2 Samuël 20:4-13
Wij hebben hier Amasa's val juist toen hij begonnen was zich te verheffen. Hij was Davids neef, zoon van zijn zuster, Hoofdstuk 17:25, is Absaloms krijgsoverste geweest, opperbevelhebber van het leger van de rebellen. Maar toen dat leger verslagen was, kwam hij, op de belofte van tot krijgsoverste aangesteld te worden in Joabs plaats, tot David over. Seba's opstand gaf aan David de gelegenheid om, eerder dan hij gedacht of gewenst kon hebben, die belofte te vervullen, maar door Joabs afgunst en naijver is het beide hem en David ten kwade gekomen.
I. Amasa heeft een opdracht om een leger bijeen te roepen, teneinde Seba's rebellie te onderdrukken, en hem wordt bevolen om dit met alle mogelijke spoed te doen, vers 4. Het schijnt dat de mannen van Juda wel zeer ijverig waren om de koning te vergezellen op zijn triomftocht, maar zeer traag en achterlijk waren om voor hem te strijden, want anders zouden zij, toen zij nog allen bijeen waren om met de koning naar Jeruzalem te gaan, Seba terstond hebben kunnen vervolgen, om alzo de opstand reeds in de geboorte te smoren, maar de meesten beminnen koningsgezindheid, zowel als Godsdienst, als zij goedkoop en gemakkelijk is. Velen roemen er op Christus verwant te zijn, maar zijn zeer ongenegen om iets voor Hem te wagen. Amasa wordt gezonden om de mannen van Juda binnen drie dagen bijeen te laten komen, maar hij vindt hen zo achterlijk en weinig bereid, dat hij het niet binnen de bepaalden tijd doen kan, vers 5 hoewel de bevordering van Amasa, die hun generaal was geweest onder Absalom, hun zeer welgevallig was, ook als bewijs van de goedertierenheid van Davids regering.
II. Op Amasia's uitblijven krijgt Abisai, Joabs broeder, bevel om met de lijfwacht en het staande leger Seba te gaan vervolgen, vers 6, 7, want niets kon gevaarlijker gevolgen hebben dan hem tijd te geven. David geeft die bevelen aan Abisai, omdat hij besloten heeft Joab te vernederen en uit zijn rang te ontzetten, naar ik denk, niet zozeer omdat hij Abners bloed zo laaghartig vergoten heeft, als wel om het bloed van Absalom, dat hij rechtvaardig heeft vergoten. "Nu", zegt bisschop Hall, "heeft Joab geboet voor zijn uit getrouwheid begane ongehoorzaamheid. Hoe glibberig zijn de paden van de aardse eer, aan hoe voortdurende veranderlijkheid is zij niet blootgesteld! Zalig zij die in gunst zijn bij Hem, in wie geen verandering of schaduw is van omkering." Joab gaat zonder orders, en hoewel hij in ongenade is, met zijn broeder optrekken, wetende dat hij van dienst kon zijn aan het land, of misschien nu al zinnende op de uit-den-weg-ruiming van zijn mededinger.
III. Nabij Gibeon komt Joab Amasa tegen en vermoordt hem, vers 8 10. Het schijnt dat de grote steen bij Gibeon de aangewezen plaats was voor de algemene bijeenkomst. Daar ontmoetten de mededingers elkaar, en Amasa, steunende op zijn aanstelling, ging vooraan, als generaal beide van de pas door hem op de been gebrachte krijgsmacht, en van de veteranen, die met Abisai gekomen waren, maar Joab nam nu de gelegenheid waar om hem met zijn eigen hand te doden, en:
1. Hij deed het listiglijk, met berekening en niet plotseling er toe geprikkeld zijnde. Hij gordt zijn kleed vast om zich heen, opdat dit hem niet in de weg zou zijn, gordt daar overheen zijn draagband of degenriem, ten einde zijn zwaard gereed onder zijn hand te hebben steekt zijn zwaard in de schede, dat er echter te groot voor is, opdat zij, wanneer hij het wilde, door een kleine schudding er af zou vallen, en hij het aldus in zijn hand kon houden zonder argwaan op te wekken, alsof hij het weer in de schede ging steken, terwijl hij bedoelde het in Amasa's lichaam te steken. Hoe meer overleg er is bij het plegen van een zonde, hoe snoder zij is. 2. Hij deed het verraderlijk, onder schijn van vriendschap, opdat Amasa niet op zijn hoede zou zijn. Hij noemde hem broeder, want zij waren eigen neven, en vroeg hem naar zijn welstand. Is het wel met u, mijn broeder? en vatte zijn baard, als iemand, die gemeenzaam met hem was, om hem te kussen, terwijl hij het uitgetogen zwaard in zijn andere hand op zijn hart richtte. Was dit de daad van een man van eer, een krijgsman, een veldheer? Neen, het was de daad van een schurk, van een lage lafaard. Evenzo heeft hij Abner vermoord, en bleef er ongestraft voor, hetgeen hem aanmoedigde om het weer te doen.
3. Hij deed het onbeschaamd, niet in een hoek, maar aan het hoofd van zijn troepen en voor hun ogen, als iemand die zich noch schaamde, noch bevreesd was om het te doen, zo verhard was hij in bloed en moord, dat hij noch blozen noch beven kon.
4. Hij deed het met een enkele slag, gaf de noodlottige stoot zo van harte, dat hij hem geen tweede behoefde te geven met zo'n krachtige, vaste hand gaf hij die ene stoot, dat hij dodelijk was.
5. Hij deed het in minachting en trotsering van David en de opdracht, die hij aan Amasa had gegeven, want die opdracht was de enige oorzaak van zijn twist met hem, zodat de slag door Amasa heen, David zelf getroffen heeft en hem als het ware in het aangezicht gezegd was dat Joab, in weerwil van hem, generaal zal zijn.
6. Hij deed het op zeer ongeschikte tijd toen zij tegen de algemene vijand optrokken, en het hoog nodig was dat zij eensgezind waren. Deze ontijdige twist zou hun krijgsmacht hebben kunnen doen uiteenspatten, of de strijd hebben kunnen doen aanbieden tegen elkaar, zodat zij dan allen een gemakkelijke prooi voor Seba hadden kunnen worden. Zo genoegelijk kon Joab de belangen beide van de koning en van het koninkrijk aan zijn persoonlijke wraakzucht opofferen.
IV. Onmiddellijk herneemt Joab zijn plaats als generaal, en draagt zorg het leger te doen optrekken om Seba te vervolgen, ten einde zo mogelijk, te voorkomen, dat de gemene zaak nadeel zou lijden door hetgeen hij gedaan heeft.
1. Hij laat een van zijn mannen achter om een proclamatie te richten tot de troepen, die opkomen, waarin hun gezegd werd dat zij voor de zaak van David gingen strijden, maar onder bevel van Joab, vers 11. Hij wist welk een invloed hij had onder het krijgsvolk, en hoevelen hem veeleer dan Amasa genegen waren, die een verrader geweest is, en nu weer omgedraaid was, en nooit succes heeft gehad, hierop steunde hij, en riep hen allen op hem te volgen. Wat man van Juda zou niet voor zijn oude koning en zijn oude krijgsoverste zijn? Maar men kan zich verwonderd afvragen met welke houding en gelaat een moordenaar een verrader vervolgt, en hoe hij onder zo'n zware last van schuld de moed had het gevaar onder de ogen te zien, zijn geweten moet als met een gloeiend ijzer toegeschroeid zijn geweest.
2. Er wordt zorg gedragen om het dode lichaam van de weg te verwijderen, omdat zij er bij bleven staan, zoals Hoofdstuk 2:23, en het met een kleed te bedekken, vers 12, 13. Slechte mensen denken veilig te zijn in hun slechtheid, indien zij haar slechts voor het oog van de wereld kunnen bedekken, als zij verborgen is, dan is het voor hen alsof zij nooit gepleegd was. Maar het bedekken van bloed met een kleed kan niet verhinderen dat het tot God roept om wraak, het geroep zal er ook niet minder luid om zijn. Daar het echter nu de tijd niet was om Joab in staat van beschuldiging te stellen voor hetgeen hij gedaan had, en de veiligheid van de staat spoed eiste in de krijgsverrichting, was het verstandig om datgene weg te nemen wat de opmars van het leger kon vertragen, en toen volgden allen Joab na, terwijl David, aan wie ongetwijfeld spoedig bericht was gezonden van dit tragisch voorval, slechts met leedwezen er aan terug kon denken, dat hij tevoren geen gerechtigheid heeft geoefend aan Joab wegens zijn moord op Abner, en dat hij nu Amasa aan gevaar had blootgesteld door hem te bevorderen. En wellicht herinnerde zijn geweten hem er aan, dat hij Joab gebruikt had voor de moord op Uria, dat medegewerkt heeft om hem te verharden in wreedheid.