Deuteronomium 15:12-18
I. Hier is een herhaling van de wet betreffende Hebreeuwse dienstknechten die, hetzij zichzelf als dienstknechten verkocht hebben, of uit grote armoede door hun ouders verkocht werden, of om het één of andere misdrijf door een gerechtshof verkocht werden. De wet gebood:
1. Dat zij slechts zes jaren mochten dienen en in het zevende vrijgelaten moesten worden vers 12. Vergelijk Exodus 21:2. En zo het jubeljaar inviel voordat zijn tijd om was dan zou hij hierdoor ontslagen worden. Gods Israël was een vrij volk, en moest niet tot altijddurende slavernij gedoemd zijn, en zo is het geestelijk Israël Gods tot vrijheid geroepen.
2. Dat indien zij, als de zes jaren verstreken zijn, geen lust hebben om vrijuit te gaan, maar liever in dienst willen blijven omdat zij wel meer moeite hebben dan hun meesters, maar minder zorg, zij zich dan onder de verplichting brengen om voor altijd, dat is levenslang, te dienen, door zich aan de deurpost het oor te laten doorboren, vers 16, 17,. Vergelijk Exodus 21:6. Indien een man zich hierdoor in de ogen van sommigen onteerde, als iemand die geen recht besef had van eer en geen liefde voor de vrijheid, dan kunnen wij veronderstellen dat hij bij anderen toch de naam kreeg van een man te zijn van een rustige, tevreden, nederige gemoedsaard, naarstig en liefhebbend, en niet staande naar verandering.
II. Hier is nog een bijvoegsel aan deze wet, waarbij bevolen wordt, dat zij hun dienstknechten enige have moeten geven, opdat zij voor zichzelf zaken kunnen beginnen, nadat zij uit hun dienst zijn weggezonden, vers 13, 14. Men kon veronderstellen dat zij zelf niets bezaten, en dat hun vrienden hun weinig of niets konden geven, want anders zouden zij wel gelost zijn, eer zij door de wet werden ontslagen. Zij ontvingen geen loon voor hun diensten, en alles wat zij door hun arbeid verkregen, behoorde hun meester, zodat hun vrijheid hun weinig zou baten, terwijl zij niets hadden om er het leven mee te beginnen. Daarom wordt hier geboden dat zij mild voorzien moeten worden van koren en vee: er is geen bepaalde hoeveelheid voorgeschreven dat wordt aan des meesters grootmoedigheid overgelaten, die waarschijnlijk de verdienste van de dienstknecht en behoefte in aanmerking zal nemen. Maar de Joodse schrijvers zeggen: "Minder dan de waarde van dertig zilveren sikkels kon hij niet geven, maar wel zoveel meer als hem goeddacht." Aan de dienstmaagden werd, als zij in haar dienst wensten te blijven, het oor niet doorboord, maar als zij vrij uitgingen, dan-moest ook haar een vrijwillige gift worden geschonken, want daarop zien de woorden in vers 17 :aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.
De redenen hiervoor zijn ontleend aan de wet van de dankbaarheid. Zij moeten dit doen:
1. Uit dankbaarheid aan God, die niet alleen hen uitgevoerd heeft uit Egypte, vers 15, maar hen heeft uitgevoerd, grotelijks verrijkt met de roof van de Egyptenaren. Laat hen hun dienstknechten niet leeg wegzenden want zij zijn ook zelf niet leeg uit het diensthuis weggezonden. Gods tedere zorg over ons en goedheid jegens ons verplichten ons zorgzaam en vriendelijk te zijn voor hen die afhankelijk van ons zijn. Aldus moeten wij vergelden naar de weldaad, die ons bewezen is.
2. Uit dankbaarheid aan hun dienstknechten vers 18. "Het zal niet hard zijn in uw ogen om hem iets uit uw overvloed te geven, want als een dubbelloops dagloner heeft hij u gediend. De dagen van de huurling waren op zijn meest drie jaren, Jesaja 16:14, maar hij heeft u zes jaren gediend, en dat wel zonder loon." Meesters en landheren moeten bedenken, hoe nodig zij hun dienstknechten of pachters hebben, en welk voordeel zij hun opleveren, zij behoren dus niet alleen rechtvaardig maar ook vriendelijk voor hen te wezen. Aan deze redenen wordt nog, zoals tevoren in dit hoofdstuk bijgevoegd: zo zal u de Heere, uw God, zegenen vers 4, 6, 10,. Wij kunnen zegen verwachten over ons huisgezin en die zegen is de bron en oorzaak van voorspoed in ons gezin als wij er een gewetenszaak van maken om er de plichten van te vervullen.