2 Samuël 14:1-20
I. Hier is Joabs plan om Absalom uit zijn ballingschap teruggeroepen te krijgen, zijn misdaad vergeven en zijn eerverlies herroepen, vers 1. Joab was zeer ijverig in deze zaak.
1. Als een hoveling, die er zich op toelegde om zich op alle mogelijke manieren aangenaam te maken bij zijn vorst, en zijn invloed aan te wenden om al meer in gunst bij hen te komen, hij merkte dat des konings hart over Absalom was en dat hij, nu de hitte zijns toorns afgekoeld was, nog dezelfde genegenheid voor hem had, en slechts een vriend nodig had om hem tot verzoening aan te sporen, en hem het middel aan de hand te geven hoe dit te doen, zonder dat de eer van zijn gerechtigheid eronder leed. Joab, ziende hoe Davids gemoedsgesteldheid was, heeft die goede dienst op zich genomen.
2. Als een vriend van Absalom, voor wie hij misschien een bijzondere genegenheid had of die hij tenminste beschouwde als de opgaande zon, wie zich aan te bevelen zijn belang meebracht. Hij voorzag duidelijk dat zijn vader ten laatste wel met hem verzoend zou worden, en daarom dacht hij zich hen beide te vriend te maken, door hun verzoening tot stand te brengen.
3. Als een staatsman, wie het openbare welzijn ter harte gaat. Hij wist dat Absalom de lieveling des volks was, en mocht David sterven, terwijl Absalom nog in ballingschap was, dan zou er een burgeroorlog kunnen ontstaan tussen hen, die voor hem, en hen, die tegen hem waren, want het is waarschijnlijk dat hoewel geheel Israël omtrent zijn persoon genegen was, de gevoelens omtrent zijn zaak toch zeer verdeeld waren.
4. Als iemand, die zelf een misdadiger was wegens zijn moord op Abner, hij was zich bewust van bloedschuld, en dat hijzelf blootgesteld was aan de openbare gerechtigheid, alle gunst, die hij aan Absalom kon doen bewijzen, zou dus bijdragen tot opschorting van zijn eigen straf.
II. Hoe hij het aanlegde om zijn doel te bereiken. Hij liet de koning een enigszins soortgelijk geval voorleggen, en dit werd door de persoon, die hij hiervoor gebruikte, zo handig gedaan, dat de koning het als een werkelijk geval opnam en er een oordeel over uitsprak, zoals hij deed toen Nathan hem zijn gelijkenis voorstelde, en daar het oordeel ten gunste van de misdadiger uitviel, kon tot de toepassing worden overgegaan, waarin aangetoond werd, dat het geval zijn eigen gezin betrof, mocht echter de uitspraak des konings streng zijn, dan luidde de instructie aan de vrouw waarschijnlijk, om niet tot de toepassing over te gaan.
1. De persoon, die hij gebruikte, wordt niet genoemd, maar er wordt gezegd dat zij een vrouw was van Thekoa, een die hij wist geschikt te zijn voor die taak en het was nodig dat het toneel van de handeling op een afstand gelegd zou worden, opdat David het niet vreemd zou vinden, dat hij er nog niet van gehoord had. Er wordt gezegd dat zij een wijze vrouw was, een die meer vernuft en een welbespraakter tong had dan de meesten van haar geburinnen, vers 2. De waarheid van het verhaal zou te minder verdacht worden, als het, gelijk verondersteld werd, uit de mond van de persoon zelf kwam.
2. Zij stelde zich voor als een troosteloze weduwe, vers 2. Joab wist dat zo een gerede toegang zou vinden bij de koning, die altijd bereid was treurenden te troosten, inzonderheid treurende weduwen, hijzelf had het als erenaam Gods aangeduid, dat Hij is "een rechter van de weduwen." Psalm 68:6. Gods oor en ook Zijn hart is ongetwijfeld meer open voor het geroep van de beproefden dan dat van de barmhartigste vorst op aarde zijn kan.
3. Het was een zaak van medelijden, die zij de koning moest voorleggen, een zaak waarvoor zij geen hulp kon verkrijgen dan van des konings meedogend hart, want de wet-en bijgevolg het oordeel van al de mindere gerechtshoven-was tegen haar. Zij zegt de koning dat haar man is gestorven, vers 5, dat zij twee zonen had, die de troost en steun waren van haar weduwstaat, dat deze twee twist met elkaar kregen, zoals dit meer onder jongelieden is, en streden, en dat de een de ander ongelukkig gedood heeft, vers 6, dat zij hem, die de manslag had gepleegd, gaarne zou willen beschermen, want, zoals Rebekka omtrent haar twee zonen redeneerde: "Waarom zou ik van beide beroofd worden op een dag?" Genesis 27:45. Maar hoewel zij, die de naaste bloedverwante was van de verslagene, bereid was van de eis des bloedwrekers af te zien, hebben de andere bloedverwanten er op aangedrongen, dat de overlevende broeder ter dood zou gebracht worden overeenkomstig de wet, niet uit liefde voor gerechtigheid of voor de verslagene, maar opdat, door de erfgenaam om te brengen en zij waren onbeschaamd genoeg om te bekennen dat dit hun doel was-de erfenis van hen zou zijn. En aldus wilden zij:
a. Haar van haar steun en troost beroven, mijn kool uitblussen, dus een einde maken aan al mijn blijdschap in dit leven.
b. De gedachtenis haars mans uitroeien. "Zijn geslacht zal geheel uitgestorven zijn, zij zullen hem geen naam noch overblijfsel laten op de aardbodem, vers 7.
4. De koning beloofde haar zijn gunst en zijn bescherming voor haar zoon. Let op, hoe de medelijdende inwilliging des konings al meer en meer toenam.
a. Op de voorstelling harer zaak beloofde hij haar in overweging te zullen nemen en er orders voor te geven, vers 8. Het was bemoedigend dat hij haar verzoek niet afwees met: "Curat lex Het recht hebbe zijn loop, bloed roept om bloed, en het moet hebben waar het om roept", maar hij wil tijd hebben om er een onderzoek naar in te stellen of hetgeen zij in haar verzoek aanvoert overeenkomstig de waarheid is.
b. Hiermede is de vrouw niet tevreden, maar verzoekt dat hij terstond uitspraak zal doen te harer gunste en zo de feiten niet zijn zoals zij ze voorstelt, en er bijgevolg een verkeerde uitspraak in wordt gegeven, zo wil zij de schuld dragen, maar de koning en zijn stoel zal zij van schuld bevrijden, vers 9. Dat zij dit zegt zou de koning echter niet van schuld bevrijden, indien hij een oordeel uitspreekt zonder behoorlijk kennis genomen te hebben van de zaak.
c. Aldus gedrongen zijnde, belooft hij haar nog dat zij door haar tegenstanders niet beledigd of benadeeld zal worden, maar dat hij haar tegen alle overlast zal beschermen, vers 10. Magistraten moeten de beschermers zijn van verdrukte weduwen. Dit stelt haar echter niet tevreden of zij moet ook de vergiffenis van haar zoon en zijn bescherming van hem verkrijgen. Ouders zijn niet gerust of hun kinderen moeten veilig wezen, veilig in deze en in de toekomende wereld, vers 11. Laat de bloedwreker mijn zoon niet verdelgen, want ik ben ongelukkig zo ik hem verlies, men zou evengoed mijn leven kunnen nemen als het zijne. De koning gedenke toch aan de Here, uw God. Dat is:
A. "Hij bevestige zijn barmhartige uitspraak door een eed, de Here onze God noemende bij wijze van beroep op Hem opdat de uitspraak onbetwistbaar en onherroepelijk zij, en dan zal ik gerust wezen". Zie Hebreeën 6:17, 18.
B. "Hij bedenke welke goede redenen er zijn voor deze barmhartige uitspraak, en dan zal hij er zelf in bevestigd worden. Gedenk hoe genadig en barmhartig de Here uw God is, hoe Hij de zondaren lang verdraagt, niet met hen handelt naar dat zij verdienen, maar bereid is te vergeven. Gedenk hoe de Here uw God Kaïn gespaard heeft, die zijn broeder doodsloeg en hem tegen de bloedwrekers heeft beschermd Genesis 4:15. Gedenk hoe de Here uw God het bloed van Uria vergeven heeft, en laat de koning, die barmhartigheid verkregen heeft barmhartigheid bewijzen". Niets is geschikter om ons aan te sporen tot de vervulling van elken plicht, inzonderheid tot alle daden van barmhartigheid en weldadigheid, dan de Here onze God te gedenken.
C. Deze weduwe heeft door haar aanhoudend dringen ten laatste een volkomen vergiffenis verkregen voor haar zoon, bevestigd met een eed, zoals zij het gewenst heeft. Zo waarachtig als de Here leeft, indien er een van de haren uws zoons op de aarde vallen zal! dat is: ik sta er voor in dat hem om die zaak geen leed zal geschieden". De Zone Davids heeft aan allen die zich onder Zijn bescherming hebben gesteld, de verzekering gegeven dat, al zouden zij ook om Zijnentwil ter dood gebracht worden, toch "geen haar uit hun hoofd verloren zal gaan," Lukas 21:16-18, dat zij, hoewel voor Hem verliezende, toch niet door Hem zullen verliezen. Of David er wel aan gedaan heeft aldus de bescherming eens moordenaars op zich te nemen, die de vrijsteden niet konden beschermen, weet ik niet. Maar zoals de zaak hem voorkwam, was er niet alleen grote reden om ontferming te betonen aan de moeder, maar ook plaats genoeg voor een gunstig oordeel omtrent de zoon. Hij had zijn broeder verslagen, maar hij heeft hem tevoren niet gehaat. Het was op een plotselinge terging, en voorzoveel men wist kon het in zelfverdediging zijn geschied. Hijzelf heeft dit niet aangevoerd, maar de rechter moet de voorspraak zijn van de beschuldigde, en daarom: Laat ditmaal de barmhartigheid roemen tegen het oordeel.
5. De zaak aldus uitgewezen zijnde ten gunste van haar zoon, is het nu tijd om dit toe te passen op des konings zoon, Absalom. Zij begint het masker af te werpen, en nu doet zich een ander toneel voor. De koning is verrast, maar volstrekt niet misnoegd, om in deze nederige smekelinge plotseling een persoon te zien, die hem bestraft, zich als zijn raadgeefster opwerpt, en als voorspraak voor de prins, zijn zoon, als de mond des volks, om hem hun gevoelen kenbaar te maken. Zij vraagt hem om vergeving en om geduld te hebben voor hetgeen zij nog verder te zeggen heeft, vers 12, en zij verkrijgt verlof om het te zeggen, daar de koning veel behagen vindt in haar vernuft en haar wijze van spreken.
A. Zij stelt Absaloms zaak voor als in werkelijkheid gelijkstaande met die, welke zij als de zaak haars zoons had voorgesteld, en daarom: als de koning haar zoon wilde beschermen, hoewel hij zijn broeder had gedood, dan behoort hij nog veel meer zijn eigen zoon te beschermen en zijn verstotene weer te halen, vers 13. "Mutate nomine, de te fabula narratur-Verander slechts de namen, en van u is het verhaal." Zij noemt Absalom niet, en dat was ook niet nodig, David verlangde zo naar hem, en zijn gedachten waren zo van hem vervuld, dat hij spoedig begreep wie zij bedoelde met zijn verstotene. En in die twee woorden waren twee argumenten, waarvan des konings teder hart de volle kracht gevoelde: "Hij is verbannen, verstoten, en heeft gedurende drie jaren de schande en de angst en al de ongemakken van de ballingschap verduurd, de zodanige is deze bestraffing genoeg, maar hij is uw verstotene, uw eigen zoon, een deel van uzelf, uw geliefde zoon.
Het is waar, Absaloms zaak verschilde grotelijks van die, welke zij had voorgesteld. Absalom heeft zijn broeder niet plotseling in een opwelling van toorn gedood, maar boosaardig, uit een lang- gekoesterde wrok, niet in het veld, waar geen getuigen waren, maar aan tafel, voor de ogen van zijn gasten. Absalom was ook niet, zoals haar zoon, een enige zoon, David had er nog velen, en een, die pas onlangs was geboren van wie het veel meer waarschijnlijk is dat hij zijn opvolger zal zijn, want hij was Jedid-Jah genoemd, omdat God hem liefhad. Maar David was zelf die zaak te zeer toegedaan om aanmerkingen te maken op het ongelijke in die gevallen, en was meer begerig dan zij kon zijn, om aan zijn eigen zoon het gunstig oordeel te brengen, dat hij betreffende haar zoon had gegeven.
B. Zij redeneert er over met de koning om hem te bewegen Absalom uit zijn ballingschap terug te roepen, hem vergeving te schenken en hem weer in gunst aan te nemen.
a. Zij pleit op het belang, dat het volk van Israël in hem stelt. "Wat tegen hem wordt gedaan, wordt gedaan tegen het volk Gods, die het oog op hem hebben als erfgenaam van de kroon, tenminste het oog hebben op het huis Davids in het algemeen, waarmee het verbond gemaakt is, en waarvan zij dus de vermindering of het verval niet kunnen aanzien, doordat zovelen van zijn loten in de bloei hunner jaren worden afgesneden. Want daaruit dat de koning dit woord gesproken heeft, is hij als een schuldige, want hij wil er wel in voorzien, dat de naam en de gedachtenis mijns mans niet worde afgesneden, maar heeft er geen bekommernis over dat zijn eigen naam en gedachtenis in gevaar is, terwijl die toch van veel meer waardij en gewicht zijn dan tienduizenden van ons.
b. Zij voert de sterflijkheid aan van de mens, vers 14. Wij zullen de dood sterven, dit is voor ons bestemd, wij kunnen er niet aan ontkomen, noch de dood verschuiven of uitstellen. Wij bevinden ons allen onder de noodlottige noodzakelijkheid van te moeten sterven, en als wij dood zijn, kunnen wij niet meer in het leven teruggeroepen worden, wij zijn dan als water dat ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt, ja, terwijl wij nog leven zijn wij reeds zo, wij hebben onze onsterflijkheid verloren, en kunnen haar niet herwinnen. Amnon zou eens hebben moeten sterven al had Absalom hem niet gedood, en als Absalom nu ter dood gebracht moet worden, omdat hij hem gedood heeft, dat zal hem, Amnon, niet weer in het leven terugbrengen. Dat was een armzalige redenering, en zou kunnen dienen tegen het straffen van elke moordenaar, maar het schijnt dat Amnon weinig bemind of geacht was bij het volk, en dat zijn dood weinig betreurd werd, en algemeen vond men het hard, dat zo'n dierbaar leven als dat van Absalom gegeven zou worden voor een leven, zo weinig gewaardeerd als dat van Amnon.
c. Zij pleit op Gods barmhartigheid en Zijn goedertierenheid jegens arme schuldige zondaren. "God zal de ziel, of het leven, niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene Zijn kinderen, die tegen Hem overtreden hebben, en onderhevig zijn aan Zijn gerechtigheid, zoals Absalom aan de uwe, niet voor altijd van zich verstote, vers 14. Hier zijn twee grote voorbeelden van Gods barmhartigheid jegens zondaren gepast aangewend als redenen om genade te betonen. Ten eerste. De lankmoedigheid, die Hij hun betoont. Zijn wet wordt overtreden, maar Hij neemt niet terstond het leven weg van hen, die haar overtreden, doet de zondaars niet dood ter aarde vallen, dat Hij rechtvaardig zou kunnen op het ogenblik, dat zij de zonde bedrijven, maar verdraagt hen, en wacht om hun genadig te zijn. Gods wraak heeft Absalom laten leven waarom zou dan Davids gerechtigheid hem niet laten leven?
Ten tweede. De voorziening, die Hij getroffen heeft om hen in Zijn gunst te herstellen, opdat zij, die door hun zonde zich uit Zijn tegenwoordigheid hebben verbannen, toch niet voor eeuwig buitengeworpen en verstoten zullen zijn. Er kan voor de zondaars verzoening worden gedaan door offerande. Melaatsen en personen, die ceremonieel onrein waren, werden gebannen, maar er was een voorziening getroffen voor hun reiniging, opdat zij, hoewel voor een tijd buitengesloten, toch niet voor altijd verbannen zouden zijn. De toestand van zondaars is een toestand van verbannen zijn van God. Arme gebannen zondaren zouden waarschijnlijk voor eeuwig buitengeworpen worden van God, indien er geen maatregelen worden genomen om dit te voorkomen het is tegen de wil van God, dat zij dit zijn zouden, want Hij wil niet dat iemand verloren ga, de oneindige wijsheid heeft de rechte middelen beschikt om het te voorkomen zodat het de eigen schuld is van de zondaren, zo zij omkomen, buitengeworpen worden. Dit voorbeeld van Gods welwillendheid jegens ons allen, moet ons hart neigen om barmhartig en medelijdend te zijn voor elkaar, Mattheus 18:32,33.
6. Zij besluit haar toespraak met hoge loftuitingen aan de koning en sterke uitdrukkingen van haar verzekerdheid, dat hij doen zou wat recht en vriendelijk is, zowel in de ene zaak als in de andere, vers 15-17, want, alsof de zaak werkelijk bestond, blijft zij nog pleiten voor haarzelve en voor haar zoon, maar bedoelende Absalom.
A. Zij zou de koning niet lastig gevallen zijn, als het niet was dat het volk haar vreesachtig gemaakt heeft. Wordt dit opgevat van haar eigen zaak, dan wil zij zeggen dat al haar naburen haar bevreesd maakten voor het verderf, dat over haar en haar zoon stond te komen van de zijde van de bloedwrekers, en de angst, die haar dieswege vervult, heeft haar de stoutmoedigheid gegeven om zich tot de koning zelf te wenden. Wordt er Absaloms zaak mee bedoeld, dan geeft zij de koning te kennen, wat hij tevoren niet wist, namelijk dat het volk ontevreden was wegens zijn strengheid voor Absalom, en wel in zo hoge mate, dat zij wezenlijk vreesde dat er een algemene muiterij en opstand op zou voortkomen, om welk groot onheil te voorkomen zij het gewaagd heeft tot de koning zelf te spreken. De angst, waarin zij verkeerde, moet tot verontschuldiging strekken voor haar onbeleefdheid.
B. Zij wendde zich tot hem met groot vertrouwen in zijn wijsheid en goedertierenheid. "Ik zei: ik zal zelf tot de koning spreken, en niemand vragen om voor mij te spreken, want de koning zal naar rede luisteren zelfs van zo'n gering schepsel als ik ben, hij zal het geroep horen van de verdrukten, en hij zal niet toelaten, dat ook de armste van zijn onderdanen van Gods erve verdelgd zal worden", dat is: "verdreven uit het land Israëls, om zich een toevlucht te gaan zoeken onder de onbesnedenen, zoals Absalom heeft moeten doen, wiens geval nog zoveel te erger is, nu hij, buitengesloten zijnde van het erfdeel Gods, Gods wet en inzettingen moet missen, die er anders toe zouden kunnen bijdragen om hem tot berouw en bekering te brengen, en gevaar loopt van besmet te worden met de afgoderij van de heidenen onder wie hij verblijft, en dan die besmetting ook over ons te brengen, onder ons. Om de koning te bewegen haar verzoek toe te staan, drukt zij het vaste vertrouwen uit, dat zijn antwoord troostrijk zal zijn, zoals engelen het brengen (zoals bisschop Patrick dit verklaart) die de boden zijn van Gods genade. Wat die vrouw zegt bij wijze van loftuiting, zegt de profeet bij wijze van belofte Zacheria 12:8, "het huis Davids zal zijn als de engel des Heren." "En om dit te doen "zal de Here uw God met u wezen om u te helpen voor deze en alle andere rechtspraken, die gij doen zult." Voor personen van eer inzonderheid zijn de grote verwachtingen, die men van hen koestert, even zoveel aansporingen om alles te doen wat zij kunnen, om hen niet teleur te stellen, die op hen rekenen.
Eindelijk. De koning vermoedt dat Joabs hand in dit alles is, en de vrouw bekent dit, vers 18-20.
A. De koning heeft dit spoedig vermoed. Want hij kon niet denken dat een vrouw als deze zich uit eigen beweging voor een zaak van zoveel gewicht tot hem gewend zou hebben. En hij kende niemand, van wie het zo waarschijnlijk was om er haar toe aangezet te hebben, dan Joab, die een staatkundig man en een vriend van Absalom was.
B. Eerlijk wordt dit door de vrouw bekend. Uw knecht Joab, die heeft het mij geboden. "Als het wel gedaan is, zo laat hem er de lof voor hebben, indien het verkeerd was, zo drage hij er de schuld van". Hoewel zij bevond dat het de koning zeer aangenaam was, wilde zij toch de lof er voor niet voor zichzelve aannemen, maar zegt de waarheid zoals zij is, en geeft ons een voorbeeld om desgelijks te doen, en nooit een leugen te spreken teneinde een goed overlegd plan te verbergen. Durf waar zijn, er is niets dat een leugen nodig hebben kan.