2 Kronieken 26:16-23
Hier is de enige smet, die wij vinden op de naam van koning Uzzia, en het is een, die op geen van de andere koningen ligt. Hoererij moord, verdrukking, vervolging, en inzonderheid afgoderij vormden het karakter van de slechte koningen, en sommigen van die ondeugden waren ook smetten op de goeden, David zelf niet uitgezonderd, getuige de zaak van Uria. Maar wij bevinden niet dat aan Uzzia een van deze ondeugden ten laste werd gelegd en toch overtrad hij tegen de Heere, zijn God, en viel hij onder de tekenen van Zijn misnoegen, dat zich niet, zoals voor andere koningen, openbaarde in kwellende, verdrietige oorlogen en opstanden, maar in een ongeneeslijke kwaal.
I. Zijn zonde bestond in het zich meester willen maken van het priesterambt. De goede weg is een, de bijpaden zijn vele, de overtreding van zijn voorgangers bestond in het verlaten van de tempel des Heeren, Hoofdstuk 24:18, en het branden van reukwerk op afgodische altaren, Hoofdstuk 25:14.
Zijn overtreding was zich indringen in de tempel des Heeren, verder dan hem vergund was, en een pogen om zelf op het reukaltaar Gods te roken, voor hetwelk hij waarschijnlijk buitengewonen ijver en liefde voorwendde. Zie hoe moeilijk het is, om het een uiterste te vermijden en niet in het andere te vervallen.
1. Wat op de bodem zijner zonde lag was hoogmoed des harten, een lust, die meer dan alle andere lusten ten verderve brengt. Als hij sterk geworden was, vers 16, en door de goede voorzienigheid Gods was hij verwonderlijk geholpen totdat hij sterk werd, toen hij zeer groot was geworden in rijkdom, invloed en macht, heeft hij, inplaats van de Naam Gods te verheffen in dank erkentenis aan Hem die zoveel voor hem gedaan had, zijn hart verheven tot verdervens toe.
Zo zal de voorspoed van de zotten hen verderven, door hen opgeblazen te maken van hoogmoed. Nu hij zoveel werk had gedaan en zoveel eer had verkregen, begon hij te denken dat geen werk, geen eer, te groot voor hem was neen, zelfs niet het werk en de eer eens priesters. Der mensen haken naar verboden kennis en hun wandelen in dingen die te groot voor hen zijn komen voort uit de hoogmoed huns harten en uit het vleselijk verstand, waardoor zij tevergeefs opgeblazen zijn.
2. Zijn zonde was dat hij ging in de tempel des Heeren om te roken op het reukaltaar waarschijnlijk op een plechtige feestdag, of toen hijzelf een bijzondere aanleiding had om de Goddelijke gunst af te smeken.
Wat hem kon bewogen hebben tot die daad van vermetele aanmatiging, of hoe het in zijn hoofd is opgekomen om dit te doen, kan ik niet gissen, geen van al zijn voorgangers, de besten noch de slechtsten, heeft dit ooit beproefd, de wet-hij wist het-was bepaald en uitdrukkelijk tegen hem, er was geen gebruik, geen precedent vóór hem, hij kon op geen nooddwang wijzen, zoals er voor David was om de toonbroden te eten.
a. Misschien verbeeldde hij zich dat de priesters hun ambt niet met zoveel geschiktheid, betamelijkheid en vroomheid verrichtten als zij het behoorden te verrichten, en dat hij het beter kon. Of: b. Hij bemerkte, dat de afgodische koningen zelf reukwerk offerden op de altaren van hun goden, zijn vader heeft dit gedaan, en Jerobeam 1 Koningen 13:1, een eerzucht, die hen misschien in de verzoeking heeft gebracht om het huis Gods te verlaten, omdat dit hun daar niet geoorloofd was, en hij, besloten zijnde zich aan Gods altaar te houden, wilde beproeven om door dit bedwang heen te breken en even dicht tot Gods altaar te komen als de afgodische koningen tot hun altaren.
Maar het wordt een overtreding tegen de Heere, zijn God, genoemd. Hij was niet tevreden met de eer, die God op hem gelegd heeft, maar wilde die eer overweldigen, die hem ontzegd was, zoals onze eerste ouders dat gedaan hebben.
3. Hij werd in zijn poging tegengestaan door de hoofdpriester en de andere priesters, die bij hem waren om hem te helpen, vers 17, 18.
Zij waren bereid reukwerk te offeren voor de koning overeenkomstig de plicht van hun ambt, maar als hij beproeft het zelf te doen, dan zeggen zij hem duidelijk en onomwonden dat hij zich bemoeit met wat hem niet toekomt, en dat dit op zijn gevaar is. Zij hebben hem niet met geweld weerstaan, hoewel zij kloeke mannen waren, maar door met hem te redeneren en hem aan te tonen:
a. Dat het hem niet geoorloofd was reukwerk te offeren: Het komt u niet toe, Uzzia, de Heere te roken, maar de priesteren, Aärons zonen, wier geboorterecht het dus is en die tot de dienst geheiligd zijn."
Aäron en zijn zonen waren door de wet aangesteld om reukwerk te offeren, Exodus 30:7 , zie Deuteronomium 33:10, 1 Kronieken 23:13.
David had het volk gezegend, Salomo en Josafat hadden met hen gebeden en voor hen gepredikt Uzzia zou dit gedaan kunnen hebben, en het zou tot zijn lof geweest zijn, maar reukwerk te branden, die dienst mocht alleen door de priesters geschieden.
Het koninklijke en het priesterlijke ambt waren door de wet van Mozes gescheiden, om niet anders verenigd te worden dan in de persoon van de Messias.
Indien Uzzia bedoelde God te eren en Hem welbehaaglijk te zijn in hetgeen hij deed, dan heeft hij zich ten enenmale vergist, want daar dit een dienst van zuiver Goddelijke inzetting was, kon hij niet verwachten dat hij Gode welbehaaglijk was, tenzij hij geschiedde op de door God verordineerde wijze en door de personen, die Hij er toe aangesteld heeft.
b. Dat het niet veilig was. Het zal u niet tot eer zijn van de Heere God, er wordt nog meer mee bedoeld: "Het zal uw schande zijn en het is op uw gevaar."
De wet is uitdrukkelijk tegen "vreemden, die naderen", Numeri 3:10, 18:7, dat is: allen, die geen priesters zijn.
Het is Korach en zijn medeplichtigen, hoewel zij Levieten waren, duur te staan gekomen dat zij het beproefd hebben reukwerk te offeren, dat alleen het werk was van de priesters, Numeri 16:35. Het reukwerk van onze gebeden moet door het geloof in de handen gelegd worden van de Heere Jezus, de groten Hogepriester van onze belijdenis, want anders kunnen wij niet verwachten dat het door God aangenomen zal worden, Openbaring 8:3.
4. Hij vertoornde zich tegen de priesters, die hem bestraften, en wilde in weerwil van hen voorwaarts gaan om te doen wat hij voornemens was, vers 19.
Uzzia werd toornig en wilde het reukvat niet uit zijn hand leggen. Hij nam het euvel op bestraft en weerstaan te worden, en wilde het niet dulden. `Nitimur in vetitum' -Wij zijn geneigd te doen wat verboden is.
II. Zijn straf was een ongeneeslijke melaatsheid, die oprees aan zijn voorhoofd, terwijl hij twistte met de priesters.
Indien hij zich aan de vermaning van de priesters had onderworpen, zijn misslag had erkend en teruggegaan was, alles zou wèl geweest zijn, maar toen hij toornig werd tegen de priesters, en hen aanviel, toen werd God toornig tegen hem en sloeg hem met de plaag van de melaatsheid.
Josefus zegt dat hij de priesters met de dood dreigde zo zij hem tegenstonden, en dat toen de aarde beefde, het dak van de tempel scheurde, en door de ontstane opening viel een zonnestraal op het gelaat des konings, waarop de melaatsheid terstond zichtbaar werd. En sommigen maken de gissing dat dit de aardbeving was in de dagen van Uzzia, waarvan wij lezen in Amos 1:1, en Zacheria 14:5.
Deze plotselinge slag:
1. Maakte een einde aan de twist tussen hem en de priesters, want toen de melaatsheid zich vertoonde, verstoutten zij zich om hem uit de tempel te stoten, ja hijzelf werd ook gedreven uit te gaan omdat de Heere hem geplaagd had met een ziekte, die op zeer bijzondere wijze een teken was van Zijn misnoegen, en die, naar hij wist, hem buitensloot van de gemeenschap van de mensen, en nog zoveel te meer van het altaar Gods.
Hij wilde zich niet laten overtuigen door hetgeen de priesters gezegd hadden, maar God nam een afdoend middel te baat om hem tot overtuiging te brengen. Indien hoogmoedige mensen er door de oordelen van Gods mond niet toe gebracht willen worden om hun dwaling in te zien en te belijden, dan zullen zij ze door de oordelen van Gods hand leren inzien. Het was een blijk van enige vreze Gods in het hart van de koning, zelfs temidden van zijn overtreding, dat hij, zodra hij bemerkte dat God toornig op hem was, niet slechts afliet van zijn poging, maar zich in allerijl terugtrok. Hoewel hij getwist heeft met de priesters, heeft hij toch niet met zijn Maker willen twisten.
2. Het was een blijvende straf voor zijn overtreding, want hij bleef melaats tot aan de dag zijns doods, opgesloten in een afzonderlijk huis, buitengesloten van de maatschappij en genoodzaakt om het bestuur van zijn zaken over te laten aan zijn zoon, vers 21.
Aldus gaf God er een voorbeeld van, hoe Hij de hovaardigen wederstaat, een voorbeeld ook van Zijn ijver voor de zuiverheid en de eer van Zijn eigen inzettingen, aldus heeft Hij zelfs grote en Godvruchtige mensen gewaarschuwd om te weten waar hun plaats is en er zich op te houden, en niet in te treden in hetgeen zij niet gezien hebben, aldus heeft Hij aan Uzzia een luide en voortdurende roepstem doen horen om zich te bekeren en hem ruim tijd gegeven tot bekering, en wij hebben reden te hopen dat hij er een goed gebruik van heeft gemaakt. Hij is een man geweest van veel zaken in de wereld, maar daaraan ontrukt zijnde en genoodzaakt te wonen in een afgezonderd huis, had hij tijd om aan een andere wereld te denken en er zich voor te bereiden. Door dit oordeel over de koning wilde God groten eerbied doen komen in het hart des volks voor de tempel, het priesterschap en andere heilige zaken, waarvan zij maar al te geneigd waren gering te denken. Terwijl de koning melaats was, was hij zo goed als dood, dood terwijl hij nog leefde, levend begraven, en zo werd in werkelijkheid beantwoord aan de wet dat de. vreemde, die nadert gedood zal worden. De schande overleefde hem, want toen hij gestorven was wilden zij hem niet begraven in de graven van de koningen omdat hij melaats was, waardoor al zijn roem beneveld en bevlekt was.
3. Het was een straf, die beantwoordde aan de zonde, zoals in het water het aangezicht is tegen het aangezicht.
a. Op de bodem van zijn overtreding was hoogmoed, en zo heeft God hem vernederd en schande aangedaan.
b. Hij heeft in minachting van de priesters zich willen indringen in hun ambt, en God sloeg hem met een plaag, die hem zeer bijzonder aan het onderzoek en het oordeel van de priesters onderwierp, want hun kwam het oordeel toe over de melaatsheid, Deuteronomium 24:8.
c. Hij heeft zich ingedrongen in de tempel Gods in de plaats, waar alleen de priesters mochten komen en daarom werd hij zelfs van de voorhoven des tempels buitengeworpen, waar de geringsten van zijn onderdanen toegang hadden, zo zij ceremonieel rein waren.
d. Hij heeft de priesteren het hoofd geboden, die hem weerstonden in zijn aanmatiging, en daarom is de melaatsheid opgerezen naar zijn voorhoofd, wat in Mirjams geval gelijk werd gesteld met het spuwen van haar vader in haar aangezicht, Numeri 12:14.
e. Hij overweldigde de waardigheid van het priesterschap, waarop hij geen recht had, en daarom is hij beroofd van zijn koninklijke waardigheid, waar hij wèl recht op had. Zij, die naar verboden eer haken, verbeuren de eer die geoorloofd is. Door naar de boom van de kennis de hand uit te steken, van welks vruchten hij niet eten mocht, heeft Adam zich de toegang afgesloten van de boom des levens, waarvan hij wèl had mogen eten. Laat allen, die het lezen, zeggen: De Heere is rechtvaardig.