2 Kronieken 17:10-19
Wij hebben hier een verder bericht van Josafats groten voorspoed en de bloeienden staat van zijn rijk.
1. Hij had een goeden invloed op de naburige vorsten en volken. Hoewel hij misschien niet zo groot een krijgsman was als David (waardoor hij hun schrik zou geweest zijn) noch zo groot een geleerde als Salomo (waardoor hij hun ten orakel had kunnen zijn) is toch een verschrikking des Heeren over hen gekomen, dat is: God heeft zo'n invloed geoefend op hun geest en hun hart geneigd, dat zij allen eerbied voor hem hadden, vers 10. En:
a. Niemand hunner krijgde tegen Josafat. God heeft het in Zijn voorzienigheid zo beschikt dat, terwijl de vorsten en de priesters het volk onderrichtten en hervormden, geen van zijn naburen hem overlast aandeed, om hem van dat goede werk af te leiden. Zo was ook toen Jakob en zijn zonen naar Beth-el gingen om te aanbidden, Gods verschrikking over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen Jakobs niet achterna joegen, Genesis 35:5. Zie ook Exodus 34:24.
b. Velen hunner brachten hem geschenken, vers 11, om zich van zijn vriendschap te verzekeren. Misschien was het een schatting, hun opgelegd door Asa, die zich meester had gemaakt van de steden van de Filistijnen en de tenten van de Arabieren, Hoofdstuk 14:14, 15.
Met de zeven duizend zeven honderd rammen en hetzelfde aantal bokken, die de Arabieren brachten, was waarschijnlijk een evenredig getal van ooien en lammeren, van geiten en jonge geiten.
2. Hij heeft zeer aanzienlijke voorraden opgelegd in de steden van Juda, hij brak zijn schuren af en bouwde grotere, vers 12, burchten en schatsteden voor wapenen en levensmiddelen. Hij was een man van zaken, en in al zijn ondernemingen streefde hij naar het algemene welzijn, hetzij om de vrede te bewaren of zich ten oorlog toe te rusten.
3. Hij had de krijgsmacht in goede orde, nooit was zij, sedert David haar gevormd heeft in een betere. Vijf bevelhebbers worden hier genoemd met het aantal manschappen onder hun bevelen, mannen, geschikt voor de krijg in hun onderscheiden districten, drie in Juda en twee in Benjamin. Van een van deze grote krijgsoversten wordt gezegd, namelijk van Amasia, dat hij zich vrijwillig de Heere overgegeven had, vers 18, niet alleen aan de koning om hem te dienen op deze post, maar aan de Heere om er Hem te verheerlijken.
Hij was onder hen de uitnemendste ten opzichte van de Godsdienst, hij nam de betrekking aan, niet voor de eer of de macht of het voordeel ervan, maar om des gewetens wil voor God, ten einde zijn land te dienen. Het was toen de gewoonte onder grote generaals, dat zij de Heere van hun buit offerden, 1 Koningen 26:26 maar deze vrome man offerde eerst zichzelf aan de Heere, en daarna zijn geheiligde dingen.
Het aantal krijgslieden onder deze vijf generaals bedroeg een millioen honderd zestig duizend man. Een zeer groot getal voor zo klein een grondgebied als Juda's en Benjamins erfdeel besloeg, om toe te rusten en te onderhouden. Abia kon slechte vier honderd duizend man te velde brengen, Hoofdstuk 13:3, Asa nog geen zes honderd duizend, Hoofdstuk 14:8, maar Josafat heeft bijna een millioen twee honderd duizend man onder zijn bevelen. Maar men moet daarbij in aanmerking nemen:
a. Dat God beloofd had het zaad van Abraham als het zand van de zee te doen zijn in menigte.
b. Dat er nu een langdurige vrede was geweest.
c. Dat wij kunnen onderstellen dat de stad Jeruzalem zeer vergroot was.
d. Dat velen uit het rijk van Israël tot hen waren overgekomen, Hoofdstuk 15:9, waardoor het aantal des volks was toegenomen.
e. Dat Josafat zeer bijzonder onder de zegen van God was, waardoor zijn zaken zeer voorspoedig waren. Wij kunnen onderstellen dat die legers over het gehele land verspreid waren, dat ieder man meestal op zijn eigen bezitting verbleef, maar dat zij dikwijls opkwamen om gemonsterd en geoefend te worden en gereed waren om te verschijnen als het nodig was hen op te roepen. De bevelhebbers waren in de dienst des konings als beambten van zijn hof, raadsheren en staatsministers.
Maar eindelijk. Het was niet door dit geduchte leger, dat een verschrikking kwam over de naburige volken, waardoor zij er van teruggehouden werden om iets tegen Israël te ondernemen of dat hen verplichtte om schatting te betalen, maar de verschrikking Gods viel op hen, toen Josafat zijn rijk hervormde en een predikdienst instelde, vers 10. De inzettingen Gods strekken meer tot de kracht en veiligheid van een rijk, dan de krijgsmacht, de Godsmannen meer dan de krijgslieden.