Bijbelstudie
Boeken
2 Kronieken 34
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
1
JOSÍA
1
was
2
acht jaren oud toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaar te Jeruzalem.
2
En hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, en
3
wandelde in de wegen van zijn vader David en
4
week niet af ter rechter- noch ter linkerhand.
3
Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog
5
een jongeling was, begon hij den God van zijn vader David te
6
zoeken; en in het
7
twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem
a
van de hoogten en de bossen en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.
4
En men brak
8
voor zijn aangezicht af de altaren
9
der Baäls; en de
10
zonnebeelden die omhoog boven
11
dezelve waren, hieuw hij af; de
12
bossen ook en de gesneden en gegoten beelden verbrak en vergruisde en
13
strooide hij op de graven dergenen die hun geofferd hadden.
5
En
14
de beenderen der priesters verbrandde hij op
15
hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.
6
Daartoe in de steden van Manasse en Efraïm en Simeon, ja, tot Naftali toe,
16
in haar woeste plaatsen rondom,
7
Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden
17
stampte hij,
die
vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land Israëls; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.
8
In
b
het achttiende jaar nu zijner regering, als hij het land en het
18
huis
19
gereinigd had, zond hij Safan, den zoon van Azália, en Maäséja, den
20
overste der stad, en Joah, den zoon van Jóahaz, den kanselier,
21
om het huis des HEEREN zijns Gods te verbeteren.
9
En zij kwamen
22
tot Hilkía, den
23
hogepriester, en
24
zij gaven het geld dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten die den
25
dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van
26
Manasse en Efraïm en uit
27
het ganse overblijfsel van Israël, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen
28
waren.
10
29
Zij nu gaven het in de hand
30
der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN; en
dezen
gaven dat dengenen die het werk deden, die arbeidden aan het huis des HEEREN, om het huis te
31
vermaken en te verbeteren.
11
c
Want zij gaven het den werkmeesters en den bouwlieden, om
32
gehouwen stenen te kopen en hout tot de
33
samenvoegingen, en om de
34
huizen te zolderen, die
35
de koningen van Juda verdorven hadden.
12
En die mannen handelden
36
trouwelijk in dit werk; en de
37
bestelden over dezelve waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merári, mitsgaders Zacharía en Mesullam, van de kinderen der Kahathieten, om het werk voort te drijven;
38
en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.
13
Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen die in
39
enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers en
40
ambtlieden en portiers.
14
En als zij het geld uitnamen dat in het huis des HEEREN gebracht was, vond de priester Hilkía
41
het wetboek des HEEREN,
gegeven
door de hand van Mozes.
15
En Hilkía
42
antwoordde en zeide tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEEREN. En Hilkía gaf Safan het boek.
16
En Safan droeg het boek tot den koning; daarbenevens bracht hij nog den koning
43
bescheid weder, zeggende:
44
Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij;
17
En zij hebben het geld
45
samengestort dat in het huis des HEEREN gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden en in de hand dergenen die het werk
46
maakten.
18
Voorts gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: Hilkía, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht des konings.
19
Het geschiedde nu als de koning de woorden der wet hoorde, dat
47
hij zijn klederen scheurde.
20
En de koning gebood Hilkía en Ahíkam, den zoon van Safan, en
48
Abdon, den zoon van Micha, en Safan, den schrijver, en Asája, den knecht des konings, zeggende:
21
Gaat heen, vraagt den HEERE voor mij en voor
49
het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, die over ons
50
uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord des HEEREN, om te doen naar al hetgeen dat in dat boek geschreven is.
22
Toen ging Hilkía heen en die
51
des konings waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van
52
Tokhat, den zoon van Hasra, den
53
klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het
54
tweede deel; en zij spraken
55
zulks tot haar.
23
En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zegt den man die ulieden tot Mij gezonden heeft:
24
Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal
56
kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken die geschreven zijn in het boek
57
dat men voor het aangezicht des konings van Juda gelezen heeft.
25
Daarom dat zij
58
Mij verlaten en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle
59
werken hunner handen, zo zal Mijn grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaats en niet uitgeblust worden.
26
Maar tot den koning van Juda, die ulieden gezonden heeft om den HEERE te vragen, tot hem zult gij alzo zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Aangaande de woorden
60
die gij hebt gehoord:
27
Omdat uw hart
61
week geworden is en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij Zijn woorden hoordet tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht en uw klederen gescheurd en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik
u
ook verhoord, spreekt de HEERE.
28
Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult
62
met vrede in uw
63
graf verzameld worden en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten den koning dit antwoord weder.
29
d
Toen zond de koning heen, en verzamelde alle
64
oudsten van Juda en Jeruzalem.
30
En de koning ging op in het huis des HEEREN, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de priesters en de Levieten, en al het volk, van den grote tot den kleine toe; en
65
men las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.
31
En de koning stond in zijn
66
standplaats en
e
maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht om den HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden en Zijn
67
getuigenissen en Zijn inzettingen
68
met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn.
32
En hij
69
deed allen die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem
70
deden naar het verbond van God, den God hunner vaderen.
33
Josía dan deed alle
71
gruwelen weg uit alle landen die der kinderen Israëls waren, en
72
maakte allen die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen den HEERE hun God;
73
al zijn dagen
74
weken zij niet af
75
van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.