2 Samuël 2:18-24
Wij hebben hier de strijd tussen Abner en Asahel. Asahel, de broeder van Joab, en volle neef van David, was een van de voornaamste bevelhebbers van Davids krijgsmacht, en hij was vermaard om zijn snelheid in het lopen, hij was licht op zijn voeten als een van de reeën, die in het veld zijn, vers 18. Die naam kreeg hij door snel vervolgen, niet door snel vlieden. Toch kunnen wij onderstellen dat hij niet opgewassen was tegen Abner, als een bekwaam, ervaren krijgsman. Wij moeten hier opmerken:
1. Hoe roekeloos hij was door Abner tot zijn gevangene te willen maken. Hij joeg Abner achterna, en niemand anders, vers 19. Trots op zijn betrekking tot David en Joab, zijn eigen vlugheid en de voorspoed van zijn partij, kon thans de jonge krijgsman met geen mindere trofee tevreden zijn dan Abner zelf, hetzij gedood of gebonden, want hij dacht dat dit een einde zou maken aan de krijg, en voor David de weg tot de troon zou openen. Dit maakte hem zo ijverig in zijn najagen, en onverschillig voor de gelegenheid, die hij had, om anderen te grijpen aan zijn rechterhand en zijn linkerhand, zijn oog is alleen op Abner gericht. Zijn doel was kloekmoedig, zo hij "par negotio" was geweest, dat is instaat om het te bereiken. Maar laat de snelvoetige zich niet beroemen op zijn snelheid, evenmin als de sterke op zijn kracht, "magnis excidit ausis" -hij kwam om in een poging, die te zwaar voor hem was.
2. Hoe rechtschapen Abner handelde door hem te waarschuwen voor het gevaar, waaraan hij zich blootstelde, en hem aan te raden "zich niet in het kwade te mengen, dat hij vallen zou," 2 Kronieken 25:19.
a. Hij zei hem zich te vergenoegen met een mindere prooi, vers 21, "grijp u een van die jongens, beroof hem en maak hem tot uw gevangene, meng u met iemand, die u gelijk is, tegen wie gij opgewassen zijt, maar niet met iemand, die u ver overtreft." In iedere strijd is het verstandig om onze kracht te vergelijken met die van onze tegenstanders, en er ons voor te wachten om partijdig te zijn voor onszelf bij die vergelijking, opdat wij bij de uitkomst niet blijken vijanden van onszelf te zijn, Lukas 14:31.
b. Hij vroeg hem, hem niet in de noodzakelijkheid te brengen om hem ter zijner eigen verdediging te doden, dat hij zeer ongaarne zou doen, maar toch zal moeten doen zo hij niet door hem gedood wil worden, vers 22. Abner schijnt Joab of bemind of gevreesd te hebben, want hij was er afkerig van zich zijn ongenoegen op de hals te halen, hetgeen zeker geschieden zal zo hij Asahel ombrengt. Het is loffelijk in vijanden aldus elkaar achting toe te dragen. Abners bekommernis hoe hij zijn aangezicht zou opheffen voor Joab, geeft reden om te vermoeden dat hij in werkelijkheid geloofde, dat David ten laatste het koninkrijk zou hebben overeenkomstig de bedoeling en aanwijzing Gods, maar dan heeft hij door hem tegen te staan tegen zijn eigen geweten gehandeld.
3. Hoe noodlottig Asahels roekeloosheid hem geworden is. Hij weigerde af te wijken, denkende dat Abner zo vriendelijk tot hem sprak omdat hij hem vreesde, maar wat is er van gekomen? Zodra hij tot Abner was genaderd, gaf deze hem door een achterwaartse slag zijn doodwonde, vers 23. Hij sloeg hem met het achterste van de spies, waarvan hij geen gevaar vreesde. Dit was een stoot waarmee Asahel niet bekend was, die hij niet geleerd had om er tegen op zijn hoede te zijn, maar Abner had hem misschien tevoren reeds aangewend en er veel succes mee gehad. Asahel is onmiddellijk aan die wonde gestorven. Zie hier:
a. Hoe de dood dikwijls tot ons komt op een weg, waar wij hem niet verwacht hebben. Wie zou vrezen voor de hand van een vluchtende vijand of het achtereinde van een spies? Toch heeft Asahel daarvan zijn doodwonde ontvangen.
b. Hoe wij dikwijls verraden worden door de gaven of talenten, waarop wij trots zijn. Asahels snelheid, waarop hij zo vertrouwde, deed hem geen goed, maar verhaastte zijn val, hij liep er zijn dood mee tegemoet inplaats van hem te ontvlieden. Asahels val was niet slechts Abners veiligheid ten opzichte van hem, maar maakte een einde aan de vervolging des overwinnaars, en gaf aan Abner tijd om zijn leger weer te verzamelen, want allen die tot de plaats kwamen stonden stil, alleen Joab en Abisai waren, inplaats van er door ontmoedigd te zijn, er zo door vertoornd en verbitterd, dat zij Abner met des te meer woede bleven achternajagen, vers 24. Zij achterhaalden hem ten laatste toen de zon onderging, en de naderende nacht hen verplichtte zich terug te trekken.