Deuteronomium 21:10-14
Door deze wet wordt aan een krijgsman toegestaan om, zo hem dit behaagde, zijn gevangene te huwen. Vanwege de hardigheid hunner harten heeft Mozes hun dit toegestaan opdat zij, indien hun die vrijheid niet gegeven werd, om de zodanigen te huwen, de vrijheid niet zouden nemen om zich met haar te verontreinigen, en door zo'n slechtheid zou het leger verontrust worden. Van die man wordt verondersteld dat hij reeds een vrouw heeft, en dat hij deze vrouw als tweede, of ondergeschikte vrouw, zoals de Joden haar noemen, er bij neemt. Dit toegeven aan van de mensen ongeregelde lusten, waarin hun hart hun ogen navolgde, komt geenszins overeen met de wet van Christus, die daarom in dit opzicht onder anderen, de wet van Mozes verre overtreft. Het Evangelie vergunt de man, die een vrouw heeft, niet er een andere bij te nemen, want van de beginne is het alzo niet geweest. Het Evangelie verbiedt een vrouw, al is het ook een schone vrouw, aan te zien om haar te begeren, en gebiedt het doden en verloochenen van alle ongeregelde begeerten al zou dit ook even zwaar en moeilijk zijn ais het afhouwen van een rechterhand, zó wordt door onze heilige Godsdienst, meer dan door die van de Joden, de eer hoog gehouden, en de heerschappij ondersteund van de ziel over het lichaam, van de geest over het vlees, overeenkomstig deszelfs heerlijke openbaring van leven en onsterflijkheid, en van een betere hoop.
Maar hoewel aan krijgslieden deze vrijheid wordt toegestaan, wordt er hier toch voor gezorgd, dat zij er geen misbruik van zullen maken, dat is:
I. Dat zij zichzelf niet zullen misbruiken door het te haastig te doen, al was de gevangene hun ook nog zo begerenswaardig. Als gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u tot vrouw neemt. Het is waar: gij behoeft de toestemming van haar ouders niet te vragen, want zij is uw gevangene en ter uwer beschikking, maar:
1. "Gij zult geen gemeenzame omgang met haar hebben, vóór gij haar gehuwd hebt." Deze vergunning was bedoeld, niet om een vuile beestachtige lust te bevredigen, in de hitte en woede van de rebellie tegen rede en deugd, maar een eerbare, edelmoedige genegenheid voor een schone en beminnelijke vrouw, hoewel zij in droefheid en benauwdheid is, daarom mag hij haar, zo hij wil, tot zijn vrouw maken, maarhij moet niet met haar doen als met een hoer.
2. Gij zult haar niet plotseling huwen, maar haar een volle maand in uw huis houden, vers 12, 13. Dit moet hij doen, hetzij:
a. Om te beproeven zijn genegenheid voor haar te doen ophouden, want hij moet weten dat hij wel geen kwaad doet door haar te huwen, (zo stond toen de wet) maar dat hij veel beter zou doen door het te laten. Laat haar daarom haar hoofd scheren, opdat zijn liefde niet opgewekt worde door haar schone haarlokken, en haar nagels laten wassen (zoals de lezing is in de kanttekening) om de schoonheid van haar handen te ontsieren. Quicquid amas cupias non placuisse nimis. Wij moeten onze genegenheid matigen voor de dingen, die wij in verzoeking zijn al te veel lief te hebben. Of liever:
b. Dit werd gedaan ten teken van haar verzaken van afgoderij, en dat zij een proseliet werd van de Joodse Godsdienst. Het scheren van haar hoofd, het knippen van haar nagels en het veranderen van haar kledij betekenden haar afleggen van haar vorige wandel, die in haar onwetendheid verdorven was, opdat zij een nieuw schepsel zou worden. Zij moet in zijn huis blijven om in de goede kennis des Heeren onderwezen te worden, en in Zijn aanbidding. De Joden zeggen dat, zo zij weigerde en in haar afgoderij bleef volharden, hij haar niet mocht huwen. De belijders van de Godsdienst moeten niet een ander juk aantrekken met de ongelovigen 2 Corinthiërs 6:14.
II. Evenzo wordt er voor gezorgd, dat zij de arme gevangene niet zullen misbruiken.
1. Zij moet tijd hebben om haar vader en haar moeder te bewenen, van wie zij gescheiden was, en zonder wier toestemming en zegen zij nu waarschijnlijk zal huwen, misschien wel een gewone soldaat van Israël, al was zij in haar eigen land ook van edele afkomst en als zodanig opgevoed. Het zou zeer onvriendelijk zijn haar te dwingen om te huwen, voordat die smart gelenigd en zij haar enigermate te boven gekomen is, vóór zij beter bekend is geworden met het land van haar gevangenschap, en daardoor er mee verzoend is. Zij moet niet haar afgoden bewenen, maar blij zijn ze te verzaken, alleen aan de droefheid over haar bloedverwanten, die haar na en dierbaar zijn, mag zlJ aldus toegeven.
2. Indien hij, die haar in zijn huis gebracht heeft met de bedoeling haar te huwen, bij nader bedenken van zijn voornemen afzag, dan mocht hij haar niet verkopen, geen gewin met haar drijven, zoals met zijn andere gevangenen, maar moest haar vrijheid geven om terug te keren naar haar eigen land, zo zij dit wilde, omdat hij haar vernederd en bedroefd heeft, door verwachting bij haar op te wekken, die hij daarna teleurstelde, vers 14. Haar aldus misleid hebbende, moet hij haar niet ook ten prooi maken. Dit duidt aan hoe bindend de wetten zijn van gerechtigheid en eer inzonderheid bij voorgeven van liefde en trouwbeloften, die als plechtige zaken beschouwd moeten worden, waarin iets heiligs is, en waarmee niet gespot en geschertst moet worden.