2 Samuël 6:20-23
David, de vergadering heengezonden hebbende met een zegen, kwam weer om zijn huis te zegenen, vers 20, dat is: om met en voor zijn gezin te bidden, en met zijn gezin dankzegging te doen aan God voor die nationale zegen. Leraren moeten niet denken dat hun openbare dienst hen vrijstelt van de huisgodsdienst te leiden, maar als zij door hun onderricht en gebed de plechtige bijeenkomst hebben gezegend, dan moeten zij wederkeren om evenzo hun gezin te zegenen, waarover hun in bijzondere zin de zorg is opgedragen. Hoewel David profeten en priesters en Levieten om zich heen had om de huisgodsdienst bij hem te leiden heeft hij hun dit werk toch niet opgelegd, maar zelf zijn huis gezegend Het is engelenwerk God te aanbidden, en dus kan het ook voor de voornaamsten en aanzienlijksten van de mensen geen verkleining wezen.
Nooit is David met zoveel genoegen en voldoening naar zijn huis teruggekeerd, als nu hij de ark in zijn nabijheid had, en toch is zelfs die blijde dag niet zonder onrust en misnoegen voorbijgegaan, dat veroorzaakt werd door de hoogmoed en de gemelijkheid van zijn vrouw. Ook de paleizen van vorsten zijn niet vrij van huiselijk ongenoegen. David had de gehele menigte Israëls genoegen gedaan, maar aan Michal behaagde zijn huppelen voor de ark niet, dieswege heeft zij hem, toen hij nog op een afstand was, veracht, en toen hij tehuis kwam ging zij hem bekijven. Zij was niet misnoegd wegens zijn milddadigheid voor het volk, ook misgunde zij hun het onthaal niet, dat hij hun gaf, maar zij dacht dat hij zich al te veel verlaagd had door voor de ark te huppelen. Het was niet haar geldgierigheid, maar haar hoogmoed, die haar kwelde en gemelijk maakte.
I. Toen zij David op straat zag, huppelende voor het aangezicht des Heren, verachtte zij hem in haar hart, vers 16. Zijn buitengewone ijver voor de ark Gods en de vervoering van vreugde, waarin hij was toen zij tot hem kwam, vond zij dwaas, onvoegzaam voor zo'n vermaard krijgsman, zo'n groot staatsman en monarch, als hij was. Het zou volstaan hebben zo hij de vroomheid van anderen had aangemoedigd, maar zij achtte dat het beneden zijn waardigheid was om zelf zo vroom en Godsdienstig te zijn. "Hoe dwaas stelt mijn echtgenoot zich aan!" dacht zij. "Hoe verzot is hij op deze ark, die evengoed had kunnen blijven waar zij nu al zoveel jaren geweest is! Zo veel vroomheid heeft hem schier waanzinnig gemaakt." De oefeningen van de Godsvrucht schijnen iets zeer laags te zijn in de ogen van hen, die zelf geen of weinig Godsdienst hebben.
II. Toen hij in de beste stemming tehuis kwam, begon zij hem verwijtingen te doen, en was zij zo vervuld van minachting en verontwaardiging, dat zij zich niet kon inhouden tot zij met hem alleen was, maar hem met haar verwijtingen tegemoetging.
Merk op:
1. Hoe zij hem beschimpte, vers 20. "Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt! Welk een groots aanzien hadt gij heden temidden van het gepeupel, hoe onwaardig uw rang en hoedanigheid!" Haar minachting van hem en zijn vroomheid begon in het hart, maar uit de overvloed des harten sprak de mond. Wat haar mishaagde was zijn liefde voor de ark, zij wenste dat die liefde niet sterker zou wezen dan die welke zij er zelf voor koesterde, maar laaghartig stelt zij zijn huppelen voor de ark voor als onkies en wulps en terwijl zij er in werkelijkheid misnoegd om was, omdat zij het beneden zijn waardigheid vond, gaf zij voor dat het haar mishaagde als een vlek op zijn deugd, dat hij zich ontbloot had voor de ogen van de dienstmaagden, zoals niemand anders gedaan zou hebben, die ene van de ijdele lieden, die zich onbeschaamdelijk ontbloot. Wij hebben geen reden om te denken dat dit waar was, David heeft ongetwijfeld de betamelijkheid in acht genomen, maar het is iets geheel gewoons dat zij, die de Godsdienst smaden, hem aldus in een vals licht plaatsen, hem in de hatelijkste kleuren schilderen. Iemand om zijn vrome ijver aldus uit te schelden zou zeer goddeloos zijn geweest, maar haar echtgenoot aldus uit te schelden, die zij behoorde te eerbiedigen en wiens wijsheid en deugd door de kwaadwilligheid zelf niet aangetast konden worden, haar echtgenoot, die zoveel genegenheid voor haar getoond heeft, dat hij de kroon niet wilde aannemen indien zij hem niet teruggegeven werd, Hoofdstuk 3:13, dat was al heel slecht en goddeloos, en toonde dat zij meer Sauls dochter dan Davids huisvrouw of Jonathans zuster was.
2. Hoe hij op haar verwijt antwoordde. Hij verweet haar niet dat zij hem trouweloos verlaten had om zich aan een vreemde man over te geven. Dat had hij vergeven en dus ook vergeten, hoewel zijn eigen geweten hem bij die gelegenheid wel zijn dwaasheid kan verweten hebben in haar weer tot zich te nemen (want daarvan wordt gezegd dat het het land ontheiligt, Jeremia 3 maar hij rechtvaardigt zich in hetgeen hij gedaan heeft.
A. Hij heeft er de eer Gods mee bedoeld, vers 21. Het was voor het aangezicht des Heren en met het oog op Hem. Welke hatelijke uitlegging het haar geliefde er aan te geven, hij had het getuigenis van zijn geweten voor zich, dat hij in oprechtheid de eer Gods bedoeld heeft, van Hem voor wie hij nooit genoeg doen kon. Hier herinnert hij haar aan het terzijde stellen van haars vaders huis, om voor hem plaats te maken op de troon, opdat zij zichzelve niet het meest bevoegd zou achten om te oordelen over hetgeen betamelijk is: "God heeft mij verkoren voor uw vader en voor zijn gehele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk des Heren, over Israël en nu ben ik de fontein van de eer, en zo de uitdrukking van een warme toewijding aan God aan het hof uws vaders als gering en laag en onfatsoenlijk beschouwd werd, zal ik toch spelen voor het aangezicht des Heren, en zo zal ik haar dan weer in ere brengen. En zo dit gering is, zal ik mij nog geringer houden dan alzo, vers 22. Wij moeten schromen de Godsvrucht van anderen te veroordelen, al komt zij ook niet overeen met onze gevoelens, want voorzoveel wij weten kan het hart er oprecht in zijn, en wie zijn wij, dat wij diegenen zouden verachten, die God aangenomen heeft? Als wij Gode behagen in hetgeen wij doen in de Godsdienst, daar wij het doen voor het aangezicht des Heren, dan behoeven wij aan de afkeuring van de mensen geen waarde te hechten. Als wij recht zijn in Gods ogen, dan doet het er niet toe dat wij gering zijn in de ogen van de wereld. Hoe meer wij gesmaad worden voor weldoen, hoe vastberadener wij er mee moeten voortgaan, en aan onze Godsdienst des te meer vasthouden, en er ons te inniger aan te verbinden, naarmate Satans werktuigen meer pogingen in het werk stellen om er ons in te doen wankelen, en er ons van weg te schamen. Ik zal mij nog geringer houden dan alzo.
B. Hij bedoelde er mee zich te verootmoedigen, "ik zal nederig zijn in mijn ogen, en zal niets te gering achten om er mij voor de eer Gods toe neer te buigen." Op de zetel des gerichts en op het oorlogsveld zal niemand meer doen dan David om de majesteit en het gezag van een vorst hoog te houden, maar in de handelingen van de Godsvrucht legt hij de gedachte aan majesteit ter zijde, verootmoedigt hij zich in het stof voor het aangezicht des Heren, neemt hij deel aan de geringste diensten ter ere van de ark, en acht dit geen verkleining voor hem. De voornaamste onder de mensen zijn minder dan de minste inzettingen van Jezus Christus. C. Hij twijfelde niet of zelfs dit zal strekken tot zijn eer onder degenen, wier smaad Michal voorgaf te vrezen. Met de dienstmaagden zal ik verheerlijkt worden. Wel verre dat het gewone volk te erger van hem zal denken wegens deze nederige en Godvruchtige handelingen zal het er hem juist te meer om achten en eren. Zij, die waarlijk Godvruchtig zijn, worden soms geopenbaard in de gewetens zelfs van hen, die kwaad van hen spreken, 2 Corinthiers 5:11. Laat ons nooit afgehouden worden van onze plicht door de vrees voor smaad, want er standvastig en vastberaden in te zijn, zal misschien meer bijdragen tot onze eer en goede naam dan wij wel denken. De Godsvrucht zal haar lof hebben, zo laat ons er dan niet onverschillig in zijn, noch vrezen, of ons schamen om er voor uit te komen.
David vergenoegde zich met zich aldus te hebben gerechtvaardigd, en heeft Michals onbeschaamdheid niet verder bestraft, maar God heeft haar er voor gestraft, daar Hij haar van nu voortaan kinderloos heeft aangeschreven vers 23. Zij heeft David onrechtvaardiglijk gesmaad om zijn Godsvrucht, en daarom heeft God haar onder de eeuwige smaad van de onvruchtbaarheid gesteld. Die God eren, zal Hij eren, maar die Hem, Zijn dienaren en Zijn dienst, versmaden, zullen licht geacht worden.