2 Samuël 4:9-12
Wij hebben hier gerechtigheid geoefend aan de moordenaars van Isboseth.
I. Er wordt vonnis over hen geveld. Er was geen getuigenis van node, hun eigen tong heeft tegen hen getuigd, en wel verre van het feit te ontkennen, hebben zij er in geroemd. David toont hun dus het snode van hun misdaad en dat bloed om bloed riep van zijn hand, die nu de eerste magistraat was, en door zijn ambt geroepen om de bloedwreker te zijn. En misschien is hij in die rechtsvervolging zoveel krachtiger en ijveriger geweest omdat hij om redenen van staat Joab gespaard heeft. "Zal ik het bloed van de verslagene niet eisen van de hand van hen, die hem verslagen hebben, en daar zij het niet kunnen wedergeven, het hunne er voor nemen?"
Merk op:
1. Hoe hij de misdaad verzwaart, vers 11. Isboseth was een rechtvaardig man, hij had hun geen onrecht gedaan, noch onrecht tegen hen bedoeld. Wat hemzelf betreft, David hield er zich van overtuigd, dat de tegenstand, die hij hem bood, niet voortkwam uit boosaardigheid, maar uit een vergissing, die hem deed denken dat hij recht had op de kroon, en ook door de invloed van anderen, die hem drongen om er aanspraak op te maken. De liefde leert ons het beste te denken, niet slechts van onze vrienden, maar ook van onze vijanden, en te denken dat zij, die ons in sommige opzichten onrecht doen, toch rechtvaardige mensen kunnen wezen. Ik moet niet terstond oordelen dat iemand slecht is, omdat ik vind dat hij slecht is voor mij. David acht Isboseth een eerlijk man te zijn al heeft hij hem ook onrechtvaardig veel moeite veroorzaakt. Door de wijze, waarop de misdaad gepleegd werd, wordt zij grotelijks verzwaard. Hem te doden in zijn eigen huis, op zijn bed, toen hij niet instaat was zich te verweren, dat is verraderlijk en wreed, en laag, het hart van ieder, die nog gevoel heeft voor eer en deugd, zal er in verontwaardiging tegen opkomen. Sluipmoord is naar ieders gevoelen de laagste en verfoeilijkste soort van moord. Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgen verslaat.
2. Hij haalt een precedent aan, vers 10. Hij had degene ter dood gebracht, die hem de tijding bracht van Sauls dood, omdat hij dacht dat het een goede tijding zou zijn voor David. Hier wordt er geen melding van gemaakt dat deze Amalekiet Saul geholpen had zichzelf van het leven te beroven, maar alleen van zijn brengen van de tijding er van, waaruit men zou kunnen opmaken dat, na gedaan onderzoek zijn verhaal onwaar is gebleken, en dat hij dus tegen zijn eigen hoofd heeft gelogen. "Indien ik nu," zegt David, "hem als een misdadiger heb behandeld, en niet als een gunsteling" (zoals hij verwacht had behandeld te zullen worden) "die mij Sauls kroon bracht, zullen zij dan onschuldig gehouden worden, die mij Isboseths hoofd brengen?"
3. Hij bekrachtigt het vonnis met een eed vers 9. Zo waarachtig als de Here leeft, die mijn ziel uit alle benauwdheid verlost heeft. Hij drukt zich aldus vastberaden uit, om te voorkomen dat iemand uit zijn omgeving zich tot voorspraak zou maken voor de misdadigers, en op die Godvruchtige wijze om te kennen te geven, dat hij van God verwachtte hem in het bezit van de beloofde troon te stellen, en dat hij aan geen mens verplicht wilde wezen om er hem op enigerlei wijze aan te helpen door onwettige middelen of praktijken. God had hem totnutoe uit alle benauwdheid verlost, hem over iedere moeilijkheid heengeholpen en door menigerlei gevaar, en daarom wil hij op Hem vertrouwen om Zijn eigen werk te kronen en te volbrengen. Hij spreekt van zijn verlossing uit alle benauwdheid als van een zaak, die reeds geschied is, hoewel hem nog menige storm te wachten staat, omdat hij wist dat Hij, die verlost heeft, nog verder zal verlossen. Hierop tekent hij een volmacht voor de terdoodbrenging van deze mannen, vers 12. Dit schijnt wel streng te zijn, als zij in hetgeen zij gedaan hebben, vriendelijkheid voor hem bedoeld hebben, maar:
a. Hij wilde aldus zijn verfoeiing te kennen geven van die snode daad. Toen hij hoorde dat "de Here Nabal geslagen had, dat hij stierf," heeft hij God gedankt, 1 Samuël 25:38-39, want Hij is de God, wiens de wraak is maar als goddeloze mannen Isboseth doden, dan verdienen zij te sterven, omdat zij God het werk uit de handen nemen.
b. Hij wilde aldus zijn gevoeligheid tonen over de grote belediging, die zij hem hebben aangedaan door te verwachten dat hij hen zou beschermen en belonen. Zij zouden hem nauwelijks een grotere belediging hebben kunnen aandoen dan door aldus te denken dat hij ten enenmale was gelijk zij, iemand die er zich niet om bekommerde door hoeveel bloed hij moest waden om tot de troon te komen.
II. Het doodvonnis volvoerd. De moordenaars werden overeenkomstig de wet ter dood gebracht, en hun handen en voeten werden opgehangen, niet hun gehele lichaam, dat verbood de wet, maar alleen hun handen en voeten, "in terrorem-ter afschrikking van anderen," en om gedenktekenen te zijn van Davids gerechtigheid, om die ter algemene kennis te brengen, hetgeen hem zal aanbevelen in de achting des volks, als een man, geschikt om te regeren, een man, die niet zijn eigen grootheid op het oog had, noch enigerlei vijandschap koesterde tegen het huis van Saul, maar in alle oprechtheid enig en alleen het openbare welzijn bedoelde. Maar welk een beschaming was dit voor de twee moordenaars! Welk een ontzettende teleurstelling! En die zullen ook zij ervaren, die de belangen van de Zone Davids denken te dienen door onzedelijke praktijken, door oorlog en vervolging, door bedrog en roof, die, onder schijn van Godsdienst, vorsten vermoorden, plechtige overeenkomsten verbreken, landstreken verwoesten, hun broederen haten en uitwerpen, en zeggen: dat de Here heerlijk worde! hen doden, en menen Gode een dienst te doen. Hoe de mensen deze methoden van de kerk te dienen en de algemene zaak te bevorderen, ook canoniseren, Christus zal hun doen weten dat het Christendom niet bedoeld was om de mensheid te verderven, en zij, die aldus denken de hemel te verdienen, zullen aan de verdoemenis van de hel niet ontkomen!