Bijbelstudie
Boeken
Deuteronomium 1
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
1
DIT
1
zijn de woorden die Mozes tot gans Israël gesproken heeft
2
aan deze zijde der Jordaan, in de woestijn, op het
3
vlakke veld tegenover
4
Suf, tussen
5
Paran en tussen Tofel en Laban en Hazerôth en Di-Zahab.
2
Elf dag
reizen
zijn het van
6
Horeb,
7
door
den weg van het gebergte
8
Seïr, tot aan
9
Kades-Barnéa.
3
En het is geschied in het
10
veertigste jaar, in de
11
elfde maand, op den eerste der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israëls naar alles wat hem de HEERE
12
aan hen bevolen had;
4
a
Nadat hij geslagen had Sihon, den koning der
13
Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, den koning van Basan, dewelke woonde te
14
Astharôth, te Edréï.
5
Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van
15
Moab,
16
hief Mozes aan
17
deze wet uit te leggen, zeggende:
6
De HEERE onze God sprak tot ons aan Horeb, zeggende:
18
Gij zijt
19
lang genoeg bij dezen berg gebleven.
7
Keert u en vertrekt, en gaat in
20
het gebergte
21
der Amorieten en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte en in de laagte, en
22
in het zuiden en aan de haven der zee: het land der Kanaänieten, en den Libanon, tot aan de grote rivier, de rivier
23
Frath.
8
Zie, Ik heb dat land gegeven
24
voor uw aangezicht; gaat daarin en bezit erfelijk het land dat de HEERE uw vaderen,
b
Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
9
En ik
25
sprak terzelfder tijd tot u, zeggende:
c
Ik alleen zal
26
u niet kunnen dragen.
10
De HEERE uw God heeft u vermenigvuldigd, en zie, gij zijt heden
27
als de sterren des hemels in menigte.
11
De HEERE, uwer vaderen God, doe tot u, zoals gij
nu
zijt, duizendmaal meer; en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.
12
Hoe zou ik alleen
28
uw moeite en uw last en uw
29
twistzaken dragen?
13
30
Neemt u wijze mannen en verstandige en
31
ervarene van uw stammen, dat ik hen tot uw
32
hoofden stelle.
14
Toen antwoorddet gij mij, en zeidet: Dit
33
woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen.
15
Zo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden en oversten van honderden en oversten van vijftigen en oversten van tienen en ambtlieden voor uw stammen.
16
En ik gebood uw rechters terzelfder tijd, zeggende:
34
Hoort
de verschillen
tussen uw broederen
d
en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen
35
deszelfs vreemdeling.
17
e
Gij zult het
36
aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den
37
kleine zowel als den
38
grote horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht, want het gericht,
39
dat is Godes; doch de zaak
40
die voor u te
41
zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen en ik zal ze horen.
18
Alzo gebood ik u te dien tijde alle zaken die gij zoudt doen.
19
Toen vertogen wij van Horeb en doorwandelden die ganse grote en vreselijke woestijn die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE onze God ons geboden had; en wij kwamen te Kades-Barnéa.
20
Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de HEERE onze God ons geven zal.
21
Zie, de HEERE uw God heeft dat land gegeven
42
voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet en ontzet u niet.
22
Toen naderdet gij allen tot mij en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons
43
bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen en tot wat steden wij komen zullen.
23
Deze zaak nu
44
was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van
f
elken stam één man.
24
g
Die keerden zich en togen op naar het gebergte en kwamen tot het
45
dal
46
Eskol, en verspiedden datzelve.
25
En zij namen van de
47
vrucht des lands in hun hand en brachten ze tot ons af, en brachten ons bescheid weder en zeiden: Het land dat de HEERE onze God ons geven zal, is goed.
26
h
Doch gij wildet niet optrekken, maar gij waart
48
den mond des HEEREN uws Gods wederspannig.
27
En gij murmureerdet in uw tenten en zeidet:
49
Omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen.
28
Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart
50
doen smelten, zeggende: Het is een volk,
51
groter en langer dan wij; de steden zijn groot en gesterkt tot
52
in den hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der
i
53
Enakieten gezien.
29
Toen zeide ik tot u: Verschrikt niet en vreest niet voor hen.
30
De HEERE uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte,
31
54
En in de woestijn, waar gij gezien hebt dat de HEERE uw God u daarin gedragen heeft,
55
als een man zijn zoon draagt, op al den weg dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.
32
Maar
56
door dit woord
57
geloofdet gij niet aan den HEERE uw God,
33
Die voor uw aangezicht op den weg wandelde,
k
om voor u de plaats uit te zien waar gij zoudt legeren; des nachts in het vuur,
58
opdat Hij u den weg wees waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk.
34
Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig en zwoer, zeggende:
35
Zo iemand van deze mannen,
van
dit kwade geslacht,
l
zal zien dat goede land, hetwelk Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven,
59
36
Behalve
60
Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien en hem zal Ik
61
het land geven waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen;
62
omdat hij volhard heeft den HEERE te volgen.
37
Ook vertoornde Zich de HEERE op mij
63
om uwentwil, zeggende:
m
Gij zult daar ook niet inkomen.
38
Jozua, de zoon van Nun, die
64
voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het
65
Israël doen erven.
39
En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden
66
noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en dien zal Ik het geven en die zullen het erfelijk bezitten.
40
Gij daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, den weg van de
67
Schelfzee.
41
Toen antwoorddet gij en zeidet tot mij: Wij hebben aan den HEERE gezondigd; wij zullen optrekken en strijden, naar alles wat de HEERE onze God ons geboden heeft. Als gij nu een iegelijk zijn
68
krijgsgereedschap aangorddet en
69
willens waart om
70
naar het gebergte henen op te trekken,
42
Zo zeide de HEERE tot mij: Zeg hun: Trekt niet op en strijdt niet, want Ik ben niet in het
71
midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordt.
43
Doch als ik tot u sprak, zo hoordet gij niet, maar waart den mond des HEEREN wederspannig en handeldet
72
trotselijk en toogt op naar het gebergte.
44
Toen
73
togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u gelijk als
74
de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe.
45
Als gij nu wederkwaamt en weendet voor het aangezicht des HEEREN, zo hoorde de HEERE uw stem niet en neigde Zijn oren niet tot u.
46
Alzo bleeft gij in Kades vele dagen,
75
naar de dagen die gij er bleeft.