2 Samuël 13:1-20
Wij hebben hier een uitvoerig verhaal van de verfoeilijke goddeloosheid van Amnon in het verkrachten van zijn zuster, een onderwerp niet geschikt om er over uit te weiden, ja waarvan men niet zonder blozen kan zeggen: dat ooit een man zo laag kon wezen, en dat nog wel een zoon van David! Wij hebben reden te geloven dat Amnons karakter ook in andere opzichten slecht was, indien hij God niet had verlaten, hij zou nooit aan die lage neigingen zijn overgegeven. Godvruchtige ouders zijn dikwijls beproefd geworden door goddeloze kinderen, genade zit niet in het bloed, maar wel bederf. Wij bevinden niet dat Davids kinderen hem hebben nagevolgd in zijn vroomheid, maar wel hebben zij in zijn verkeerde voetstappen gewandeld, en daarin zijn zij verder gegaan dan hij, en zij hebben er zich niet van bekeerd. Ouders weten niet hoe noodlottig de gevolgen zijn, als zij in enigerlei geval een slecht voorbeeld geven aan hun kinderen. Let op de verschillende stappen in Amnons zonde.
I. De duivel heeft, onreine geest die hij is, hem in het hart gegeven om een onreine begeerte te hebben naar zijn zuster Thamar. Schoonheid is een strik voor velen, zij was dit voor haar, zij was schoon, en daarom begeerde Amnon haar, vers 1. Zij, die bijzonder schoon zijn, hebben geen reden om er trots op te wezen, maar wel veel reden om op hun hoede te zijn. Amnons lust was:
1. Onnatuurlijk op zichzelf. Wellustige begeerten te hebben naar zijn zuster is een zonde, waarvan zelfs het natuurlijke geweten terugschrikt, en waaraan het niet zonder afschuw denken kan. Er is in de verdorven natuur des mensen zo'n geest van tegenspraak, dat zij nog altijd hunkert naar verboden vrucht, en hoe sterker zij verboden is, hoe gulziger zij wordt begeerd. Kan hij het denkbeeld in zich laten postvatten, om die deugd en eer te verraden, waarvan hij als een broeder de beschermer had moeten zijn? Maar wat snoodheid zo laag, die geen ingang kan vinden in een ongeheiligd hart, dat aan zichzelf is overgelaten?
2. Het viel hem zwaar. Het was zo'n kwelling voor hem, dat hij geen gelegenheid kon krijgen om haar kuisheid te schenden (want de onschuldige omgang met haar was hem niet ontzegd) dat hij er ziek van werd vers 2. Vleselijke lusten brengen hun eigen straf mede, zij voeren niet alleen krijg tegen de ziel, maar ook tegen het lichaam, en zijn een verrotting van de beenderen. Zie welk een harde meester de zondaars dienen, en hoe zwaar zijn juk is.
II. Als een listige slang bracht de duivel hem in het hoofd hoe zijn boos voornemen ten uitvoer te brengen. Amnon had een vriend (zo noemde hij hem, maar in werkelijkheid was hij zijn vijand) een bloedverwant, die meer van Davids bloed had (want hij was zijn neef, de zoon zijns broeders) dan van Davids geest, want hij was een listig man, slim in het beramen en uitvoeren van boze plannen, inzonderheid voor een zaak van die aard, vers 3.
1. Hij bemerkt dat Amnon er slecht uitziet, en zijn slimheid deed hem gissen dat hij minziek was, vers 4, hij vraagt hem: Waarom zijt gij van morgen tot morgen zo mager, gij koningszoon? Waarom kwijnt gij, die des konings oudste zoon zijt en erfgenaam van de kroon? Des konings zoon zijnde, hebt gij:
a. "De genoegens van het hof om u te vermaken, gebruik die genoegens dan, en verdrijf er het verdriet mede, waarin dit dan ook moge bestaan". Tevredenheid en rust worden niet altijd in de paleizen van de koningen gevonden. Met veel meer reden kunnen wij aan ternedergeslagen, troosteloze heiligen vragen, waarom zij, die de kinderen zijn van de Koning der koningen, erfgenamen zijn van de kroon des levens, van dag tot dag zo mager zijn.
b. De macht van een prins om te beschikken over hetgeen gij wenst, gebruik dan die macht, en bevredig uw verlangen. Kwijn niet weg om hetgeen gij, als zoon des konings geoorloofd of ongeoorloofd, hebben kunt. "Quicquid libet licet-Uw wil is wet". Zo sprak ook Isebel in een soortgelijk geval tot Achab, 1 Koningen 21:7 . Zoudt gij nu over het koninkrijk van Israël regeren? Het misbruiken van macht is de grootste verzoeking voor de groten der aarde.
2. Amnon had de onbeschaamdheid om zijn goddeloze lust te bekennen, die hij verkeerdelijk met de naam liefde bestempelde (ik heb Thamar lief), en nu doet Jonadab hem een middel aan de hand om zijn lust te bevredigen, vers 5. Indien hij geweest was wat hij voorgaf te zijn-Amnons vriend-hij zou verschrikt zijn geworden op het noemen van zo'n afschuwelijke goddeloosheid, hem het kwaad er van hebben voorgehouden, aangetoond hebben welk een zonde het was tegen God en welk een onrecht tegen zijn eigen ziel om aan zo'n snode, lage gedachte plaats te geven in zijn hart, welke noodlottige gevolgen het zou hebben om er gevolg aan te geven, en hij zou zijn wijsheid hebben aangewend om Amnon af te leiden van die gedachte, en hem een vrouw aan te bevelen, die hij wettig zou kunnen huwen. Maar hij schijnt er niet eens verbaasd of verwonderd over, maakt geen bezwaar wegens het ongeoorloofde of het moeilijke van de zaak, de smaad, die er het gevolg van zijn zal, ja niet eens wegens het misnoegen van zijn vader, maar geeft hem het middel aan de hand om Thamar aan zijn legerstede te krijgen, wanneer hij dan doen kon wat hij wilde. De toestand is zeer ongelukkig van die personen, wier vrienden hen vleien inplaats van hen te vermanen en te bestraffen, hen voorthelpen op hun zondige weg, hun raadslieden en helpers zijn in het bedrijven van goddeloosheid. Amnon is reeds ziek, maar is toch nog op de been, hij moet zich nu zo ziek veinzen (en hij ziet er slecht genoeg uit om aan zijn ziek-zijn te doen geloven) dat hij niet kan opstaan, en dat hij niets kan eten dan hetgeen waarin hij zeer bijzonder trek heeft, zijn ziel verfoeit de begeerlijke spijs, Job 33:20, het beste gerecht van des konings tafel kan hem niet behagen, maar als hij iets zou kunnen eten, dan zou het zijn wat zijn zuster Thamar in zijn tegenwoordigheid eigenhandig voor hem bereidt. Dat is het wat hem wordt aangeraden.
3. Amnon volgt die raad, en krijgt aldus. Thamar binnen zijn bereik. Hij legde zich en maakte zich ziek, vers 6. Aldus legt hij lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol, om de ellendige te roven, en trekt hem in zijn net, Psalm 10:8-10. David heeft altijd veel van zijn kinderen gehouden, en was er bezorgd over als hun iets scheelde, niet zodra hoort hij dat Amnon ziek is, of hij gaat hem bezoeken. Laat ouders hieruit leren teder te zijn voor hun kinderen, medelijden met hen te hebben. Het is gewoonlijk de moeder, die het zieke kind troost, Jesaja 66:13, maar laat ook de vader er niet onverschillig, niet onbekommerd om wezen. Wij kunnen onderstellen dat David, toen hij zijn kranke zoon bezocht hem goede raad gaf om een recht gebruik te maken van zijn beproeving, en met hem heeft gebeden, hetgeen echter geen verandering bracht in zijn goddeloos voornemen. Bij het heengaan vraagt de liefdevolle inschikkelijke vader: "Is er ook iets, waar gij zin in hebt en dat ik u bezorgen kan?" "Ja, vader", zegt de veinzende zoon, "mijn maag is zwak, en ik weet niets dat ik zou kunnen eten, of het moest een koek zijn, die mijn zuster Thamar bakt, en die zal mij temeer goed doen, als ik hem uit haar hand kan eten." David zag geen reden om een boos oogmerk te vermoeden, God heeft in deze zaak zijn hart voor kloek verstand verborgen, en zo beveelt hij terstond aan Thamar om haar kranke broeder te gaan oppassen, vers 7. Hij doet dit volkomen argeloos, maar later heeft hij er waarschijnlijk met diep leedwezen aan gedacht. Even argeloos gaat Thamar naar de kamer haars broeders, hij noch zij enig kwaad vrezende, waarom zou zij ook iets kwaads duchten van een broeder, een kranke broeder? In gehoorzaamheid aan haar vader en genegenheid voor haar broeder-hoewel hij slechts haar halve broeder is-versmaadt zij het niet zijn verpleegster te wezen, vers 8, 9, hoewel zij een koningsdochter, een grote schoonheid was, en fraaie kleren droeg, vers 18, achtte zij het toch niet beneden zich, koeken te kneden en te bakken, en zij zou het nu niet hebben kunnen doen, indien zij niet gewoon was het te doen. Goede huishoudsters te zijn is niet beneden de waardigheid van de aanzienlijkste vrouwen, en zij moeten dit ook geen verkleining voor zich achten. De deugdelijke huisvrouw "wier man zit met de oudsten des lands, werkt met lust harer handen," Spreuken 31:13. De nieuwere tijden zijn ook niet zonder voorbeelden hiervan en het is ook lang niet zo onbestaanbaar met voorname manieren, als sommigen het willen doen voorkomen. Spijzen te bereiden voor de kranken moet voor aanzienlijke vrouwen een lieflijker werk zijn dan zich bezig te houden met haar kledij.
4. Haar bij zich gekregen hebbende, maakt hij nu schikkingen om met haar alleen te zijn, want de overspeler (hoeveel temeer niet nog zulk een vuil overspeler als deze!) zorgt er voor dat "geen oog hem zal zien," Job 24:15. De spijs is gereed, maar hij kan niet eten als allen, die om hem heen zijn, hem aanstaren, zij moeten allen weggezonden worden, vers 9. Aan kranken moet men toegeven, zij denken dat het hun voorrecht is te gebieden. Thamar wil hem gaarne zijn zin geven, haar deugdzame, kuise ziel heeft niet het minste denkbeeld van hetgeen, waarvan zijn verdorven hart vervuld is, en daarom maakt zij geen bezwaar om in de kamer met hem alleen te zijn, vers 10. En nu wordt het masker afgeworpen, de boze ellendeling noemt haar zuster, en doet haar toch het onbeschaamde aanzoek om bij hem te liggen vers 11. Het was een laaghartige belediging harer deugd om het mogelijk te achten, dat zij zou bewilligen in die goddeloosheid, daar hij toch wist dat haar gedrag steeds voorbeeldig is geweest in zedigheid en deugd. Maar gewoonlijk denken zij, die in onkuisheid leven, dat anderen zijn zoals zij zelf zijn, dat zij tenminste tonder zijn voor hun vonken.
III. De duivel, als een sterke verzoeker, sluit zijn oor voor alle redeneringen, waarmee zij zijn aanval weerstaat en hem zoekt te overreden om van haar af te laten. Wij kunnen ons voorstellen hoe verrast en verschrikt de jonge maagd was om aldus aangevallen te worden, hoe zij bloosde en hoe zij beefde, toch kon zelfs in de verwarring dier overrompeling niets gezegd worden, dat meer voegzaam en gepast was en meer kracht van betoog had, dan wat zij tot hem zei.
1. Zij noemt hem broeder, hem er aan herinnerende, hoe na zij elkaar in den bloede bestaan, waardoor het ongeoorloofd is dat hij haar zou huwen, en nog veel meer, dat hij haar zou onteren. Het was uitdrukkelijk verboden, Leviticus 18:9, onder bedreiging van een zeer strenge straf, Leviticus 20:17. Er moet grote zorg voor worden gedragen dat de liefde, die onder bloedverwanten behoort te bestaan, niet ontaardt in vleselijke lust.
2. Zij smeekt hem haar niet te verkrachten waaruit blijkt dat zij er nooit in het minst in zou bewilligen, en welke voldoening kon het hem geven geweld te gebruiken?
3. Zij houdt hem de ontzettende slechtheid er van voor. Het is dwaasheid, alle zonde is dit, inzonderheid de zonde van de onkuisheid, het is slechtheid van de ergste soort. Zulke gruwelen moeten in Israël niet bedreven worden, onder het belijdend volk van God dat betere wetten heeft dan de heidenen. Wij zijn Israëlieten, als wij zulke dingen doen, zijn wij minder te verontschuldigen dan anderen, en onze veroordeling zal ondraaglijker zijn, want wij smaden de Here en onteren de hoogwaardige naam, die over ons is aangeroepen.
4. Zij stelt er hem de schande van voor, die misschien meer op hem vermag dan de zonde er van. "Wat mij aangaat, waarheen zou ik mijn schande brengen? Al zou zij verborgen zijn, zal ik toch zolang als ik leef blozen om er aan te denken, en zo zij bekend wordt, hoe zal ik dan mijn vrienden in het aangezicht kunnen zien? En wat u aangaat: Gij zoudt zijn als een van de dwazen in Israël", dat is: "gij zult beschouwd worden als een gruwelijke lichtmis, als de slechtste van de mensen, gij zult alle achting verliezen van hen, die wijs en Godvruchtig zijn, en zo zult gij op zijde worden gezet als ongeschikt om te regeren, hoewel gij de eerstgeborene zijt, want nooit zal Israël er in toestemmen om door zo'n dwaas geregeerd te worden." Het vooruitzicht op schande inzonderheid eeuwige schande, moet ons terughouden van zonde.
5. Om hem voor het ogenblik van zijn snood voornemen af te leiden, en zo mogelijk zich van hem te ontdoen, geeft zij hem te kennen dat de koning, veeleer dan hem uit liefde voor haar te laten sterven, waarschijnlijk wel vrijstelling zal verlenen van de Goddelijke wet en hem haar laten huwen, niet dat zij dacht, dat hij die macht tot vrijstelling had, of voorgaf haar te hebben, zij vertrouwde volkomen dat de koning, zo hem door Amnon zelf die snode begeerte werd meegedeeld, waaraan hij nauwelijks geloof zou hebben geslagen, zo zij hem door iemand anders bekend ware geworden, afdoende maatregelen zou nemen om haar tegen hem te beschermen.
Maar al haar zeggen en betogen baatte niet. Zijn hoogmoedig hart kan geen weigering dulden, maar haar rust, haar eer, alles wat haar dierbaar was, moet aan zijn beestachtige, vuile lust worden opgeofferd vers 14. Het is te vrezen dat Amnon, hoewel hij nog jong was, reeds lang een ontuchtig leven heeft geleid, dat zijn vader òf niet wist, of ongestraft liet, want een mens kan niet opeens en plotseling tot zo'n diepte van goddeloosheid komen. Maar is dit zijn liefde voor Thamar? Is dit de beloning, die hij haar geeft voor haar bereidwilligheid om hem op te passen in zijn ziekte? Zal hij met zijn zuster doen als met een hoer? Lage schurk! God verlosse allen, die zedig en deugdzaam zijn, van zulke goddeloze en onredelijke mannen.
IV. Als een pijniger en verrader verkeert de duivel terstond zijn liefde in haat, vers 15. Hij haatte haar met een zeer grote haat, hij werd even buitensporig in zijn boosaardige haat, als hij in zijn lust geweest is, laaghartig zette hij haar met geweld buiten de deur, ja, alsof hij het nu versmaadde haar aan te raken met zijn eigen handen, gebood hij zijn dienaar haar naar buiten te drijven en de deur achter haar toe te grendelen, vers 17.
1. De onschuldige, beledigde jonkvrouw had reden, om dit als een zeer grote belediging op te nemen, in sommige opzichten groter (zoals zij zegt, vers 16) dan de vorige, want niets wreders of schandelijkers kon haar aangedaan worden. Had hij maatregelen genomen om te verbergen wat er geschied was, haar eer zou alleen in haar eigen ogen verloren zijn geweest. Had hij zich op de knieen geworpen en haar om vergeving gevraagd, het zou een kleine vergoeding zijn geweest. Had hij haar tijd gegeven om tot kalmte te komen na de schrikkelijke ontroering, waarin zij gebracht was, zij zou bedaard hebben kunnen blijven toen zij naar buiten ging, en over de zaak hebben kunnen zwijgen. Maar door haar dus in allerijl, ruw en lomp weg te jagen, alsof zij iets heel slechts gedaan had, bracht hij haar in de noodzakelijkheid om ter haar verdediging zelf het onrecht bekend te maken, dat haar aangedaan was. 2. Hieruit kunnen wij zien beide de boosaardigheid van de zonde ongebreidelde hartstochten zijn even slecht als ongebreidelde lusten en de boze gevolgen van de zonde in het einde bijt zij als een slang, want hier bevinden wij:
a. Dat zonden, zoet in het bedrijven, daarna hatelijk en smartelijk worden, en dat het des zondaars eigen geweten is, die ze aldus maakt voor hemzelf. Amnon haatte Thamar, omdat zij niet wilde bewilligen in zijn goddeloosheid, en dus de schuld er van, zelfs niet ten dele op zich wilde nemen, maar haar tot het laatste toe weerstaan heeft, er tegen gesproken heeft en er dus de gehele schuld van op hem liet rusten. Indien hij de zonde had gehaat en er zichzelf om had verafschuwd, wij zouden hebben kunnen hopen dat hij boetvaardig was. "Droefheid naar God werkt verontwaardiging" 2 Corinthiers 7:11, o maar de persoon te haten, die hij mishandeld had, dat toonde aan dat zijn geweten wel verschrikt, maar zijn hart niet verootmoedigd was. Zie hoe bedrieglijk de genietingen zijn van het vlees, hoe spoedig zij voorbijgaan en in walging verkeren, zie Ezechiël 23:17.
b. Dat zonden, gepleegd in het verborgen, later openbaar worden, en dat ook de zondaars zelf dikwijls bekend worden, openbaar worden als zondaars. De Joodse leraren zeggen dat bij gelegenheid van deze goddeloosheid van Amnon een wet gemaakt werd, dat een jonge man en een jonge vrouw nooit tezamen alleen gelaten mochten worden, want zeiden zij, indien des konings dochter aldus behandeld werd, wat zal er dan van de kinderen van particulieren worden?
Wij moeten de misdadiger nu overlaten aan de verschrikkingen van zijn eigen schuldig geweten, en zien wat er van het arme slachtoffer wordt.
A. Bitterlijk heeft zij het haar aangedane kwaad beweend, daar het een vlek was op haar eer, hoewel er geen wezenlijke smet door kwam op haar deugd. Zij verscheurde haar fraaie klederen ten teken van haar smart, deed as op haar hoofd om zich te ontsieren, een afkeer hebbende van haar eigen schoonheid en versierselen, omdat zij Amnons ongeoorloofde liefde hadden opgewekt, en zij ging heen en kreet weende om de zonde van een ander, vers 19.
B. Zij trok zich terug in het huis van haar broeder Absalom omdat hij haar eigen broeder was, en daar leefde zij in eenzaamheid en smart, ten teken van haar zedigheid en haar verfoeiing van onkuisheid. Absalom sprak vriendelijk tot haar, zei haar voor het ogenblik de belediging voorbij te zien, daar hij bij zichzelf voornam haar te wreken, vers 20. Uit Absaloms vraag: Is Amnon bij u geweest? schijnt men te kunnen opmaken, dat Amnon bekend was om zulke ontuchtige handelingen zodat het voor een zedige vrouw gevaarlijk was om bij hem te zijn, dit kon Absalom weten, terwijl Thamar er toch geheel onkundig van was.