2 Samuël 18:1-8
Vanwaar David hier een leger op de been bracht, en welke versterkingen hem gezonden werden, wordt ons niet gezegd. Waarschijnlijk kwamen er velen uit al de landpalen Israëls en van de naburige stammen, tot zijn hulp, zodat hij langzamerhand instaat werd gesteld Absalom het hoofd te bieden, gelijk Achitofel voorzien had. Nu hebben wij hier:
I. Zijn leger gemonsterd en gerangschikt, vers 1, 2. Ongetwijfeld had hij in het gebed zijn zaak overgegeven aan God, want dat was zijn hulp en troost in al zijn beproevingen, en daarna hield hij een revue over zijn krijgsmacht. Josephus zegt dat die slechts ongeveer vier duizend man bedroeg. Deze verdeelde hij in regimenten en compagnieën, over welke hij officieren aanstelde, en toen schikte hij hen zoals gewoonlijk gedaan wordt, in rechtervleugel, linkervleugel en centrum, twee van deze afdelingen stelde hij onder zijn twee oude ervaren generaals, Joab en Abisai, en de derde onder zijn nieuwe vriend Ithai. Goede orde en goed beleid kunnen soms van even grote dienst zijn in een leger als grote getallen. De wijsheid leert ons het best mogelijke gebruik te maken van onze middelen en ze zover mogelijk te doen reiken.
II. Hemzelf overreed om niet in persoon ten strijde uit te trekken. Het was Absaloms valse vriend, die hem overreedde wel te gaan en deze diende toen meer zijn hoogmoed dan zijn wijsheid, Davids ware vrienden wilden hem niet laten gaan, gedenkende aan hetgeen hun gezegd was van Achitofels plan, namelijk om alleen de koning te slaan. David toonde hun zijn genegenheid door het gevaar met hen te willen delen, vers 2. En zij toonden hem de hunne door zich hiertegen te verzetten. Wij moeten het nooit een belediging achten als wij tegengesproken worden om ons bestwil door hen, die hierin te rade gaan met ons belang.
1. Zij wilden volstrekt niet dulden dat hij zich aan gevaar blootstelde, want-zeggen zij-Gij zijt nu als tienduizend onzer. Aldus behoren goede vorsten gewaardeerd te worden door hun onderdanen, die gaarne bereid moeten zijn om zich voor hun veiligheid aan gevaar bloot te stellen.
2. Zij wilden de vijand niet in zover genoegen geven, die zich meer zou verheugen in zijn val dan in de nederlaag van geheel zijn leger.
3. Hij kon hun meer van dienst zijn door in de stad te blijven met een reserve van zijn krijgsmacht, vanwaar hij hun dan versterkingen kon zenden. Datgene kan een post van wezenlijke dienst zijn, dat toch geen post is van gevaar. De koning berustte in hun voorstel, en veranderde zijn voornemen, vers 4. Ik zal doen wat goed is in uw ogen. Het is geen blijk van wijsheid om altijd bij ons besluit te willen blijven, maar wel om naar rede te willen luisteren zelfs van onze minderen, en hun raad te volgen, als die blijkt tot ons welzijn te wezen. Of de wijsheid des volks daar nu al of niet het oog op had Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat David niet op het slagveld was, want daar zou zijn tederheid voorzeker hem gedreven hebben om Absaloms leven te redden, daar God toch besloten had hem te verderven.
III. De last, die hij betreffende Absalom gaf, vers 5. Josephus zegt dat David, toen het leger gereed was om uit te trekken, officieren en manschappen bemoedigend toesprak en voor hen bad, maar hun daarbij het bevel gaf om zich te wachten van Absalom te schaden. Hoe vergeldt hij goed voor kwaad! Absalom zou alleen David hebben willen slaan, David wilde alleen Absalom sparen. Welk een tegenstelling van elkaar zijn deze twee mannen! Nooit was een onnatuurlijke haat jegens een vader sterker dan in Absalom, en nooit was natuurlijke genegenheid voor een kind sterker dan in David. Ieder hunner deed het uiterste van wat hij doen kon. de een toonde hoe slecht een kind kan wezen voor de besten van de vaders, de ander hoe goed een vader kan wezen voor het slechtste van de kinderen, alsof het bestemd was om een gelijkenis te wezen van des mensen slechtheid jegens God, en van Gods barmhartigheid jegens de mens, waarvan het moeilijk is te zeggen welke van die beide het verbazingwekkendst is. "Handelt mij zachtkens, zegt David, handelt mij vooral zachtkens met de jongeling, met Absalom, om mijnentwil, vers 5. Hij is een jongeling, roekeloos en onstuimig, zijn jeugd moet hem verontschuldigen, hij is mijn zoon, die ik liefheb, indien gij mij liefhebt, zo zijt niet streng jegens hem." Deze last onderstelt Davids sterke verwachting van succes, daar hij een goede zaak en een goede God heeft, hij twijfelt niet of Absalom zal in hun macht komen, en daarom gebiedt hij hun zachtkens met hem te handelen, zijn leven te sparen, en het de koning over te laten om recht over hem te spreken.
Bisschop Hall heeft volgenderwijs over deze zaak gesproken. "Wat betekent deze misplaatste liefde, deze onrechtvaardige barmhartigheid? Handelt zachtkens met een verrader? En, onder alle verraders, met een zoon? Onder alle zonen met een Absalom, die een vergeten lieveling van zo'n goede vader is? En dit alles om uwentwil, naar wiens kroon hij staat, naar wiens bloed hij dorst? Om wiens wil moet hij vervolgd worden als daar om uwentwil van moet worden afgelaten? Moet de oorzaak van de twist de beweegreden zijn voor barmhartigheid? Zelfs in de heiligste, meest Godvrezende ouders kan de natuur schuldig wezen aan een schadelijke tederheid, een toegeeflijkheid, die dodelijke gevolgen kan hebben. Maar is hierin niet een type van de onbegrensde barmhartigheid van de ware Koning en Verlosser Israëls, die voor Zijn vervolgers, Zijn moordenaars heeft gebeden: "Vader, vergeef hun. Handel zachtkens met hen om Mijnentwil." Als God een beproeving zendt om Zijn kinderen te kastijden, dan is het met deze last: "Handel zachtkens met hen om Mijnentwil, want Hij weet wat maaksel wij zijn."
IV. Een volkomen overwinning, behaald over Absaloms krijgsmacht. De slag werd geleverd bij het woud van Efraïm, vers 6, dat aldus genoemd werd naar de een of andere gedenkwaardige krijgsverrichting aldaar van de Efraïmieten, hoewel het in de stam van Gad gelegen was. David achtte het goed om met zijn krijgsmacht de vijand tegen te treden op enige afstand van Mahanaim, teneinde die stad niet in ongelegenheid te brengen, waar hij zo'n vriendelijke schuilplaats gevonden heeft. Het geschil zal beslecht worden door een geregelde veldslag, Josephus beschrijft de strijd als zeer hardnekkig, maar ten laatste werden de rebellen volkomen geslagen, en twintig duizend man van hen sneuvelden, vers 7. Nu hebben zij rechtvaardiglijk geboet voor hun verraad tegen hun wettige vorst, hun onrust onder zo'n goede regering, en hun lage ondankbaarheid jegens zo'n voortreffelijk heerser, nu ondervonden zij wat het was om de wapens op te vatten voor een overweldiger, die hen met zijn kussen en liefkozingen ten verderve heeft gebracht. Waar zijn nu de beloningen, de bevorderingen, de gouden dagen, die zij zich van hem hadden beloofd? Nu zien zij wat het is te beraadslagen tegen de Here en tegen Zijn gezalfde, en er aan te denken om hun banden te verscheuren. En opdat zij zouden zien, dat God tegen hen streed:
1. Worden zij overwonnen door weinigen, door een leger, dat naar alle waarschijnlijkheid door het hunne in getalssterkte zeer ver overtroffen werd. 2. Door de vlucht, waarmee zij zich dachten te redden, hebben zij zich in het verderf gestort, het woud, dat zij opzochten ter beschutting, verteerde meer van het volk dan het zwaard: opdat zij zouden zien dat, toen zij zich veilig waanden voor Davids mannen en zeiden: Voorwaar de bitterheid des doods is geweken, Gods gerechtigheid hen heeft achtervolgd, en hen niet liet leven. Welke toevlucht kunnen rebellen vinden tegen de wraak Gods? De kuilen en moerassen, de boomstompen en het kreupelhout, en, zoals de Chaldeeër het verstaat, de wilde dieren van het woud, hebben waarschijnlijk aan zeer velen van de verstrooide, verbijsterde Israëlieten de dood veroorzaakt behalve nog de twintig duizend, die door het zwaard gedood werden. Hierin heeft God voor David gestreden, maar streed Hij toch ook tegen hem, want al die verslagenen waren zijn eigen onderdanen, en het algemeen belang van zijn rijk werd er door verzwakt. De Romeinen stonden geen triomf toe voor een overwinning in een burgeroorlog.