben niets anders nodig om hen gelukkig te maken. Het erfdeel van de stam van Nafthali, zeggen de Joden, was zó vruchtbaar, en hoewel noordelijk gelegen, waren de voortbrengselen zó vroeg rijp, dat zij, die van die stam waren, meestal de eersten zijn geweest, die de eerstelingen van de vruchten in de tempel brachten, en zo hadden zij dan de eerste zegen van de priester, die de zegen des Heeren was." Kapernaum, waar Christus voornamelijk gewoond heeft, lag in die stam."
3. Bezit erfelijk de zee en het zuiden, zoals de tekst gelezen kan worden, dat is: van die zee, welke ten zuiden van uw erfdeel zal liggen, dat was de zee van Galilea, waarvan wij zo dikwijls lezen in de Evangeliën, vlak ten noorden waarvan het erfdeel van die stam was gelegen, en die van zoveel nut en voordeel was voor deze stam, getuige de rijkdom van Kapernaum en Bethsaïda, die in het grondgebied van die stam en aan de kust dier zee waren gelegen. Zie hoe Mozes in deze zegeningen door de geest van de profetie werd gedreven, want vóór nog het lot in de schoot was geworpen, voorzag en voorzeide hij hoe het beleid er van zijn zou.
III. De zegen van Aser, vers 24, 25. Hij bidt om en profeteert vier dingen voor deze stam, die een gezegend zijn in zijn naam draagt, want Lea noemde de vader er van Aser, zeggende: Tot mijn geluk, Genesis 30:13.
1. De toeneming van hun aantal. Zij zien nu een talrijke stam, Numeri 26:47. Hij zij het nog meer: Aser zij gezegend met zonen. Kinderen, inzonderheid kinderen des verbonds, zijn een zegen, geen last.
2. Zijn aanzien onder zijn naburen, hij zij zijn broederen aangenaam. Het is zeer begerenswaardig om de gunst en liefde te hebben van hen in wier midden wij wonen, daarom moeten wij bidden tot God, die alle harten in Zijn hand heeft, en wij moeten er naar streven om ze te verkrijgen door zachtmoedigheid en een bereidwilligheid om, naar ons vermogen en naar dat wij er de gelegenheid toe hebben, goed te doen aan alle mensen.
3. De rijkdom van hun land.
a. Boven de grond: hij dope zijn voet in olie, dat is: "Hij moge zo'n overvloed er van hebben in zijn erfdeel, dat hij er niet slechts zijn hoofd mee kan zalven, maar, zo hem dat behaagt, er zijn voeten in kan wassen", dat gewoonlijk niet gedaan werd, maar toch bevinden wij dat onze gezegende Zaligmaker Zijn broeders zo aangenaam was, dat Zijn voeten met de kostbaarste zalf werden gezalfd. Lukas 7:46.
b. Onder de grond. IJzer en koper zal onder uw schoen zijn, dat is: Gij zult grote overvloed hebben van deze metalen (mijnen er van) in uw eigen grond, die door een buitengewone zegen rijk zal zijn aan de oppervlakte en in het binnenste, of, indien zij ze niet hadden als de voortbrengselen van hun eigen land, dan zullen zij van het buitenland ingevoerd worden, want het erfdeel van deze stam lag aan de zeekust. De Chaldeeuwse paraphrasten verstaan het in overdrachtelijken zin: "Gij zult sterk en glansrijk zijn als ijzer en koper."
4. Het voortduren van hun macht en kracht Uw sterkte gelijk uw dagen. Velen omschrijven dit aldus: "De kracht van uw ouderdom zal wezen als die uwer jeugd, gij zult geen afneming bespeuren, maar zult uw jeugd vernienwen, alsof niet slechts uw schoenen maar uw gebeente van ijzer en koper waren." De dag wordt in de Schrift dikwijls genomen voor de gebeurtenissen van de dag, en dit hier alzo opvattende, is het een belofte, dat God hen genadiglijk zal ondersteunen onder hun benauwdheden en beproevingen, waarin die dan ook mogen bestaan. En zo is het een belofte aan al het geestelijk zaad van Abraham, dat God in Zijn wijsheid hun genade en vertroosting evenredig zal doen zijn aan de dienst en het lijden, waartoe Hij hen roept. Is hun werk aangewezen? Zij zullen de kracht hebben om het te doen. Worden hun lasten opgelegd? Zij zullen de kracht hebben om ze te dragen en nooit verzocht zijn boven hetgeen zij vermogen. Hij is getrouw, die aldus beloofd heeft en ons op die belofte heeft doen hopen.