4. Ik heb wel reden om iets dergelijks te vrezen, als ik zie wat u nu reeds in staat bent te doen. Want als degene, die van buiten komt, wie hij ook zij (u vraagt toch niet tevoren, of zijn legitimatie ook naar recht is,
Galaten 5:10) een anderen Jezus predikte, die wij niet gepredikt hebben, of, als u een andere Geest ontving, die u niet heeft ontvangen bij uw bekering door onze dienst, of een ander Evangelie, dat u, toen u gelovig werd (
1 Corinthiërs 15:1) niet heeft aangenomen, dan verdroegt u hem met recht, als iets, waarvan het vanzelf sprak, dat het zo goed gedaan was.
Het "met recht" is een bitter verwijt, evenals het "zeker wel" in Markus 7:9 De apostel tast de lichtzinnigheid van de Corinthiërs aan, die, zo mogelijk, een nieuw, meer buitengewoon, een diepzinniger en geestrijker Christendom begeerden dan hetgeen zij tot dusverre ontvangen en waaraan zij tot heden geloofd hadden. (V.).
Aan grote woorden lieten het die predikers, die tot hen kwamen en in wie de slang met haar listigheid kwam, niet ontbreken om gehoor en opname in de gemeente te verkrijgen. Volgens hun verzekering leidde de nieuwe manier, waarop zij van Jezus predikten, tot een hogere trap van kennis; zij zeiden leraars te zijn, die pas de volle Christus predikten. Maar Paulus schilt uit de schitterende schaal dadelijk de vergiftige pit en noemt hen, tot schrik van de Corinthiërs, predikers van een andere Jezus, want het nieuwe, dat zij predikten, was zo, dat zij het hart van de hoorders van Christus afkeerden en met een ander verbond en deze andere Christus, onderscheiden van de Christus van het Paulus-Evangelie was het tegendeel van dat, wat zij tot zijn aanprijzing zeiden, niet een volle Heiland, maar een anti-Jezus, een valse Heiland, in wiens naam rampzaligheid in plaats van gelukzaligheid tot de Corinthiërs kwam. Eveneens kenden zij aan zichzelf de macht toe om door hun prediking, doop en opleggen van de handen de Geest in zo'n mate mede te delen, als dat betaamde vooral in een stad als Corinthiërs. Het ware Pinksterfeest, waarvan de nagekomen Paulus niets wist, beloofden zij aan hun aanhangers, want zij waren de echte kanalen van de Geest tussen Jeruzalem en de gehele wereld. Eindelijk stelden zij zichzelf voor als verkondigers van het ware Evangelie, niet op een "eenvoudige" manier, zoals die de Macedoniërs voldeed, maar naar een methode, de Corinthiërs waardig. Dat ging natuurlijk bij de opgeblazen Corinthiërs zeer gemakkelijk en zacht in; naar hun Griekse aard waren zij zo overmoedig (Vers 19), dat zij onder de naam "vooruitgang" de verleiding van de ene Jezus, van Zijn Geest en Zijn Evangelie tot een ander zich graag lieten welgevallen.