2 Samuël 3:7-21
I. Abner breekt met Isboseth en verlaat zijn zaak, omdat Isboseth onbedachtelijk zijn misnoegen had opgewekt. God kan de zonden en dwaasheden van de mensen dienstbaar maken aan Zijn eigen doeleinden.
1. Isboseth beschuldigde Abner van geen geringer misdaad dan van een van de bijwijven van zijn vader verleid te hebben, vers 7. Of de beschuldiging al of niet gegrond was, blijkt niet, ook niet wat aan Isboseth aanleiding gaf om hem er van te verdenken. Hoe dit zij: Isboseth zou verstandig geweest zijn, om er de ogen voor te sluiten, in aanmerking genomen van hoe groot belang het voor hem was om Abner niet te beledigen of te ontstemmen. Als de zaak niet waar was, en zijn vrees ongegrond was, dan was het laag en ondankbaar om onjuiste vermoedens te koesteren van een man, die alles voor hem op het spel had gezet, en voorzeker de beste vriend was, die hij in de wereld had.
2. Abner nam die beschuldiging zeer hoog op.
a. Of hij al of niet schuldig was aan de ongerechtigheid van deze vrouw zegt hij niet, vers 8. maar wij vermoeden dat hij schuldig was, want hij heeft het niet uitdrukkelijk ontkend, en al was hij het, hij geeft aan Isboseth te kennen dat hij dieswege van hem geen verwijt wij aanhoren. "Hoe!" zei hij, "ben ik een hondskop, een laag en verachtelijk dier dat gij mij aldus smaadt? vers 8. Is dit mijn beloning voor de weldadigheid die ik u en uws vaders huis betoond heb, en voor de goede diensten, die ik u gedaan heb?" Hij maakt zijn diensten groot hiermede, dat het tegen Juda was, de stam op welke de kroon vastgesteld was, en die haar ook gewis ten laatste hebben zal, zodat hij, door het huis van Saul te steunen, beide tegen zijn geweten en tegen zijn belang heeft gehandeld, waarvoor hij een beter loon had verdiend, dan zodanig een verwijt te moeten aanhoren. Toch zou hij misschien niet zo voor het huis van Saul geijverd hebben, indien hij er zijn eigen eerzucht niet mee bevredigd, en gehoopt had er zijn rekening bij te vinden. Hoogmoedige mensen kunnen geen bestraffing verdragen, inzonderheid niet van hen die, naar zij denken, verplichting aan hen hebben.
b. Dat hij er zich gewis om zal wreken op hem, vers 9, 10. Met de uiterste laatdunkendheid en onbeschoftheid laat hij hem weten, dat hij, gelijk hij hem ten troon had verheven, hem er weer afstoten kon en het zal doen. Hij wist dat God gezworen had aan David het koninkrijk te geven, en toch heeft hij het uit een beginsel van eerzucht met alle macht tegengestaan, maar nu zal hij er zich uit een beginsel van wraakzucht mee verenigen, onder schijn van eerbied voor de wil van God, die toch slechts voorgewend was. Zij, die de slaven zijn van hun lusten hebben vele meesters, van wie sommigen hen drijven naar de ene kant, en anderen naar de andere kant, en naarmate dan deze of die de overhand krijgt, worden de mensen in de grootste tegenstrijdigheid gebracht met zichzelf. Abners eerzucht deed hem ijveren voor Isboseth, en nu wordt hij door wraakzucht gedreven om te ijveren voor David. Indien hij in oprechtheid had acht geslagen op Gods belofte aan David, en met het oog daarop had gehandeld, dan zou hij standvastig zijn geweest in zijn besluiten, en zichzelf gelijk zijn gebleven. Maar terwijl Abner zijn eigen lusten dient, brengt God door hem Zijn eigen doeleinden tot stand, en zo zal zelfs zijn toorn en wraakzucht Hem loffelijk maken en David versterken.
Eindelijk. Zie hoe Isboseth als van de donder getroffen was door Abners onbeschoftheid, hij kon hem niet een woord antwoorden, vers 11. Indien Isboseth van een mannelijke, inzonderheid van een vorstelijke geest geweest was dan zou hij hem geantwoord hebben, dat zijn verdiensten zijn misdaden verzwaarden, dat hij door zo'n slecht man niet gediend wilde wezen, en er niet aan twijfelde of hij zou het wel buiten hem kunnen stellen. Maar hij was zich bewust van zijn zwakheid, en daarom zei hij geen woord, uit vrees van wat al kwaad genoeg was nog erger te maken. De moed ontzonk hem, en hij werd wat David van zijn vijanden voorzegd had, als "een ingebogen wand, een aangestoten muur," Psalm 62:4.
II. Abner onderhandelt met David. Wij moeten onderstellen dat hij Isboseths zaak begon moede te worden, en een gelegenheid zocht om haar te verlaten, want anders zou hij, hoe hij er Isboseth ook mee dreigde ter vernietiging van de beschuldiging tegen hem, er toch niet zo spoedig toe zijn overgegaan, om zijn bedreiging ten uitvoer te brengen, vers 12. Hij zond boden tot David, om hem te zeggen dat hij tot zijn dienst was. "Wiens is het land? Is het niet het uwe? Want gij hebt het meeste recht op de regering, en het meeste deel in de genegenheid des volks". God kan middelen vinden om diegenen dienstbaar te maken aan het koninkrijk van Christus, die er toch geen ware liefde voor hebben, en er zich met alle kracht tegen hebben verzet. Vijanden worden soms tot voetbanken gemaakt, niet slechts om er op te treden, maar om er door op te klimmen. De aarde kwam de vrouw te hulp.
III. David gaat een verdrag aan met Abner maar op voorwaarde dat hij hem Michal, zijn huisvrouw, doet wedergeven, vers 13. Hiermede:
1. Toonde David de oprechtheid van zijn huwelijksliefde voor zijn eerste en wettige vrouw. Noch haar huwelijk met een ander, noch zijn huwelijk met anderen, had hem van haar vervreemd, vele wateren konden die liefde niet uitblussen.
2. Hij betuigde zijn achting voor het huis van Saul, zover was het van hem om het te vertreden nu het gevallen was, dat hij zelfs bij zijn verheffing er niet weinig prijs op stelde er toe te behoren. De eer van de troon kan hem niet behagen, tenzij hij Michal, Sauls dochter, heeft om er met hem in te delen, zo ver was het van hem om haatdragend te zijn jegens de familie van zijn vijand, Abner zond hem bericht dat hij zich tot Isboseth moest wenden voor die aangelegenheid, hetgeen hij deed, vers 14, er bij aanvoerende, dat hij haar tot een zeer dure prijs verkregen had en dat zij hem ten onrechte was ontnomen. Isboseth durfde, nu hij Abner niet had om hem te steunen, zijn eis niet afwijzen, maar nam haar van Paltiël, aan wie Saul haar ten huwelijk had gegeven, vers 15, en Abner leidde haar tot David, niet twijfelende, of hij zou hem dubbel welkom zijn, nu hij hem zijn vrouw in de ene en de kroon in de andere hand bracht. Haar laatste echtgenoot was zeer ongenegen van haar te scheiden en volgde haar wenende, vers 16, maar het was niet te verhelpen, hij had zijn verdriet zichzelf te verwijten, toen hij haar nam, wist hij dat een ander recht op haar had. Die zich van eens anders goed meester maken, kunnen verwachten dat zij er wederom afstand van te doen zullen hebben. Niemand zette dus zijn hart op hetgeen, waarop hij geen recht heeft. Indien er verschil is ontstaan tussen man en vrouw, zo laat hen, indien zij Gods zegen verwachten, zich met elkaar verzoenen, en weer bij elkaar komen, Iaat hen alle vorige twisten vergeten en in liefde samenwonen overeenkomstig de heilige inzetting Gods.
IV. Abner wendt zijn invloed aan bij de oudsten van Israël, om hen tot David te doen overgaan, wetende dat, waar zij zouden gaan, het volk hen zou volgen. Nu het met zijn bedoelingen strookte kan hij ten behoeve van David aanvoeren: 1. Dat hij Israëls verkorene was, vers 17. Gij hebt David tevoren lang tot een koning over u begeerd, toen hij zich in menig gevecht tegen de Filistijnen onderscheiden heeft en u goede dienst heeft bewezen, niemand kan op grotere persoonlijke verdiensten wijzen dan David, en niemand op mindere dan Isboseth, met beide hebt gij het beproefd, "detur digniori-Geef de kroon aan hem, die haar het meest verdient." Laat David uw koning zijn."
2. Dat hij Gods verkorene was, vers 18. De Here heeft van David gesproken. Vergelijk vers 9. "Toen God Samuël gebood hem te zalven, heeft Hij daarmee beloofd dat Hij door zijn hand Israël verlossen zou, want te dien einde was hij koning gemaakt. Daar God beloofd heeft Israël te verlossen door Davids hand is het beide uw plicht in onderworpenheid aan Gods wil, en uw belang met het oog op uw overwinningen over uw vijanden, u aan hem te onderwerpen, en het is de grootste dwaasheid van de wereld hem tegen te staan." Wie zou nu argumenten als deze uit Abners mond verwacht hebben? Maar aldus zal God de vijanden Zijns volks doen weten en bekennen, dat Hij hen liefheeft, Openbaring 3:9. Inzonderheid heeft hij zich gewend tot de mannen van Benjamin, die van zijn eigen stam waren, op wie hij de meeste invloed had, en die hij er toe gebracht had om zich voor het huis van Saul te verklaren. Hij was de man, die hen misleid had, en daarom was het nu zijn zorg om hen tot een beter inzicht te brengen. Aldus is het volk, de menigte, wat de leiders er van maken.
V. David gaat een verdrag aan met Abner, en hij heeft er wel aan gedaan, want wat Abner er toe bewogen moge hebben, het was een goed werk om een einde te maken aan de oorlog en de gezalfde des Heren op de troon te vestigen, en het was aan David even geoorloofd om van zijn tussenkomst gebruik te maken, als het aan een arme geoorloofd is om een aalmoes aan te nemen van een Farizeeër, die haar in hoogmoed en geveinsdheid geeft. Abner deelde aan David het gevoelen mee van het volk en het succes van zijn besprekingen met hen, vers 19. Hij kwam nu, niet zoals in het eerst, alleen en in het geheim, maar met een gevolg van twintig mannen, en David onthaalde hen aan een maaltijd, vers 20, ten teken van verzoening en blijdschap, en als een onderpand van de overeenkomst tussen hen, het was een feestmaal op een verbond, zoals dat in Genesis 26:30. "Indien uw vijand hongert zo spijzig hem," maar als hij zich onderwerpt onthaal hem op een feestmaal. Abner tevreden met zijn onthaal, tevreden de val van Sauls huis voorkomen te hebben, (die onvermijdelijk zou geweest zijn zo hij die maatregel niet genomen had) en nog veel meer met het vooruitzicht om onder David tot bevordering te komen, neemt het op zich om in korte tijd de revolutie tot stand te brengen, en geheel Israël onder Davids gehoorzaamheid te brengen, vers 21. Hij zegt aan David dat hij regeren zal over alles wat zijn ziel begeert. Hij wist dat Davids verheffing voortkwam uit Gods bestel en toch geeft hij te kennen dat zij voortkwam uit zijn eerzucht en zijn begeerte om te heersen, en zo heeft hij-gelijk slechte mensen dikwijls doen-die Godvruchtige man afgemeten naar zichzelf. David en hij zijn echter als goede vrienden gescheiden, en de zaak tussen hen was volkomen geregeld. Aldus betaamt het allen, die God vrezen en Zijn geboden houden, twist te vermijden, zelfs met de bozen, in vrede te leven met alle mensen, en aan de wereld te tonen dat zij kinderen des lichts zijn.