2 Samuël 18:19-33
Absaloms zaak is afgedaan, en nu wordt ons gezegd:
I. Hoe de tijding aan David werd meegedeeld. Hij was achtergebleven in de stad Mahanaim, op enige mijlen afstands van het woud waar de veldslag plaatshad, en aan de uiterste grens des lands. Absaloms verstrooide krijgsmacht haastte zich huiswaarts naar de kant van de Jordaan in tegenovergestelde richting van Mahanaim, zodat zijn wachters niets van de afloop des veldslags konden bemerken, totdat een expresse aankwam om bericht te brengen van de uitslag van het gevecht, waarop de koning in de poort zat te wachten, vers 24.
1. Cuschi was de man, aan wie Joab beval de tijding te gaan brengen, vers 21. Zijn naam betekent een Ethiopier, en sommigen denken dat hij dit van geboorte ook was, een zwarte dienaar van Joab, waarschijnlijk een van de tien, die geholpen hadden om een einde te maken aan Absaloms leven, vers 15, naar sommigen denken, hoewel het gevaarlijk was voor een van dezen om aan David die tijding te brengen, daar hij wel het lot kon delen van hen, die het bericht brachten van de dood van Saul en van Isboseth.
2. Ahimaaz, de jonge priester, (een van hen, die gebruikt werden om aan David bericht te brengen van Absaloms bewegingen, Hoofdstuk 17:17) was zeer begerig om de boodschapper te zijn van deze tijdingen, zozeer was hij vervuld van vreugde, omdat die wolk voorbij was gedreven, Iaat hem heengaan om aan de koning te zeggen, dat de Here hem recht gedaan heeft van de hand van zijn vijanden, vers 19. Dit begeerde hij, niet zozeer in de hoop op een beloning (daar was hij boven verheven) als wel om het genoegen en de voldoening te smaken, de koning, die hij liefhad, die goede tijding te brengen. Joab kende David beter dan Ahimaaz hem kende, en wist dat de tijding van Absaloms dood, die het verhaal zou besluiten, het aangename van al het overige zou bederven, en hij bemint Ahimaaz te zeer om hem de boodschapper van die tijding te laten wezen, vers 28, het is beter dat die tijding gebracht wordt door een knecht dan door een priester. Maar toen Cuschi was heengegaan, verzocht Ahimaaz zeer dringend verlof om hem na te lopen, dat hij door lang aanhouden verkreeg, vers 22-23. Men vraagt zich af waarom hij zo gesteld was op die dienst, waarvoor iemand anders gebruikt was.
a. Misschien was het om zijn vlugheid te tonen, ziende hoe zwaar Cuschi's gang was, en dat deze wel de naaste weg insloeg maar die ook de moeilijkste was, wilde hij doen zien hoe snel hij kon lopen, en dat hij de langste weg kon nemen en toch voor Cuschi zou aankomen. Het is voor een priester geen grote lof, dat hij snelvoetig is, maar misschien was Ahimaaz er fier op.
b. Misschien was het uit voorzichtigheid en liefde voor de koning, dat hij dit begeerde. Hij wist dat hij voor Cuschi kon aankomen, en nu wilde hij de koning door een aangenaam en belangrijk bericht voorbereiden voor het eenvoudige feit, dat Cuschi hem moest mededelen. Als slechte tijdingen moeten komen, dan is het het best dat zij trapsgewijze komen, ten einde met meer gelatenheid gedragen te kunnen worden.
3. Zij worden beide ontdekt door de wachter op de poort van Mahanaim, Ahimaaz het eerst, vers 24. Want hoewel Cuschi was vooruitgegaan, had hij die spoedig ingehaald en voorbij gelopen, maar terstond daarna verscheen ook Cuschi, vers 26.. a. Als de koning hoort dat daar een man alleen liep, maakt hij hieruit op dat het een expresse is, vers 25. Als hij alleen is, zo is er een boodschap in zijn mond, want indien zij geslagen waren en vluchtende voor de vijand, dan zouden er velen zijn.
b. Als hij hoort dat het Ahimaaz is, dan besluit hij dat hij goede tijding brengt, vers 27. Ahimaaz schijnt zo vermaard te zijn geweest als snel loper, dat hij op een afstand aan zijn gang herkend werd, en hij was zo goed, dat men aanneemt dat, zo hij de boodschapper is, de boodschap goed moet wezen, hij is een goed man, vol ijver voor des konings zaak en belang, hij zou geen slechte tijding brengen. De goede tijding van het Evangelie behoort altijd gebracht te worden door goede mannen, o hoe welkom behoorden zij ons te wezen om hunner boodschap wil!
4. Ahimaaz is zeer ijverig om overwinning bekend te maken, vers 28. Van verre roept hij reeds: "Vrede! er is vrede!", vrede, die na de krijg, dubbel welkom is. "Alles is wèl, o koning, het gevaar is voorbij, en wij kunnen, als het de koning behaagt, terugkeren naar Jeruzalem." En als hij naderbij komt, verhaalt hij de zaak meer in bijzonderheden. Zij zijn allen afgesneden, die hun hand tegen de koning ophieven. En, zoals het een priester betaamde, geeft hij, terwijl hij de koning de blijdschap geeft, aan God de eer er van, de God des vredes en des krijgs, de God van de verlossing en van de overwinning, "geloofd zij de Here, uw God, die dit voor u gedaan heeft, als uw God, ingevolge Zijn beloften om u op de troon te bevestigen," Hoofdstuk 7:16. Toen hij dit zei, viel hij op zijn aangezicht, niet alleen uit eerbied voor de koning, maar in nederige aanbidding van God, wiens naam hij rooft voor deze voorspoed. Door David aldus er toe te leiden om God te danken voor zijn overwinning, bereidt hij hem voor op de volgende tijding van het treurige bijmengsel. Hoe meer ons hart bereid en verruimd is in dank aan God voor onze zegeningen, hoe beter wij instaat zullen zijn om de beproevingen te dragen, die er mee vermengd zijn. David is zozeer vader, dat hij vergeet dat hij koning is, en daarom kan hij zich niet verheugen in de tijding van een overwinning voor hij weet dat het wel is met de jongeling, met Absalom, voor wie zijn hart schijnt te sidderen, bijna zoals Eli's hart in gelijke omstandigheden, voor de ark Gods. Ahimaaz bemerkt spoedig wat Joab hem te kennen had gegeven, namelijk dat de dood van de zoon des konings de tijding van de overwinning zeer onwelkom zal maken, daarom laat hij die zaak twijfelachtig in zijn rapport, en hoewel hij hem aanleiding geeft om te vermoeden hoe de zaak stond, wil hij verhoeden dat de donderslag de arme, verbijsterde koning al te plotseling zal treffen en daarom verwijst hij hem naar de volgende bode, die hij zag aankomen, om van hem meer bijzonderheden te vernemen. "Toen Joab des konings knecht zond, namelijk Cuschi, en mij, uw knecht, om de tijding te brengen, zag ik een groot rumoer, veroorzaakt door iets buitengewoons, zoals gij aanstonds zult horen, maar ik heb er niets van te zeggen, wat mijn boodschap was, heb ik u overgeleverd, Cuschi zal u beter kunnen inlichten dan ik. Ik wil geen boodschapper zijn van kwade tijdingen, en ik wil ook niet voorgeven te weten hetgeen, waarvan ik geen volledig bericht kan geven." Hem wordt daarom bevolen op zijde te gaan staan totdat Cuschi kwam, vers 30, en nu geeft deze, naar wij kunnen onderstellen, de koning een uitvoeriger bericht nopens de overwinning, dat was de zaak waarvan hij de tijding is komen brengen.
5. Cuschi, de langzame post, blijkt de zekere, de betrouwbare te zijn, en behalve nog de bevestiging van de tijding van de overwinning, die Ahimaaz gebracht had, vers 31 De Here heeft u heden recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden-geeft hij ook antwoord op des konings vraag naar Absalom vers 32. Is het wel met hem? vraagt David. "Ja", zegt Cuschi, "hij is goed en wel in zijn graf." Maar hij deelt die tijding op zo gepaste wijze mee dat, hoe onwelkom de boodschap ook zij, de boodschapper niet gelaakt kan worden. Hij zegt hem niet ronduit, dat Absalom gehangen was, doorstoken werd, en begraven onder een hoop stenen, maar alleen, dat zijn lot was, wat hij wenste het lot te zijn van allen, die verraad plegen jegens de koning zijn kroon en zijn "aardigheid. "De vijanden van mijn heer de koning, wie zij ook zijn, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling, ik behoef hun niets ergers te wensen."
II. Er wordt ons meegedeeld hoe David die tijding ontving. Hij vergeet al de blijdschap over zijn uitredding, is geheel overstelpt van smart door dit treurig bericht van Absaloms dood, vers 33. Zodra hij uit de uitdrukking door Cuschi gebruikt, bemerkt dat Absalom dood is, vraagt hij niets meer maar vervalt in een hartstochtelijk wenen, trekt zich terug van het gezelschap, en geeft zich over aan zijn smart. Op en neer gaande in zijn kamer hoorde men hem zeggen: "Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Helaas! helaas! ik treur over u, hoe zijt gij gevallen! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, en gij heden levend gebleven waart". voegt de Chaldeër er bij, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! Ik wenste dat ik reden kon zien om te geloven, dat dit voortkwam uit bezorgdheid over Absaloms eeuwige staat, en dat hij wenste voor hem te zijn gestorven, omdat hij goede hoop had op de eeuwige zaligheid voor zichzelf en op Absaloms bekering, indien hij in het leven ware gebleven, maar het schijnt veeleer onbedachtelijk te zijn gesproken en in hartstocht, en het was zijn zwakheid. Hij moet gelaakt worden:
1. Omdat hij zo'n grote liefde toonde voor een goddeloze zoon, hoe schoon en vernuftig hij ook was, die rechtvaardig van God en mensen was verlaten.
2. Voor zijn twisten, niet alleen met de Goddelijke voorzienigheid, in welker beschikkingen hij zwijgend had behoren te berusten maar ook met de Goddelijke gerechtigheid, die hij had behoren te aanbidden, en waarmee hij had moeten instemmen. Zie hoe Bildad redeneert, Job 8:3, 4. "Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, en Hij heeft hen in de hand hunner overtreding geworpen, dan behoort gij u te onderwerpen, want zou God het recht verkeren?" Zie Leviticus 10:3.
3. Omdat hij zich stelt tegen de gerechtigheid des volks, welker bedeling hem als koning was toevertrouwd, en die hij met nog andere openbare belangen boven zijn natuurlijke genegenheid moest stellen.
4. Om zijn minachten van de zegen van zijn verlossing, en van de verlossing van zijn geslacht en zijn koninkrijk, van Absaloms boze plannen en bedoelingen, alsof dat geen zegen was, van de moeite waard om voor te danken, omdat hij Absaloms leven heeft gekost.
5. Om zijn toegeven aan een sterke hartstocht en onbedachtelijk spreken met zijn lippen. Nu vergat hij zijn eigen redenering bij de dood van een ander kind, (Kan ik hem wederhalen?) en zijn eigen besluit: ik zal mijn mond met een breidel bewaren, toen zijn hart heet was in zijn binnenste, zowel als zijn eigen praktijk op andere tijden, wanneer hij zijn ziel gezet en stilgehouden heeft gelijk een gespeend kind bij zijn moeder. De beste en Godvruchtigste mensen zijn niet altijd in een goede gemoedsstemming, hetgeen waarvoor wij al te grote liefde hebben gekoesterd, zullen wij allicht al te zeer bewenen, daarom is het verstandig om in iedere genegenheid onze geest te beheersen, en strenge wacht te houden over onszelf, als ons wat ons zeer dierbaar was wordt ontnomen. Zij, die verliezen lijden, denken dat zij wel vrijheid hebben om te spreken, maar hoe minder men dan zegt, hoe minder men heeft te verantwoorden. De boetvaardige, geduldige lijder zitte eenzaam en zwijge stil, Klaagliederen 3:28, of beter nog, hij zegge met Job: De naam des Heren zij geloofd