2 Kronieken 17:1-9
Hier zien wij betreffende Josafat:
I. Welk een wijs man hij was. Zodra hij aan de regering kwam, sterkte hij zich tegen Israël, vers 1.
De troon van Israël werd nu sedert drie jaren ingenomen door Achab, een werkzaam, krijgshaftig vorst, wiens krachtig begin samenviel met het verval van Asa's einde en zo is het waarschijnlijk dat het rijk van Israël in de laatste tijd veld gewonnen had op het rijk van Juda, en begon daar geducht voor te worden, zodat het eerste wat Josafat te doen had, was zich van zijn kant te versterken en de toenemende grootheid van de koning van Israël te fnuiken, wat hij deed zonder bloedvergieten, maar toch met zo goed gevolg, dat Achab spoedig zich met hem zocht te verbinden, zover was het van hem om hem onrust te bezorgen. Maar hij bleek gevaarlijker als vriend dan hij als vijand geweest zou zijn.
Josafat sterkte zich, niet om aanvallenderwijs tegen Israël te werk te gaan, maar slechts om zich in het zijne te handhaven, wat hij deed door zijn grenssteden te versterker en talrijker bezettingen te leggen in de steden van Efraïm die hij in bezit had, dan er vroeger in geweest waren, vers 2.
Hij heeft zich niet gesterkt, zoals zijn vader, door een verbond met de koning van Syrië, maar door goede en eerlijke maatregelen, op welke hij de zegen van God kon verwachten, en in welke hij op God vertrouwde.
II. Welk een goed en Godvruchtig man hij was. Er wordt hem hier een voortreffelijk en zeer opmerkelijk karakter toegeschreven.
1. Hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids. Voor het karakter en de hoedanigheid van de koningen worden Davids wegen dikwijls ten maatstaf gesteld, zoals 1 Koningen 15:3, 11, 2 Koningen 14:3, 16:2, 18:3 .
Maar nergens is de onderscheiding zo sterk getekend als hier, tussen zijn vorige en zijn laatste wegen, want de laatste waren niet zo goed als de vorige, de eerste. Zijn wegen, voordat hij zo schandelijk gevallen is in de zaak van Uria, (waarvan lang daarna gesproken wordt als van een balk in zijn wapenschild, 1 Koningen 15:5) waren goede wegen, en hoewel hij zich gelukkig hersteld heeft van die val, heeft hij toch in geheel zijn verder leven misschien nooit de geestelijke kracht en vertroosting herkregen, die hij er door verloren had.
Josafat volgde David na in zoverre hij God navolgde, maar niet verder. Paulus beperkt aldus ons navolgen van hem, 1 Corinthiers 11:1 "Weest mijn navolgers gelijk ook ik van Christus", en niet anders. Vele Godvruchtigen hebben hun eerste wegen gehad, die hun beste waren, hun eerste liefde, die hun sterkste liefde was. Gelijk wij in elk voorbeeld, dat wij ons ter navolging stellen, alleen datgene moeten uitkiezen wat goed is, zo moeten wij daarvan voornamelijk nemen wat het beste is. De woorden hier laten een andere lezing toe. Zij staan aldus in de grondtekst: Hij wandelde in de wegen van David zijn vader "harishoniem" -de eerste wegen, of deze oude wegen, hij stelde zich de eerste, de oorspronkelijke tijden van de koninklijke familie ten voorbeeld, die zuiverste tijden, voordat het bederf van de laatste regeringen was binnengeslopen. Zie Jeremia 6:16.
De LXX laten David uit, en zo heeft het betrekking op Asa: hij wandelde in de eerste of vorige wegen zijns vaders, en heeft hem niet nagevolgd in wat hij verkeerds deed in het laatste gedeelte van zijn leven.
Het is goed om in ons navolgen ook van de beste mensen voorzichtig te zijn, opdat wij ons niet met hen ter zijde afwenden.
2. Dat hij de Baäls niet zocht, maar de God zijns vaders zocht, vers 3, 4. De naburige volken hadden hun Baäls, het een had dezen, een ander had een anderen, maar hij verafschuwde hen allen, had niets met hen van doen, hij aanbad de Heere, de God zijns vaders, Hem alleen, bad tot Hem alleen, en vroeg alleen naar Hem, dit ligt opgesloten in Hem te zoeken.
3. Dat hij wandelde in Gods geboden, niet alleen de waren God aanbad, maar Hem aanbad volgens Zijn inzettingen, en niet naar het doen van Israël, vers 4.
Hoewel de koning van Israël zijn buurman en bondgenoot was, heeft hij toch zijn weg niet geleerd.
Welke omgang hij ook met hem had voor burgerlijke zaken, hij wilde geen gemeenschap met hem hebben noch met hem instemmen in zijn godsdienst. Te die opzichte hield hij zich aan de regel:
4. Dat zijn hart zich verhief in de wegen des Heeren, vers 6 of, hij hief zijn hart op.
Hij bracht zijn hart in zijn werk, en hief er zijn hart in op, dat is: hij had er in oprechtheid daarin God voor ogen. Tot U, o Heere, hef ik mijn ziel op.
Zijn hart was verruimd in wat goed was, Nooit dacht hij genoeg te kunnen doen voor God.
Hij was opgewekt en liefdevol in zijn Godsdienst, vol van geest, dienende de Heere, blijmoedig en vriendelijker in, hij werkte voort met wakkere vrolijkheid, evenals Jakob, die na zijn visioen van God te Beth-el zijn voeten ophief, Genesis 29:1.
Hij was kloek en vastberaden in de wegen Gods, en ging moedig voorwaarts, zijn hart verhief zich boven de moeilijkheden, die op de weg van zijn plicht waren, hij is gemakkelijk heengekomen over die allen en was door geen wind of wolken weggeschrikt van zaaien en maaien, Prediker 11:4. Laat ons in dienzelfde geest wandelen.
III. Welk een nuttig man hij was, hij was niet alleen een goed man, maar een goed koning, hij was niet slechts zelf goed, maar deed goed in zijn tijd en geslacht, zeer veel goed.
1. Hij nam de leugenleraars weg, zoals in Habakuk 2:18 beelden genoemd worden, de hoogten en de bossen, vers 6. Bedoeld worden de zodanigen, waarin afgoden aangebeden werden, want die, welke aan de ware God gewild waren, werden niet weggenomen, Hoofdstuk 20:33.
Het was alleen afgoderij, die hij vernietigde, niets verdierf het volk meer dan deze afgodische bossen of beelden, die hij wegnam.
2. Hij zond leraren van de waarheid uit. Toen hij een onderzoek instelde naar de Godsdienstige toestand van zijn rijk, vond hij het volk over het algemeen zeer onwetend, zij wisten niet dat zij kwaad deden, zelfs onder de laatste goede regering was er weinig zorg gedragen om hen te onderrichten nopens hun plicht, en daarom besluit Josafat om zijn werk van de rechte zijde aan te vatten, hij handelt met hen als met redelijke wezens, wil hen niet blindelings leiden, neen, zelfs niet naar een reformatie, maar streeft er naar om hen wèl onderwezen te zien, wetende, dat dit het middel was om hen goed genezen te zien. Voor dit goede werk gebruikte hij:
A. Tot zijn vorsten, die in zijn nabijheid waren, stuurde hij Levieten uit om te leren in de steden van Juda, vers 7.
Hij gebood hun om het volk in de bedeling des rechts niet slechts te bestraffen als zij kwaad deden, maar hen te leren beter te doen, hun een reden te geven voor hetgeen zij deden, opdat het volk het verschil zou leren inzien tussen goed en kwaad.
De vorsten en de rechters op hun rechterstoel hebben een goede, ruime gelegenheid om het volk hun plicht te leren jegens God en de mensen, en dat is volstrekt niet buiten hun gebied of bevoegdheid, want de wetten Gods moeten beschouwd worden als wetten van het land.
B. De Levieten en priesters gingen naar de vorsten, zij leerden in Juda, en het wetboek des Heeren was bij hen, vers 8, 9.
Zij waren leraren door hun ambt, Deuteronomium 33:10, het behoorde tot het werk waarvoor zij hun levensonderhoud ontvingen, de priesters en Levieten hadden weinig anders te doen.
Maar het schijnt dat zij dit werk veronachtzaamd hebben, zij wendden misschien voor dat zij het volk niet konden bewegen om naar hen te horen. "Welnu", zegt Josafat", gij zult met de vorsten gaan, en zij zullen met hun gezag het volk verplichten om te komen en te horen, en dan zal het uw schuld zijn, zo zij niet wel onderwezen zijn."
Hoe ontzaglijk veel goed kan gedaan worden als Mozes en Aaron hand aan hand gaan om het te doen, als vorsten met hun macht, en priesters en Levieten met hun kennis van de Schrift overeenkomen, om het volk de goede kennis des Heeren en hun plicht te leren!
Deze omgaande rechters en omgaande predikers waren tezamen het middel om door alle steden van Juda een gezegend licht te verspreiden. Maar er wordt gezegd: het wetboek des Heeren was bij hen.
a. Ter hunner eigene leiding, opdat zij daaraan het onderricht zouden ontlenen, dat zij aan het volk gaven, en geen leringen zouden leren, die geboden van mensen zijn. b. Ter overtuiging van het volk, opdat zij zouden zien dat zij een Goddelijke volmacht hadden voor hetgeen zij zeiden, en hun alleen datgene overleverden, wat zij zelf van de Heere ontvangen hadden. Als de bedienaren van de Godsdienst uitgaan om het volk te leren, dan behoren zijn hun Bijbel bij zich te hebben.
IV. Hoe gelukkig hij was in de gunst van zijn God, die hem merkbaar zegende. De Heere was met hem. Het woord des Heeren was zijn helper, aldus de Chaldeeuwse paraphrast.
De Heere bevestigde het koninkrijk in zijn hand, vers 5. Zij, met wie God is, staan vast.
Indien de lieflijkheid des Heeren, onzes Gods, over ons is, dan zal dit het werk van onze handen bevestigen, en ons bevestigen in onze oprechtheid.
V. Hoe gelukkig hij was in de liefde van zijn volk, vers 5.
Gans Juda gaf hem geschenken uit dankbaarheid voor zijn vriendelijkheid om predikers onder hen te zenden.
Hoe meer ware Godsdienst er is onder een volk, des te meer nauwgezette trouw onder hen gevonden zal worden.
Een regering, die aan het doel van een regering beantwoordt, zal gesteund worden. Het gevolg van de gunst, die hij beide van God en van zijn land genoot was, dat hij rijkdom en eer had in menigte.
Het is ontwijfelbaar waar, hoewel weinigen het willen geloven, dat Godsdienst en vroomheid de beste vrienden zijn van uitwendige welvaart.
En merk op: onmiddellijk volgt hierop: zijn hart verhief zich in de wegen des Heeren. Rijkdom en eer in menigte zijn voor velen een hindernis in de wegen des Heeren, een aanleiding tot hoogmoed en valse gerustheid en zinnelijkheid, maar op Josafat hadden zij een geheel tegenovergestelde uitwerking, zijn overvloed was olie voor de raderen van zijn gehoorzaamheid, en hoe meer hij had van de rijkdom van deze wereld, hoe meer zijn hart opgeheven was in de wegen des Heeren.