2 Koningen 7:12-20
I. Hier is de vrees van de koning, dat de terugtocht van de Syriërs slechts een krijgslist was vers 12. Hij dacht dat zij zich in een hinderlaag hadden teruggetrokken om de belegerden naar buiten te lokken, en hen dan aan te vallen. Hij wist dat hij geen reden had om te verwachten, dat God aldus wonderdadig voor hem zou verschijnen, daar hij door zijn ongeloof en ongeduld Zijn gunst had verbeurd. Hij wist niet welke reden de Syriërs konden hebben om te vluchten, want het blijkt niet dat hij of zijn dienaren het geluid van de paarden en wagens had gehoord, waardoor de Syriërs zo verschrikt waren. Laat hen, die, evenals hij, ongestadig zijn in al hun wegen, niet denken iets van de Heere te zullen ontvangen, ja een schuldig geweten maakt de mensen achterdochtig en doet hen het ergste vrezen.
II. Hun maatregelen om zich van de waarheid te vergewissen en te voorkomen, dat zij in een strik zouden vallen. Zij zonden verkenners uit, om te zien wat er van de Syriërs was geworden, en nu bevonden zij dat zij allen werkelijk gevlucht waren, de aanvoerders zowel als de gewone soldaten. Zij konden hun spoor nagaan aan de kleren, die zij weggeworpen hadden en op de weg hadden achtergelaten, om maar met des te meer spoed voort te komen, vers 15. Hij, die de raad had gegeven, om de verkenners uit te zenden, scheen zeer doordrongen van de betreurenswaardige toestand, waarin het volk verkeerde, vers 13, want sprekende van de paarden, waarvan velen dood waren, en de overigen op het punt waren om van honger te sterven, zegt hij, en herhaalt zijn gezegde: Zij zijn als de gehele menigte van de Israëlieten. Israël placht te roemen in hun menigte, maar nu zijn zij verminderd en tenonder gegaan. Hij adviseerde om vijf ruiters te zenden, maar het schijnt dat er slechts twee paarden waren, geschikt om gezonden te worden, en dat waren wagenpaarden, vers 14. Nu berouwde het de Heere over Zijn knechten, daar Hij zag dat hun kracht weg was, Deuteronomium 32:36.
III. De overvloed, die in Samaria kwam uit de buit van het kamp van de Syriërs, vers 16. Indien de Syriërs de hedendaagse politiek van de oorlog hadden gevolgd, zij zouden, als zij hun bagage en tenten niet mee konden nemen, ze liever verbrand hebben (zoals men gewoonlijk doet met de foerage van een land) dan ze in de handen van hun vijanden te laten vallen, maar God wilde dat de belegering van Samaria, die bedoeld was om het te verderven tot haar voordeel zou strekken, en dat Israël nu verrijkt zou worden met de roof van de Syriërs zoals vanouds met die van de Egyptenaren.
1. Hoe "het vermogen van de zondaar weggelegd is voor de rechtvaardige," Spreuken 13:22, zie ook Job 27:16, 17, en de verwoesters verwoest zien, Jesaja 33:1.
2. Hoe in Israëls nood voorzien is op een wijze waaraan zij weinig gedacht hebben, hetgeen ons moet aanmoedigen om in onze grootste benauwdheid op de macht en de goedheid van God te vertrouwen.
3. Het woord van Elisa vervuld tot in de kleinste bijzonderheden: een maat meelbloem werd verkocht voor een sikkel. Zij, die het kamp plunderden, hadden niet alleen genoeg voor zichzelf, maar hielden nog over, om het tegen billijke prijs te verkopen aan anderen, zodat zelfs zij, `die thuis bleven in de buit deelden" Psalm 68:13, Jesaja 33:23. Op Gods belofte kan gerust vertrouwd worden, want geen woord van Hem zal ter aarde vallen. IV. De dood van de ongelovige hoveling, die de waarheid van Elisa's woord in twijfel trok. Goddelijke bedreigingen zullen even gewis vervuld worden als Goddelijke beloften. Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden, staat even vast als: die geloofd zal hebben zal zalig worden. Deze hoveling:
1. Werd door de koning aangesteld over de wacht van de poort, vers 17, om de orde te bewaren en de openbare vrede te handhaven bij het verdelen van de buit, zoveel vertrouwen stelde de koning in hem en zijn wijsheid, en zozeer had hij een welbehagen in zijn eer, wie groot wil zijn, moet het algemene welzijn dienen.
2. Hij werd in de poort door het volk vertreden, hetzij per ongeluk, daar er een grote menigte van volk was, en hij in het midden van het gedrang was, of misschien opzettelijk, omdat hij misbruik had gemaakt van zijn macht, hoog en gebiedend was in zijn beteugelen van het volk, dat zijn honger wilde stillen. Hoe het zij, Gods gerechtigheid werd verheerlijkt en het woord van Elisa vervuld: hij zag de overvloed, om zijn ongeloof tot zwijgen te brengen en te beschamen, het koren was goedkoop zonder dat er vensters in de hemel geopend werden, en daarin zag hij zijn eigen dwaasheid om aan God te willen voorschrijven wat Hij doen moet, en hoe Hij het moet doen, maar van de overvloed, die hij zag, heeft hij niet gegeten, toen hij "zijn buik zou vullen, heeft God de hitte van Zijn toorn over hem gezonden," Job 20:23, en die kwam tussen de beker en de lippen. Terecht worden diegenen aldus getantaliseerd met de beloften van de wereld, die denken getantaliseerd te zijn met de beloften Gods, indien geloven geen zien zal zijn, dan zal zien nog geen genieten wezen.
Die zaak wordt herhaald, en de gebeurtenis zeer nauwkeurig vergeleken met de voorzegging vers 18-20, opdat wij er zeer bijzonder aandacht aan zullen schenken, en er uit leren:
a. Hoe diep God beledigd wordt door ons mistrouwen van Hem, van Zijn macht, Zijn voorzienigheid en Zijn belofte. Toen Israël zei: "Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? hoorde het de Heere en werd verbolgen." De oneindige wijsheid zal niet beperkt worden door onze dwaasheid. God belooft nooit het doel zonder te weten hoe in de middelen te voorzien.
b. Hoe onzeker het leven is en de genieting er van, eer en aanzien en macht kunnen de mensen niet beveiligen tegen een plotselinge en roemloze dood. Hem, op wie de koning leunde, heeft het volk vertreden, hij die waande de stut en de steun te zijn van de regering, wordt als slijk op de straten met voeten getreden, aldus is de hovaardij van alle sieraad van de mensen dikwijls verachtelijk gemaakt.
c. Hoe zeker en gewis Gods bedreigingen zijn, en hoe zeker zij de schuldigen zullen treffen, laat alle mensen vrezen voor het aangezicht van de grote God die over de overheden komt als over leem, en de koningen van de aarde vreeslijk is.