2 Koningen 10:29-36
Dit is al het bericht, dat wij hebben van Jehu's regering, hoewel zij acht en twintig jaren geduurd heeft. De voortgang er van beantwoordde niet aan het roemrijke begin. Wij hebben hier:
I. Gods goedkeuring van hetgeen Jehu gedaan heeft. Door velen zal hij waarschijnlijk gelaakt zijn als verraderlijk en wreed, zal hij een rebel, een overweldiger, een moordenaar genoemd zijn en kwaad over hem zijn voorspeld, geen geslacht op die wijze verhoogd, zal wel spoedig ten verderve gaan, " maar God zei: gij hebt wèl gedaan, vers 30, en dus betekende het weinig wat anderen zeiden.
1. God verklaarde dat hetgeen hij gedaan had recht was. Het kan met recht betwijfeld worden of hij het deed uit een goed beginsel en of hij niet enige verkeerde maatregelen genomen heeft bij het doen er van, en toch zegt God: Gij hebt wel gedaan, doende wat recht is in Mijn ogen. De uitroeiing van afgodendienaars en afgoderij was iets, dat recht was in Gods ogen, want het is een ongerechtigheid, waarover Hij even zeker en even streng bezoeking zal doen als over iedere andere, het was naar alles dat in Zijn hart was, al wat Hij begeerde, al wat Hij bedoelde, Jehu heeft zijn werk ten einde gebracht.
2. God beloofde hem ter beloning: dat zijn kinderen tot in het vierde geslacht op de troon Israëls zullen zitten. Dit was meer dan hetgeen plaats had met de andere koninklijke families van dat rijk. Wel waren er vier koningen van het huis van Achab: Omri, Achab, Ahazia en Joram, maar de laatste twee waren broeders, zodat de koninklijke waardigheid in dat huis bleef tot in het derde geslacht, en geheel deze dynastie heeft slechts ongeveer vijf en veertig jaren geregeerd, terwijl die van Jehu zich uitstrekte over vier geslachten, behalve hemzelf, en ongeveer honderd en twintig jaren geregeerd heeft. Geen dienst voor God gedaan zal onbeloond blijven.
II. Jehu's onachtzaamheid in hetgeen hij verder te doen had. Hieruit bleek dat zijn hart niet recht was voor God, dat hij partijdig was in zijn reformatie.
1. Hij heeft niet al het kwaad weggedaan. Hij week af van de zonden van Achab, maar niet van de zonden van Jerobeam, hij schafte Baäl af, maar bleef de kalveren aanhangen. De aanbidding van Baäl was wel een groter kwaad, snoder en misdadiger in Gods ogen, maar toch was de aanbidding van de kalveren een groot kwaad. De ware bekering is niet slechts een bekering van grove zonde, maar van alle zonde, niet alleen van valse goden, maar van valse aanbidding. De aanbidding van Baäl verzwakte en verminderde Israël, daarom kon hij daar gemakkelijk afstand van doen, maar de aanbidding van de kalveren was een politieke afgoderij, ingevoerd en in stand gehouden om redenen van staat, om de terugkeer van de tien stammen tot het huis van David te voorkomen, en daarom heeft Jehu haar in stand gehouden. De ware bekering is niet slechts een bekering van verwoestende zonden, maar ook van zonden die gewin opleveren, niet alleen van de zonden die schadelijk zijn voor wereldlijke belangen maar ook van die, welke ze bevorderen, in die te verlaten ligt het grote bewijs, dat wij onszelf kunnen verloochenen en op God vertrouwen.
2. Hij heeft kwaad weggedaan, maar op het goede geen acht geslagen, vers 31 :Hij nam niet waar te wandelen in de wet van de Heere, de God van Israël. De Baälsdienst schafte hij af, maar de aanbidding Gods heeft hij niet waargenomen, in Zijn wet niet gewandeld. Grote zorg en ijver heeft hij aan de dag gelegd om een valse godsdienst uit te roeien, maar voor de ware Godsdienst: a. Toonde hij geen zorg, daarop gaf hij geen acht, hij leefde zorgeloos voort, legde er zich volstrekt niet op toe om God te behagen en zijn plicht te doen, gaf geen acht op de Schrift, op de profeten op zijn eigen geweten. Het is te vrezen dat zij, die achteloos voortleven, geen genade hebben want waar een goed beginsel in het hart is, daar zal het de mensen omzichtig maken, daar zal de begeerte zijn om God te behagen, daar zal men bevreesd zijn om iets te doen, dat Hem beledigt.
b. Hij toonde geen ijver, wat hij deed ten opzichte van de Godsdienst, deed hij niet van harte, hij deed het alsof hij het niet deed, zonder geestdrift, zonder belangstelling. Hij scheen een man te zijn, die zelf weinig Godsdienstzin had, en toch gebruikte God hem als een werktuig om in Israël een reformatie teweeg te brengen. Het is jammer dat zij, die goed doen aan anderen, zelf niet altijd goed zijn.
III. Het oordeel, dat nog onder zijn regering over Israël kwam. Wij hebben reden te vrezen dat, toen Jehu zelf geen acht nam om te wandelen in Gods wet, het volk over het algemeen even zorgeloos was als hij, zowel in het waarnemen van de Godsdienst, als in hun levenswandel. Er was een algemeen verval van vroomheid, en een toeneming van onheiligheid, en daarom is het niet te verwonderen, dat het volgende nieuws, dat wij nu horen, is: In die dagen begon de Heere Israël in te korten, vers 32. Aan alle zijden maakten hun naburen inbreuk op hen, zij kwamen tekort in hun plicht jegens God, en daarom heeft God hen ingekort in uitgebreidheid, welvaart en macht. Hazaël, koning van Syrië, was meer dan ieder ander kwellend en schadelijk voor hen, sloeg hen in alle landstreken van Israël, in het bijzonder in de landstreken aan de andere kant van de Jordaan, die het dichtst bij hem lagen, en het meest blootgesteld aan vijandelijke invallen, op deze viel hij gedurig aan, en verwoestte ze. Nu boetten de Rubenieten en Gadieten voor de keus van hun voorouders om hun erfdeel aan die zijde van de Jordaan te hebben, om welke Mozes hen bestraft had Numeri 32. Nu deed Hazaël wat Elisa voorzien en voorzegd had dat hij doen zou. Maar toch had God, omdat hij het deed, een twist met hem en zijn rijk, zoals wij zien in Amos 1:3, 4. Omdat zij van Damascus Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst, daarom, zegt God, zal Ik een vuur in Hazaëls huis zenden dat zal Benhadads paleizen verteren.
Eindelijk, Het einde van Jehu's regering vers 34-36. Er wordt in het algemeen nota genomen van zijn macht, maar omdat hij niet waarnam om God te dienen, is de gedachtenis van zijn grote daden en ondernemingen terecht in vergetelheid begraven.