2 Kronieken 7:1-11
I. Hier is het genaderijke antwoord, dat God terstond op Salomo's gebed heeft gegeven. Het vuur daalde van de hemel en verteerde het brandoffer, vers 1.
Op die wijze heeft God Zijn goedkeuring te kennen gegeven aan Mozes, Leviticus 9:24 , aan Gideon, Richteren 6:21, aan David, 1 Koningen 21:26 , aan Elia, 1 Koningen 18:38, en in het algemeen is de Hebreeuwse uitdrukking voor het aannemen van het brandoffer, het tot as maken, Psalm 20:4. Het vuur kwam hier neer, niet na het slachten van de offers, maar na het bidden van het gebed. Dit vuur gaf te kennen dat God:
1. Heerlijk is in zichzelf, want onze God is een verterend vuur, schrikkelijk is zelfs in Zijn heilige plaatsen. Dit vuur, voorkomende (zoals waarschijnlijk is) uit de dikke duisternis, werd er te ontzagwekkender door, zoals op de berg Sinaï, Exodus 24:16, 17.
De zondaren in Zion hadden reden om bevreesd te zijn op dat gezicht, en te zeggen: "Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan?" Jesaja 33:14. En toch:
2. Genadig is voor Israël, want dit vuur, dat hen rechtvaardiglijk had kunnen verteren, viel op het offer, dat in hun plaats geofferd werd, en verteerde dit, waarmee God hun te kennen gaf dat Hij hun offeranden aannam, en dat Zijn toorn van hen was afgewend. Laat ons dit toepassen:
a. Op het lijden van Christus, toen het de Heere behaagde Hem te verbrijzelen en Hij Hem ziek heeft gemaakt, waarin Hij fijne liefde heeft getoond voor de mensen, daar Hij van onze aller ongerechtigheid op Hem heeft doen aanlopen. Zijn dood was ons leven, en Hij is zonde en een vloek gemaakt, opdat wij gerechtigheid en een zegen zouden beërven. Dat offer werd verteerd, opdat wij zouden ontkomen. Hier ben Ik, laat deze heengaan.
b. Op de heiligmaking des Geestes, die neerkomt als vuur, onze lusten en ons bederf uitbrandende, deze dieren, die geofferd moeten worden of wij zijn verloren, en in onze ziel een heilig vuur ontsteekt van Godvruchtige begeerten en neigingen, dat altijd brandende gehouden moet worden op het altaar van ons hart. Het zekerste bewijs van Gods aanneming van onze gebeden is de nederdaling in ons van dat vuur: Was ons hart niet brandende in ons? Lukas 24:32.
Als een verder bewijs dat God Salomo's gebed aannam, bleef de heerlijkheid des Heeren het huis nog vervullen. Het hart, dat aldus vervuld wordt met heilig ontzag en eerbied voor de Goddelijke heerlijkheid, omdat Hij zich geopenbaard heeft in Zijn grootheid (die niet minder Zijn heerlijkheid is) wordt hierdoor erkend als een levenden tempel.
II. De dankerkentenis aan God voor dit genadig teken van Zijn gunst.
1. Het volk aanbad en loofde de Heere, vers 3. Toen zij aldus het vuur Gods van de hemel zagen nederdalen, zijn zij niet verschrikt weggevlucht, maar bleven staan in de voorhoven des Heeren en namen er aanleiding uit: a. Om de heerlijkheid des Heeren met eerbied te aanbidden, zij bukten met hun aangezichten ter aarde op de vloer, aldus uitdrukking gevende aan hun ontzag voor de Goddelijke majesteit, hun blijmoedige onderworpenheid aan het Goddelijk gezag, en het besef dat zij hadden van hun eigen onwaardigheid om in Gods tegenwoordigheid te komen, en dat zij niet instaat waren om te bestaan voor de sterkte Zijns toorns.
b. Om dankbaar de goedheid Gods te erkennen, zelfs toen het vuur des Heeren nederdaalde, prezen zij Hem, zeggende: dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid. Dat is een lied, hetwelk nooit ontijdig is, en voor hetwelk ons hart en onze tong altijd gestemd moeten wezen. Hoe het ook ge, God is goed. Als Hij zich aan zondaren openbaart als een verterend vuur, kan Zijn volk zich in Hem verblijden als hun licht. Ja meer, zij hadden reden te zeggen dat hierin God goed was, het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet verteerd zijn, maar het offer in onze plaats, waarvoor wij verplicht zijn zeer dankbaar te wezen.
2. De koning en al het volk offerden slachtofferen in menigte, vers 4, 5. Daarmee hebben zij dit heilige vuur gevoed en het welkom geheten op het altaar. Zij hadden tevoren reeds offeranden geofferd, maar nu voegden zij er nog velen aan toe. De tekenen van Gods gunst jegens ons moeten ons hart verruimen in Zijn dienst, en er ons al meer en meer overvloedig in maken. Het voorbeeld des konings heeft het volk opgewekt. Goed werk zal waarschijnlijk goed vorderen als de leidslieden van een volk er in voorgaan. De offeranden waren zo talrijk, dat het altaar ze niet allen kon bevatten, maar veeleer dan dat er sommigen teruggezonden zouden worden (wij kunnen onderstellen dat al het bloed er van op het altaar gesprengd was) werden het vlees van de brandoffers en het vet van de dankoffers verbrand in het middelste voorhof, vers 7, dat Salomo of tot deze dienst geheiligd had, of dat er door geheiligd werd. In een geval van noodzakelijkheid kon de vloer een altaar zijn.
3. De priesters deden hun werk, zij stonden in hun wachten, en de zangers en de bespelers van muziekinstrumenten stonden op de hun, vers 6,
met de muziekinstrumenten, die David gemaakt had, en de hymne, die David hun in handen gegeven had, zoals sommigen denken dat dit gelezen kan worden, daar dit er de bedoeling of betekenis van was, 1 Kronieken 16:7. Of, zoals wij het lezen: als David door hun dienst Hem prees. Hij gebruikte, bestuurde en bemoedigde hen in dat werk van God te prijzen, en daarom werden hun verrichtingen aangenomen als zijn daad, en wordt hij gezegd te prijzen door hun dienst.
4. De gehele gemeente drukte de grootst mogelijke blijdschap en voldoening uit. Zij hielden het feest van de inwijding zeven dagen lang, van de tweeden tot de negenden dag van de maand, de tiende dag was de verzoendag wanneer zij hun zielen moesten verootmoedigen om de zonde, en dat was niet ontijdig in het midden van hun vreugde, op de vijftienden begon het feest van de loofhutten, dat duurde tot aan de twee en twintigsten en zij gingen niet uiteen voor de drie en twintigsten. Wij moeten nooit spijt hebben van de tijd, die wij in de aanbidding van God en gemeenschapsoefening met Hem hebben doorgebracht, die tijd niet lang vinden noch hem moede worden.
5. Salomo ging voort met zijn werk, en heeft al zijn plannen voorspoedig ten uitvoer gebracht voor de versiering van Gods huis en zijn eigen huis, vers 11. Zij, die beginnen met de dienst van God, zullen waarschijnlijk voorspoedig voortgaan met hun eigen zaken. Het was tot lof van Salomo, dat hij ten einde bracht wat hij ondernam, en het was door Gods genade, dat hij er voorspoedig in is geweest.