Deuteronomium 33:8-11
Mozes is uitvoerig in de zegen over de stam van Levi, niet zozeer omdat het zijn eigen stam was (want daarvan maakt hij geen gewag) als wel omdat het Gods stam was. De zegen van Levi heeft betrekking:
I. Op de hogepriester, hier Gods heilige genoemd, vers 8, omdat zijn ambt heilig was, ten teken waarvan Heiligheid des Heeren op de gouden plaat geschreven was, die hij op het voorhoofd droeg.
1. Hij schijnt te erkennen dat God Aäron en zijn zaad rechtvaardig uit dit ambt had kunnen ontzetten vanwege zijn zonde te Meriba Numeri 20:12. Zo wordt dit door velen verstaan. Mij schijnt het eerder waarschijnlijk toe dat hij integendeel bij God pleit op de ijver en de getrouwheid van Aäron en zijn stoutmoedigheid in het stuiten van de stroom van de murmureringen van het volk bij het andere Meriba, Exodus 17:7, hetgeen zeer merkwaardig zou kunnen zijn, en waarop God het oog zou kunnen gehad hebben, toen Hij hem het priesterschap verleende, hoewel er daar geen melding van wordt gemaakt. Al de Chaldeeuwse paraphrasten komen overeen, dat het een beproeving was, waarin hij volkomen en getrouw werd bevonden, en de beproeving heeft doorstaan, en dat het dus niet Numeri 20:12 is, dat bedoeld wordt.
2. Hij bidt dat het ambt van hogepriester blijvend zal zijn, Laat Uw tummim en urim met hem zijn. Zij werden hem voor een uitnemende dienst geschonken, zoals blijkt uit Maleachi 2:5. "Heere, laat die hem nooit ontnomen worden". Niettegenstaande deze zegen zijn de urim en de tummim verloren gegaan in de gevangenschap, en nooit hersteld in de tweede tempel, maar het heeft zijn volkomen vervulling in Jezus Christus, Gods Heilige, en onze groten Hogepriester, van wie Aäron een type was. Bij Hem, die van eeuwigheid af in de schoot des Vaders was, zullen de urim en de tummim blijven, want Hij is de Wonderlijke, de eeuwige Raad. Sommigen vertalen hier tummim en urim als gewone zelfstandige naamwoorden, te meer omdat hier, en hier alleen, de gewone orde in de samenvoeging omgekeerd is. Tummim betekent oprechtheid, en urim verlichting, laat deze met Uwen heilige zijn, dat is: "Heere, laat de hogepriester altijd beide een oprecht man en een verstandig man zijn." Een goed gebed om voor de bedienaren van het Evangelie op te zenden, dat zij een helder hoofd en een eerlijk hart zullen hebben, licht en oprechtheid maken de volkomen Evangeliedienaar.
II. Op de mindere priesters en Levieten, vers 9-11.
1. Hij prijst de ijver voor God van deze stam, toen zij zich aan de zijde van Mozes schaarden (en dus aan de zijde Gods) tegen de aanbidders van het gouden kalf, Exodus 32:26 en verv, en gebruikt zijnde om de aanvoerders in deze goddeloosheid te doden, hebben zij dit met onpartijdigheid gedaan, de beste vrienden, die zij hadden in de wereld en die hun even dierbaar waren als hun naaste bloedverwanten, hebben zij niet gespaard, als zij afgodendienaars waren. Onze liefde voor God en Zijn eer moet altijd de overhand hebben over onze liefde tot elk schepsel, hoe ook genaamd. En aan hen, die niet slechte zichzelf rein houden van de heersende ongerechtigheid van de tijden en plaatsen, waarin zij leven maar ook, naar dat zij er toe instaat zijn, er tegen getuigen, en staan voor God tegen de boosdoeners, zal een bijzonder teken van eer gegeven worden. Wellicht had Mozes het oog op de kinderen Korachs, die geweigerd hebben zich met hun vader te verenigen in zijn tegenspreking, Numeri 26:11, ook op Pinehas, die gericht oefende, zodat de plaag werd opgehouden. En het ambt, dat hen tot voortdurend dienen aan het altaar verplichtte, tenminste als het hun beurt van dienen was, legde hen onder de noodzakelijkheid van dikwijls afwezig te zijn van hun gezin, waarvoor zij dus niet zo goed konden zorgen en voorzien als andere Israëlieten. Dit was een gedurige zelfverloochening, waaraan zij zich onderwierpen, teneinde Gods woord waar te nemen en het verbond des priesterschaps te bewaren. Zij, die geroepen zijn om in het heilige te dienen moeten los zijn van de banden en belangen die hun het dierbaarst zijn in deze wereld, en het volbrengen van hun dienstwerk stellen boven het dienen of behagen van hun beste vrienden Handelingen 21:13-20, 24. Onze Heere Jezus kende Zijn moeder en broeders niet, toen zij Hem van Zijn werk wilden afhouden Mattheus 12:48.
2. Hij bevestigt de aanstelling van deze stam om de heilige dingen te bedienen, die de beloning was van hun ijver en trouw, vers 10.
a.Zij meesten met het volk handelen voor God. Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet, beide als predikers in hun Godsdienstige bijeenkomsten, de wet lezende en verklarende, Nehemia 8:7, 8,, en als rechters moeilijke en twijfelachtige gevallen beslissende die tot hen gebracht werden, 2 Kronieken 17:8,9. De lippen van de priesters bewaarden deze wetenschap ten gebruike van het volk, dat uit hun mond de wet moest zoeken, Maleachi 2:7. Zelfs Haggai, een profeet, raadpleegde de priesters in een gewetenszaak, Haggai 2:11 en verv. De prediking is nodig niet slechts voor het eerste planten van de kerk, maar ook voor de bewaring en opbouwing van de kerken als zij geplant zijn. Zie Ezechiël 44:23, 24.
b. Zij moeten met God handelen voor het volk, door reukwerk te branden tot lof en eer van God, en offeranden te offeren, om verzoening te doen voor de zonde en de gunst van God te verkrijgen. Dat was het werk van de priesters, maar de Levieten waren er bij behulpzaam. Zij, die het nut en voordeel wilden hebben van hun reukwerk en hun offeranden, moesten getrouw hun onderricht waarnemen.
3. Hij bidt voor hen, vers 11. a. Dat God hun vermogen, hun bezittingen zou zegenen, en hetgeen hun toegewezen was voor hun onderhoud aangenaam voor hen zou maken. Zegen, Heere, zijn vermogen. Er was een overvloedige voorziening voor hen gemaakt, en zij kwam gemakkelijk tot hen, en toch konden zij er geen genot en blijdschap in vinden, tenzij God haar voor hen zegende, en daar God zelf hun deel was, kon een bijzondere zegen op hun deel verwacht worden. Sommigen lezen de volzin aldus: "Zegen, Heere, hun deugd. Heere, vermenigvuldig Uw genade in hen, en maak hen al meer en meer bekwaam voor hun werk."
b. Dat Hij hen zou aannemen in hun dienst. "Laat U het werk van zijn handen bevallen, beide voor hemzelf en voor het volk voor hetwelk hij dient." Gode welbehaaglijk te zijn, dat is hetgeen wij allen moeten bedoelen, waarnaar wij moeten streven in al onze Godsdienstige verrichtingen, hetzij wij dan al of niet welbehaaglijk zijn aan mensen, 2 Corinthiërs 5:9, en het is de kostelijkste zegen, die wij kunnen begeren, hetzij voor onszelf of voor anderen.
c. Dat Hij het voor hem zal opnemen tegen zijn vijanden, versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten. Hij onderstelt dat Gods dienstknechten vele vijanden zullen hebben, sommigen zullen hen haten om hun getrouwheid, en zullen pogen hun kwaad te berokkenen, anderen zullen afgunstig zijn op hun inkomen, en heiligschennend tractaten er hen van te beroven, anderen zullen hen tegenstaan in de uitoefening van hun ambt, en zich niet onderwerpen aan de uitspraak van de priesters, en sommigen zullen het ambt zelf willen vernietigen. Nu bidt hij dat God el zulke pogingen zal doen mislukken, en het kwaad op de hoofden van de werkers er van zal doen wederkeren. Dit gebed is een profetie, dat God gewis zal afrekenen met hen, die de vijanden zijn van Zijn dienstknechten, en tot aan het einde des tijds de bediening van de Godsdienst in Zijn kerk zal in stand houden, in weerwil van alles wat de poorten van de hel tegen haar beramen. Saul verhief zich tegen de priesters des Heeren, 1 Samuël 22:18 en dat heeft de maat van zijn zonde vol doen worden.