2 Kronieken 36:1-10
De verwoesting van Juda en Jeruzalem zien wij nu trapsgewijze naderen. God heeft dit zo beschikt, om te tonen dat Hij geen lust heeft in het verderf van zondaren, maar daarin, dat zij zich bekeren en leven, en daarom geeft Hij hun zowel tijd als gelegenheid tot berouw en bekering, en wacht om genadig te zijn. De geschiedenis van deze regeringen is meer omstandig meegedeeld in de laatste drie hoofdstukken van het tweede boek van de Koningen.
1. Joahaz werd aangesteld door het volk, vers 1, maar werd na drie maanden afgezet door Farao Necho, en als gevangene naar Egypte gevoerd, terwijl aan het land een boete werd opgelegd, omdat zij hem koning gemaakt hadden, vers 2-4. Van deze jonge vorst horen wij niet meer, indien hij in de voetstappen van zijns vaders Godsvrucht was getreden, hij zou lang hebben kunnen regeren en voorspoedig zijn geweest, maar in het boek van de Koningen wordt ons gezegd dat hij deed wat kwaad was in de ogen des Heeren, en daarom was zijn juichen kort en zijn vreugde slechts voor een ogenblik.
2. Jojakim werd aangesteld door de koning van Egypte, en regeerde elf jaren. Hoezeer was Juda naar de diepte gebracht, als de koning van Egypte, een oude vijand van hun land, de koning, die hem beliefde, aanstelde over het rijk, en die koning de naam gaf, die hem behaagde! vers 4.
Hij maakte Eljakim koning en noemde hem Jojakim, ten teken van zijn gezag over hem.
Hij, Jojakim, deed dat kwaad was, vers 5, ja wij lezen van de gruwelen die hij deed, vers 8, hij was zeer slecht en ontaard, afgoderijen worden gemeenlijk als gruwelen aangeduid.
Wij horen niet meer van de koning van Egypte, maar de koning van Babel trok tegen hem op, vers 6, greep hem en bond hem met het doel om hem naar Babel te voeren, maar hij schijnt of van voornemen veranderd te zijn en stond hem toe als zijn vazal te regeren of de dood heeft de gevangene bevrijd vóór hij weggevoerd werd.
Maar de beste en kostbaarste vaten van de tempel werden nu weggevoerd, en in Nebukadnezars tempel in Babel gebruikt, vers 7, want wij kunnen onderstellen dat geen tempel ter wereld van zo rijke, kostbare gereedschappen was voorzien als de tempel te Jeruzalem.
De zonde van Juda bestond daarin, dat zij de afgoden van de heidenen in Gods tempel hadden gebracht, en nu was hun straf dat de vaten des tempels weggevoerd werden ten diepste van de goden van de volken.
Als de mensen Gods inzettingen willen ontheiligen door hun zonden, dan is het rechtvaardig in God om hen te laten ontheiligen door hun vijanden. Dat waren de vaten, met het terugkomen waarvan de valse profeten het volk gevleid hebben, Jeremia 27:16.
Maar Jeremia zei hun dat ook de overige vaten weggevoerd zouden worden, vers 22, en zo geschiedde het ook. Maar gelijk met de wegvoering van deze vaten naar Babel de ramp van Jeruzalem begon, zo werd door Belsazars vermetele ontwijding ervan de maat van de ongerechtigheid van Babel vervuld, want toen hij er wijn uit dronk ter ere van zijn goden, heeft het schrift op de muur hem zijn oordeel aangekondigd, Daniël 5:3 en nerv..
In de verwijzing naar het boek van de koningen betreffende deze Jojakim, wordt melding gemaakt van wat in hem gevonden werd, vers 8,, hetgeen bedoeld schijnt van het verraad, dat in hem gevonden werd tegen de koning van Babel, maar sommigen van de Joodse schrijvers verstaan het van zekere merken of tekens, ter ere van zijn afgod, die op zijn dood lichaam gevonden werden, snijdingen, die God had verboden, Leviticus 19:28.
3. Jojachin, of Jechonia, de zoon van Jojakim, beproefde te regeren in zijn plaats, en regeerde lang genoeg om zijn slechte gezindheid te tonen, maar na drie maanden en tien dagen liet de koning van Babel hem gevankelijk naar Babel voeren, en met hem nog meer van de kostelijke vaten des tempels.
Hier wordt gezegd dat hij acht jaar oud was, maar in het boek van de Koningen dat hij achttien jaren was, toen hij begon te regeren, zodat dit een vergissing schijnt te zijn van de overschrijver, tenzij wij onderstellen dat zijn vader hem, toen hij acht jaren oud was, met hem heeft doen delen in de regering, zoals sommigen denken.