2 Corinthiërs 9:1-5
In deze verzen spreekt de apostel zeer waarderend tot de Corinthiërs, en met grote geschiktheid. Onderwijl hij zich schijnt te verontschuldigen over zijn ernstigen drang tot liefdadigheid, wekt hij hen toch daartoe op en toont hoezeer hij zijn hart op deze zaak gesteld heeft.
I. Hij zegt hun dat het nodeloos is om hen met nieuwe beweegredenen te dringen tot het verlenen van hulp aan hun arme broederen, vers 1, want hij was overtuigd reeds genoeg gezegd te hebben om hen, van wie hij zo goede gedachte had, op te wekken. Want:
1. Hij kende de volvaardigheid huns gemoeds tot elk goed werk en wist hoe ze dit goede werk reeds een jaar geleden begonnen hadden, zodat hij
2. roemde over hun ijver bij de Macedoniërs, en daardoor velen hunner had opgewekt om ook zo te doen. En daarom was hij overtuigd dat zij, die zo goed begonnen waren, ook goed zouden voortgaan, dus hen prijzende om hetgeen zij gedaan hadden, legt hij de verplichting op hen om voort te gaan en te volharden.
II. Het schijnt dat hij zich verdedigt over de zending aan hen van Titus en de andere broederen. Hij zou niet gaarne zien dat ze zich daardoor door hem beledigd gevoelden, alsof hij te ernstig was en te streng bij hen aanhield, en meldt hun de ware reden, waarom hij de broederen gezonden heeft, namelijk:
1. Om hen bijtijds te waarschuwen, opdat ze ten volle gereed mochten zijn, vers 3, en niet verrast door haastige aanvrage, wanneer hij zou gekomen zijn. Wanneer wij wensen dat anderen iets goeds doen zullen, moeten we jegens hen voorzichtig en teder handelen, en hun tijd laten.
2. Dat hij niet beschaamd mocht worden in zijn roem over hen, wanneer zij niet gereed mochten gevonden worden, vers 3, 4. Hij doelt er op dat mogelijk enige Macedoniërs met hem zullen komen, en wanneer de inzameling dan nog niet geschied was, zou dat hem, -om niet te zeggen hen- beschaamd maken over den roem, dien de apostel over hen gehad had. Zo zorgzaam was hij om zijn en hun goeden naam te bewaren. Christenen moeten waken voor den goeden naam van hun belijdenis en trachten de leer van God hun Zaligmaker te versieren.