Deuteronomium 22:13-30
Deze wetten raken het zevende gebod, door een strafverordening de vleselijke lusten beteugelende, die strijd voeren tegen de ziel.
I. Indien een man, lust krijgende naar een andere vrouw, zijn eigen vrouw belastert teneinde van haar ontslagen te komen, haar valselijk beschuldigt de maagdom aan haar niet gevonden te hebben, toen hij tot haar naderde, dan moet hij, als zijn laster bewezen wordt laster te zijn, gestraft worden, vers 13-19. Waarin het bewijs bestond, dat de beschuldiging van de echtgenoot vals was, daarover zijn de geleerden het niet eens, en het is ook volstrekt niet nodig er een onderzoek naar in te stellen, zij, voor wie deze wet bestemd was, hebben haar ongetwijfeld begrepen, ons is het genoeg te weten dat deze slechte echtgenoot, die aldus gepoogd had de goeden naam van zijn eigen vrouw te gronde te richten, gegeseld en beboet moest worden, en er van buitengesloten werd om ooit aan de vrouw, die hij aldus mishandeld had, een scheidbrief te geven, vers 18, 19. Toen hij mishagen in haar kreeg, zou hij haar, zo hij gewild had, een scheidbrief hebben kunnen geven, de wet liet hem zulks toe, Hoofdstuk 24:1. Maar dan moest hij haar haar huwelijksgoed geven, zo hij nu echter, om dit goed voor zich te behouden en haar nog te kwaad te doen, haar goede naam rooft, dan was het recht dat hij er streng voor gestraft zou worden, en voor altijd de vergunning verbeurde om haar een scheidbrief te geven.
Merk op:
1. Hoe nader iemand tot ons staat, hoe groter zonde het is hem te belasteren en zijn goede naam te bekladden. Er wordt van gesproken als van een misdaad van de ergste soort, als iemand zijn broeder, de zoon van zijn moeder, belastert, Psalm 50:20, die u het naast is, veel meer nog om uw eigen vrouw of uw eigen man te belasteren, dat is uzelf. Het is voorwaar wel een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt.
2. Kuisheid is eer, zowel als deugd, en hetgeen aanleiding geeft om haar te verdenken, is een even grote smaad en schande, als wat het ook zij, daarom moeten wij in deze zaak, meer dan in wat het ook zij, zeer teergevoelig zijn omtrent onze eigen en de goede naam van een ander.
3. Op ouders rust de plicht om voor de goede naam van hun kinderen op te komen want daarin is ook hun eigen goede naam gemoeid.
II. Indien de vrouw, die als maagd gehuwd werd, bevonden werd er geen te zijn, dan moest zij aan de deur haars vaders gestenigd worden dat zij stierf, vers 20, 21. Indien de ontucht gepleegd was voordat zij was verloofd, dan zou daar de doodstraf niet op gestaan hebben, maar zij moest sterven wegens het bedrog, dat zij gepleegd heeft aan hem, die haar heeft gehuwd, daar zij zich wel bewust was verontreinigd te zijn, terwijl zij hem liet geloven dat zij een kuise en zedige vrouw was. Maar sommigen denken dat haar onkuisheid met de dood gestraft werd, alleen in geval dat zij bedreven was na haar verloving in de veronderstelling dat weinigen tot rijpheid waren gekomen of zij waren reeds verloofd hoewel nog niet gehuwd.
1. Dit was een krachtige waarschuwing aan jonge vrouwen om zich van hoererij te onthouden, daar zij, hoe ook verborgen gehouden vóór het huwelijk, teneinde dit niet in de weg te staan, toch na het huwelijk voorzeker ontdekt zal worden tot haar eeuwige schande en verderf. 2. Aan ouders wordt hiermede te kennen gegeven, dat zij door alle mogelijke middelen de kuisheid van hun kinderen moeten bewaren, door hun goede raad te geven en te vermanen hun een goed voorbeeld te geven, hen van kwaad gezelschap terug te houden, voor hen te bidden en hen onder noodzakelijk bedwang te houder, want als de kinderen ontucht pleegden moesten de ouders de smart en de schande hebben, om ze aan hun eigen deur te zien ter dood brengen. Die uitdrukking: zij heeft een dwaasheid in Israël gedaan, werd gebruikt voor diezelfde misdaad in de zaak van Dina, Genesis 34:7. Alle zonde is dwaasheid, inzonderheid ontucht, maar bovenal ontucht in Israël, naar belijdenis een heilig volk.
III. Als een man, ongehuwd of gehuwd, bij een getrouwde vrouw gelegen zal hebben, dan moesten zij beide ter dood gebracht worden, vers 22. Deze wet hadden wij tevoren in Leviticus 20:10. Als een gehuwd man bij een ongehuwde vrouw heeft gelegen, dan was de misdaad niet zo zwaar en werd ook niet met de dood gestraft, omdat er geen onechte kinderen door gebracht werden in gezinnen, onder de naam van wettige kinderen.
IV. Als een jonge dochter verloofd, doch nog niet getrouwd was, dan was zij niet onder het oog van haar toekomstige echtgenoot, en daarom is zij en haar kuisheid onder de bijzondere bescherming van de wet gesteld.
1. Indien haar kuisheid geschonden werd met haar eigen toestemming, dan moesten zij en de man, die overspel met haar bedreven had, gedood worden, vers 23, 24. En men zal het er voor houden dat het met haar toestemming was, indien het geschied was in een stad, of in een plaats waar, indien zij geroepen had, haar spoedig hulp verleend zou zijn om het kwaad te voorkomen. Qui facet, consentire videtur. Zwijgen geeft toestemming te kennen. Men kan vermoeden dat diegenen gewillig toegeven aan de verzoeking, die de middelen en de hulp niet willen gebruiken, welke hun gegeven zouden zijn om haar te vermijden en te overwinnen. Ja, dat zij in de stad gevonden werd, een plaats van allerlei gezelschap en vermaak, wanneer zij onder de bescherming van haars vaders huis had moeten blijven, was een bewijs tegen haar, dat zij niet die vrees had voor de zonde en het gevaar er van, die aan een zedige vrouw betaamt. Zij, die zich onnodig blootstellen aan verzoeking, zullen er rechtvaardiglijk door lijden, eer zij het weten worden zij er door overvallen en gevangen. Dina verloor haar eer door aan haar nieuwsgierigheid toe te geven om de dochters van het land te hezien. Door deze wet was de maagd Maria in gevaar, dat zij openlijk ten voorbeeld gesteld zou worden, dat is, dat zij zou worden gestenigd dat zij stierf, maar God had door een engel aan Jozef de zaak opgehelderd, en zo werd dit gevaar van haar afgewend.
2. Als zij haar toestemming niet had gegeven, maar verkracht was, dan werd hij, die haar onteerd had, ter dood gebracht, maar de jonge dochter moest vrijgesproken werden, vers 25-27. Indien het nu in het veld was geschied, buiten het bereik van het gehoor van vrienden of naburen, dan zal verondersteld worden dat zij geroepen heeft, maar dat er niemand was om haar te helpen of te redden, en daarenboven, haar gaan in het veld, een plaats van eenzaamheid, stelde haar niet zo bloot aan gevaar. Door deze wet nu wordt ons te kennen gegeven:
a. Dat wij alleen lijden zullen om de slechtheid, die wij doen, niet die ons aangedaan wordt. Datgene is ons geen zonde, waar niet in meerdere of mindere mate onze wil in was
b. Dat wij van alle mensen het beste moeten onderstellen, tenzij het tegendeel blijkt, niet slechts de liefde, maar ook de billijkheid eist dit. Hoewel niemand haar hoorde roepen, zal toch omdat niemand haar had kunnen horen, ais zij riep, aangenomen worden dat zij geroepen heeft. Deze regel behoren wij te volgen in het beoordelen van personen en zaken: alle dingen gelovende, alle dingen hopende.
c. Dat onze kuisheid ons zo dierbaar moet zijn als het leven, als die aangerand wordt, dan is het volstrekt niet ongepast om Moord! Moord! te roepen, want gelijk of een man tegen zijn naaste opstond en sloeg hem dood aan het leven, alzo is deze zaak.
d. Zie, bij wijze van toespeling hierop, wat wij te doen hebben, als Satan ons aanvecht met zijn verzoekingen, laat ons, waar wij ook zijn, luid roepen tot de hemel om hulp, (Succurre, Domine, vim patior Help mij, Heere, want mij wordt geweld aangedaan, en wij kunnen er zeker van zijn, dat wij daar gehoord en verhoord zullen worden, zoals ook Paulus verhoord werd met de verzekering: Mijn genade is u genoeg.
V. Indien een jonge dochter, die niet verloofd is, aldus verkracht wordt, dan moet de dader beboet worden, en de boete aan haar vader worden gegeven, en zo deze en de jonge dochter er in bewilligen, dan moet hij haar huwen, en haar nooit een scheidbrief geven, al was zij ook nog zover beneden hem, en al was zij hem later ook nog zo onaangenaam zoals Thamar was aan Amnon, nadat hij haar verkracht had, vers 28, 29. Dit was om mensen terug te houden van zo snode bedrijven, waarvan het een schande is dat wij genoodzaakt zijn er over te lezen en te schrijven.
VI. De wet, die een man verbiedt de weduwe van zijn vader te huwen, of enigerlei onvoegzame gemeenzaamheid te hebben met de vrouw van zijn vader, wordt hier herhaald, vers 30, van Leviticus 18:8. En waarschijnlijk is het bedoeld zoals bisschop Patrick opmerkt als een korte herinnering aan hen, om zorgvuldig alle wetten na te komen tegen bloedschendige huwelijken, dit geval of voorbeeld gespecifieerd zijnde omdat het het verfoeilijkste is van allen. Daarvan zegt de apostel, dat het onder de heidenen niet genoemd wordt, 1 Corinthiërs 5:1.