2 Koningen 9:1-10
Wij hebben hier de zalving van Jehu tot koning, die toen een bevelhebber was (waarschijnlijk opperbevelhebber) van de krijgsmacht die tegen Ramoth in Gilead was opgetrokken vers 14. Daar streed hij voor de koning, zijn meester, maar ontving orders van een hogere Koning om tegen hem te strijden. Het blijkt niet dat Jehu naar de regering gestaan heeft of dat hij er ooit aan heeft gedacht, de opdracht, die hem gegeven was, was hem een verrassing. Sommigen denken dat hij tevoren reeds door Elia was gezalfd, aan wie God bevolen had dit te doen, maar in het geheim en met een wenk, dat hij niet handelend moest optreden voor hij nadere orders had ontvangen zoals Samuël David heeft gezalfd lang voordat hij tot de troon kwam, maar dat is volstrekt niet waarschijnlijk, want dan moeten wij veronderstellen dat Elia ook Hazaël had gezalfd. Neen toen God hem gebood deze dingen te doen gebood Hij hem Elisa te zalven om een profeet te zijn in zijn plaats, en het te doen als hij heengegaan zal zijn, en naardat God hem leiden zal. Hier is:
I. De opdracht gezonden. Elisa ging niet zelf heen om Jehu te zalven, omdat hij oud was en ongeschikt voor zo'n reis, en zo welbekend, dat hij er niet in het geheim kon heengaan, niet kon komen en gaan zonder opgemerkt te worden, daarom zendt hij één van de zonen van de profeten om het te doen vers 1. Zij eerden hem niet alleen als hun vader, hoofdst 2:15, maar gehoorzaamden hem ook als hun vader. De dienst om Jehu te zalven:
1. Bracht gevaar mede, 1 Samuël 16:2, en daarom was het niet goed dat Elisa zelf er zich aan zou blootstellen, maar één van de zonen van de profeten, wiens leven minder kostbaar was en die het ook met minder gevaar doen kon.
2. Vereiste arbeid en moeite, en dus was een jonge man in zijn volle kracht er beter voor geschikt. Laat de jeugd arbeiden en laat de rijpheid van jaren besturen.
3. Maar het was ook een eervolle dienst om een koning te zalven, en die hem waarnam kon hopen er later voor bevorderd te zullen worden, daarom heeft Elisa ter aanmoediging van de jonge profeten er één van hen voor gebruikt, hij wilde al de eer niet voor zichzelf houden, en aan de jonge profeten een aandeel er in niet misgunnen. Toen hij hem zond:
A. Gaf hij hem de olie mede, waarmee hij Jehu moest zalven. Neem deze oliekruik in uw hand. Salomo werd gezalfd met olie uit de tabernakel, 1Kon. 1:39. Die was nu niet te krijgen, maar olie uit de hand van een profeten was van gelijke waarde als olie uit Gods huis. Het was niet de standvastige gewoonte om koningen te zalven, maar in het geval dat de opvolger betwist werd, zoals in het geval van Salomo, of bij een onderbreking in de opvolging, zoals in die van Joas, Hoofdstuk 11:12 of bij de overgang van de regering op een ander geslacht, zoals hier en in het geval van David, werd het gedaan. Het kan ook in het algemeen geschied zijn, hoewel de Schrift er geen melding van maakt.
B. Hij legde hem de woorden in de mond, die hij moest spreken, vers 3. Ik heb u tot koning gezalfd, en ongetwijfeld heeft hij hem ook al het overige gezegd, dat hij gesproken heeft, vers 7-10. Zij, die door God op Zijn boodschap worden uitgezonden, zullen niet zonder volledige instructies gaan. Hij beval hem ook:
a. Het in het geheim te doen, Jehu af te zonderen van de overige hoofdlieden, en hem te zalven in een binnenste kamer, vers 2, opdat Jehu's vertrouwen in zijn opdracht op de proef gesteld zou worden, daar hij er geen getuigen van had om haar te bevestigen. Dat hij zo plotseling opgewekt was tot de dienst, zal een genoegzaam bewijs zijn, dat hij er toe gezalfd is, een ander bewijs was niet nodig. De zaak, die betekend werd, was het beste bewijs van het teken.
b. Het snel en vaardig te doen. Er toe heengaande moet hij zijn lenden gorden, als hij de daad volbracht heeft, moet hij vlieden en niet vertoeven om een beloning te ontvangen, of om onthaald te worden, of om te zien wat Jehu doen zou. Het betaamt de zonen van de profeten vlug en vaardig te zijn bij hun werk, het te doen als mannen, die het haten om te talmen en te beuzelen. Zij moeten als engelen wezen, die snellijk vliegen.
II. De opdracht overgegeven. De jonge profeet heeft zijn werk schielijk volbracht. Hij was spoedig te Ramoth in Gilead, vers 4, vond er de hoofdlieden bij elkaar, hetzij aan de maaltijd of in krijgsraad vergaderd, vers 5. Met de gerustheid en zekerheid, die betaamden aan een boodschapper Gods, in weerwil van het geringe van zijn voorkomen, onderscheidde hij Jehu van de overigen en riep hem naar buiten, niet wachtende tot het hem gelegen zou komen of hem om verschoning vragende dat hij hem stoorde maar als iemand bekleed met gezag, zei hij: Ik heb een woord aan u, o hoofdman. Misschien had Jehu enigerlei kennis bekomen van deze zaak, om nu de schijn niet te hebben van al te zeer naar die eer te staan, vroeg hij: Tot wie van ons allen? Opdat later niet gezegd zou worden, dat hij die waardigheid verkreeg door het eerst te spreken, maar allen er van overtuigd zouden zijn dat hij werkelijk de aangewezen persoon was Toen de profeet met hem alleen was, zalfde hij hem, vers 6. De zalving des Geestes is een verborgen zaak, het is de nieuwe naam, welke niemand kent, dan die hem ontvangt. Hiermede:
1. Bekleedt hij hem met de koninklijke waardigheid: Zo zegt de Heere, de God van Israël, wiens boodschapper ik ben en wiens woord ik spreek: ik heb u tot koning gezalfd over Israël. Hij geeft hem een onbetwistbaar recht, maar herinnert hem er aan dat hij koning gemaakt is:
a. Door de God Israëls, van Hem moet hij zijn macht zien afgeleid, want door Hem regeren de koningen, voor Hem moet hij haar gebruiken, en aan Hem is hij er voor verantwoordelijk. Magistraten zijn de dienaren Gods, en moeten dus handelen in afhankelijkheid van Hem, en met een algehele toewijding aan Hem en Zijn heerlijkheid.
b. Over het Israël Gods. Hoewel het volk van Israël ellendig verdorven was, en al de eer verbeurd had van tot Hem in betrekking te staan, worden zij hier toch het volk des Heeren genoemd, want Hij had recht op hen en had hun nog geen scheidbrief gegeven. Jehu moet het volk, waarover hij koning was gemaakt, beschouwen als het volk des Heeren, niet als zijn vazallen, maar als Gods vrijen, Zijn zonen, Zijn eerstgeborenen, die niet mishandeld niet getiranniseerd moeten worden, Gods volk, en daarom geregeerd voor Hem, en overeenkomstig Zijn wetten.
2. Hij geeft hem instructies voor zijn tegenwoordige dienst, die bestond in het huis van Achab uit te roeien, vers 7, niet opdat hij zich daardoor de weg naar de troon zal effenen, en er zich het bezit van zal verzekeren, maar om de oordelen Gods te volvoeren aan dat schuldig en schadelijk geslacht. Hij noemt Achab zijn heer, opdat die betrekking geen bezwaar zou zijn. "Hij was uw heer, en uw hand op te heffen tegen zijn zoon en opvolger zou niet slechts lage ondankbaarheid zijn, maar verraad, muiterij. en al wat slecht is, indien gij niet onmiddellijk van God bevel hadt gekregen om het te doen, maar gij zijt onder hogere verplichtingen aan uw Heer in de hemel dan aan uw heer Achab. Hij, uw Heer in de hemel, heeft besloten dat het gehele huis van Achab zal omkomen, en dat wel door uw hand, vrees niet, heeft Hij het u niet geboden? Vrees niet dat het zonde is, Zijn gebod zal u rechtvaardigen en verdedigen, vrees geen gevaar, Zijn gebod zal u beveiligen en voorspoedig maken.
Opdat hij met verstand en op de rechte wijze dit grote oordeel aan het huis van Achab zal volvoeren, zegt hij hem:
a. Wat hun misdaad was, wat de grond is van de twist, en waarom God deze twist met hen had, opdat hij het oog zou hebben op hetgeen waar God het oog op had, en dat was het bloed van Gods dienstknechten, de profeten, en andere getrouwe aanbidders van God, dat zij vergoten hebben, en dat nu van de hand van Izebel geëist wordt. Dat zij afgodendienaars waren, was erg genoeg, en verdiende al het kwaad dat over hen gebracht werd, toch wordt daar nu geen melding van gemaakt, maar de twist, die God met hen heeft, is dat zij vervolgers zijn, niet zozeer dat zij Gods altaren hebben neergeworpen, als wel, dat zij zijn profeten met het zwaard gedood hebben. Door niets wordt de maat van de ongerechtigheid van een vorst of een volk zo gevuld als hierdoor, en niets brengt een zekerder en zwaarder verderf over hen. Dat was de zonde, die de eerste verwoesting over Jeruzalem heeft gebracht, 2 Kronieken 36:16 en ook de laatste verwoesting, Mattheus 23:37, 38. Izebels hoererijen en toverijen waren niet zo Godtergend als haar vervolgen van de profeten, van wie zij sommigen heeft gedood, en de overigen in hoeken en spelonken heeft gedreven, 1 Koningen 18:4..
b. Wat hun vonnis was, zij werden veroordeeld om ten enenmale uitgeroeid te worden, niet gekastijd, maar verdelgd te worden. Dit moet Jehu weten, opdat zijn oog niet zou sparen uit medelijden, gunst of genegenheid. Allen, die tot Achab behoorden moeten gedood worden, vers 8. Er wordt hem een voorbeeld gegeven van de verdelging, die bedoeld was, In de verdelging van de geslachten van Jerobeam en van Baesa, vers 9, en inzonderheid wordt hem bevolen Izebel de honden voor te werpen, vers 10. Al dat koninklijk bloed was weinig genoeg, ja te weinig, om vergoeding te doen of te boeten voor het bloed van de profeten, van de heiligen en martelaren, dat in Gods schatting van hoge waardij is.
De profeet, zijn boodschap verricht hebbende, spoedde zich naar huis terug en liet Jehu om te overwegen wat hem te doen stond, en leiding van God te vragen.