Deuteronomium 15:19-23
Hier is:
1. Een herhaling van de wet op de eerstelingen van hun vee, die, indien het mannetjes waren, de Heere geheiligd moesten worden vers 19, ter gedachtenis van, en uit erkentelijkheid voor, het sparen van de eerstgeborenen van Israël, toen de eerstgeborenen van de Egyptenaren, beide van mensen en beesten, door de verderfengel werden gedood, Exodus 13:2, 15. Op de achtste dag moesten zij aan God gegeven worden, Exodus 22:30, om verdeeld te worden tussen de priester en het altaar, Numeri 18:17-18.
2. Een bijvoegsel aan die wet ter nadere verklaring er van, hun voorschrijvende wat zij met de eerstelingen moesten doen.
a." Met de wijfjes. Met de eerstgeborene van uw rund als het een wijfje is zult gij niet arbeiden, noch de eerstgeborenen uwer schapen scheren", vers 19. Aldus wordt dit door de geleerden bisschop Patrick opgevat. Hoewel de eerstelingen, als het wijfjes waren, niet zo geheel en al, en niet zo vroeg, namelijk als zij acht dagen oud waren, aan God werden gewijd als de mannetjes, moesten zij door de eigenaars toch niet zo tot hun eigen gebruik aangewend worden als hun ander vee, maar als dankoffers aan God worden geofferd, of gegeten worden bij een Godsdienstige maaltijd aan het einde van het jaar, vers 20. Voor het aangezicht des Heeren uws Gods zult gij ze eten, zoals bevolen is in hoofdstuk 12:18.
b. Maar wat moeten zij doen met die, waaraan een gebrek, een kwaad gebrek, is? vers 21. Hetzij het een mannetje of een wijfje was, het moest niet naar het heiligdom worden gebracht, noch tot offerande, noch tot een heilig feestmaal worden gebruikt, want het zou niet voegzaam zij om er God mee te eren, of een type te zijn van Christus, die een onbestraffelijk en onbevlekt Lam is. Toch moet het niet opgefokt worden maar geslacht en in hun eigen huizen als gewoon voedsel worden gegeten, vers 22. Alleenlijk moeten zij zich wachten om het bloed er van te eten, vers 23. De veelvuldige herhaling van deze waarschuwing geeft te kennen hoe nodig zij was voor het volk, en welk een nadruk God er op gelegd heeft. Welk een voorrecht is het voor ons, dat wij niet onder dit juk zijn! Wij zijn aan geen bepalingen omtrent onze spijzen gebonden, wij maken geen verschil tussen een eerstgeboren kalf of lam en wat er volgt, laat ons daarom de Evangeliebetekenis van deze wet realiseren, onszelf en het eerste van onze tijd en van onze kracht aan God wijden, als een soort van eerstelingen van Zijn schepselen, en alles wat wij hebben en genieten aanwenden tot Zijn lof, en onder het voorschrift van Zijn wet, daar wij het alles hebben door Zijn gave.