2 Koningen 4:18-37
Wij kunnen ons voorstellen dat de profeet na de geboorte van deze zoon dubbel welkom was aan deze Sunamietische. Hij had zich verplicht aan deze Godvruchtige Sunamietische. Hij had zich verplicht aan haar gerekend, maar van nu voortaan, en zolang als zij leeft, zal zij zich zijn schuldenares achten, en denken dat zij nooit genoeg voor hem doen kan. Wij kunnen ook veronderstellen dat het kind de profeet zeer dierbaar was, als het kind van zijn gebeden, en zeer dierbaar aan de ouders, als de zoon van hun ouderdom. Maar hier is nu:
I. De plotselinge dood van het kind, hoe dierbaar hij ook was. De gevaren van de kindsheid is hij in zoverre te boven, dat hij kan uitgaan in het veld tot zijn vader, die ongetwijfeld genoegen smaakte in zijn innemend gepraat, en zijn vreugde in zijn zoon is groter dan de vreugde in zijn oogst. Maar, hetzij de koude of de hitte van het open veld beving het kind, dat met tedere zorgvuldigheid was grootgebracht, en hij klaagt bij zijn vader over hoofdpijn, vers 19. Waarheen zullen wij met onze klachten gaan dan tot onze hemelse Vader? Daarheen brengt de Geest van de aanneming de gelovigen met al hun verdriet, al hun begeerten, hen lerende te roepen met onuitsprekelijke zuchtingen. "Mijn hoofd, mijn hoofd, mijn hart, mijn hart." De vader zendt hem naar de armen van zijn moeder, de schoot van zijn moeder, weinig vermoedende dat er gevaar was in zijn ongesteldheid, maar hopende dat hij op de schoot van zijn moeder in slaap zal vallen, en in welstand zal ontwaken. Maar de ongesteldheid blijkt noodlottig, hij slaapt de slaap des doods, vers 20, nog gezond en wel in de morgen, en des middags reeds dood, al de zorg en de tederheid van zijn moeder kunnen hem niet in het leven behouden, een kind van de belofte, een kind des gebeds, geschonken in liefde, en toch weggenomen, kleine kinderen zijn blootgesteld aan ziekte en dood. Maar hoe bewonderenswaardig bewaart de voorzichtige, vrome moeder haar lippen onder deze onverwachte beproeving! Geen enkel gemelijk, onbetamelijk woord komt uit haar mond, zij heeft een sterk geloof, dat het kind tot het leven teruggeroepen zal worden, als de echte dochter van Abrahams geloof, zowel als van zijn lenden, overlegde zij dat God machtig is hem ook uit de doden te verwekken. Zij had gehoord van de opwekking van de zoon van de weduwe van Sarepta, en dat de geest van Elia rustte op Elisa, en zij had zo'n vertrouwen in Gods goedheid, dat zij zeer bereid was te geloven, dat Hij, die zo spoedig wegnam wat Hij had gegeven, zou weergeven wat Hij nu genomen had, door dit geloof "hebben vrouwen haar doden wedergekregen," Hebreeën 11:35. In dit geloof maakt zij geen toebereidselen voor de begrafenis van haar gestorven kind, maar wel voor zijn opstanding, want zij legt hem op het bed van de profeet vers 21 verwachtende dat hij haar vriend zei zijn. O vrouw, groot is uw geloof! Hij, die het gewerkt heeft, zal het niet teleurstellen.
II. De treurende moeder wendt zich bij die gelegenheid tot de profeet, want het kwam zeer gelegen, dat hij nu juist niet ver vandaar In de profetenschool op de berg Karmel was.
1. Zij verzocht haar man om tot de profeet te mogen gaan, maar zegt hem niet wat haar boodschap bij hem was, uit vrees dat hij geen geloof genoeg zou hebben om haar te laten gaan, vers 22. Het is geen nieuwe maan of sabbat, wierp hij haar tegen, hetgeen aanduidt dat zij op deze feesten des Heeren placht op te gaan naar de vergadering waarin hij voorging, met andere Godvruchtige mensen, om het woord te horen en zich met hem te verenigen in gebed en lofzegging. Zij vond het niet genoeg zijn hulp soms te hebben in haar gezin, maar, hoewel zij een aanzienlijke vrouw was, woonde zij de openbare Godsverering bij. Maar nu was het geen van de bepaalde tijden daarvoor, derhalve zegt haar man: "Waarom wilt gij heden tot hem gaan? Wat is er gebeurd?" "Het is niets," zei zij, "het zal wel zijn, later zult gij dit zelf zeggen." Zie hoe deze man en vrouw met elkaar wedijverden in wederkerige achting, zij was hem zo onderdanig en gehoorzaam, dat zij niet gaan wilde zonder hem kennis te geven van haar tocht, en hij was zo vriendelijk voor haar, dat hij er zich niet tegen wilde verzetten hoewel zij niet goedvond hem met het doel van haar tocht bekend te maken.
2. Zij haastte zich zoveel zij kon om tot de profeet te komen, vers 24, en hij, haar van verre ziende aankomen, zond zijn dienaar tot haar om te vernemen of er ook enig ongeval was, vers 25, 26. De vragen waren zeer nauwkeurig: Is het wel met u, is het wel met uw man, is het wel met uw kind? Het betaamt de mannen Gods om met tedere belangstelling te vragen naar de welstand van hun vrienden en hun gezinnen. Het antwoord was in het algemeen: Het is wel. Gehazi was de man niet tot wie zij kwam met haar klacht, en daarom maakt zij zich met dit algemene antwoord van hem af, zij zei weinig, en weinig gezegd is spoedig verantwoord, Psalm 39:2, 3, maar wat zij zei was zeer geduldig: "Het is wèl met mij, met mijn man, met het kind" -alles wèl, en toch is het kind dood in huis. Als God onze dierbaarste betrekkingen van ons wegroept, dan betaamt het ons kalm en rustig te zeggen: "Het is wel, beide met hen en ons, " het is wel, want alles is wèl wat God doet, alles is wel met hen, die heengegaan zijn, als zij naar de hemel zijn gegaan en alles is wèl met ons, die achterblijven, indien wij door de beproeving op de weg er heen voortgeholpen worden.
3. Toen zij tot de profeet kwam, heeft zij nederig met hem geredeneerd over haar tegenwoordige beproeving. Zij wierp zich aan zijn voeten, als in beroering en smart, die zij niet getoond heeft voor zij tot hem kwam, die, naar zij geloofde haar kon helpen, vers 27. Als het haar van dienst kon zijn, dan wist zij haar lijden te tonen, evengoed als het te verbergen als het haar slechts ondienst zou doen. Gehazi wist, dat het zijn meester zou mishagen haar aan zijn voeten te zien, en wilde haar daarom opheffen, maar Elisa wachtte om van haar te horen, daar hij het niet onmiddellijk van God te weten kwam wat de oorzaak was van haar smart. God openbaarde de zaken aan Zijn profeten, naar Hij het geschikt oordeelde, niet altijd naar dat zij het begeerden. God heeft dit niet aan de profeet bekend gemaakt, omdat hij het van de Godvrezende vrouw zelf kon vernemen. Wat zij zei was zeer aandoenlijk. Zij beroept zich op de profeet:
A. Betreffende haar niet begeren van de zegen, die haar nu ontnomen was: "Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Neen, gij weet dat ik hem niet begeerd heb. Het was mijn voorstel niet, ik heb niet getreurd en gekwijnd om het gemis van een zoon, zoals Hanna, noch er om gevraagd en geroepen, zoals Rachel: Geef mij kinderen, of ik sterf." Als ons enigerlei lieflijkheid en vertroosting in het schepsel ontnomen wordt, dan is het goed dat wij er ons hart niet op buitensporige, ongeregelde wijze op gezet hebben, want als wij dit wèl gedaan hebben, dan hebben wij reden te vrezen dat het in toorn was gegeven en in toorn was ontnomen.
B. Betreffende haar volstrekt betrouwen op het woord van de profeet: Zei ik niet: Bedrieg mij niet. Ja, dat heeft zij gezegd, vers 16, en dit verwijzen er naar kan beschouwd worden, hetzij:
a. Als een twisten met de profeet, alsof hij haar bedrogen had, zij was bereid te denken, dat die zegen haar gegeven was om haar te bespotten, nu hij haar zo spoedig weer was ontnomen, en dat het beter geweest zou zijn, indien dat kind haar nooit gegeven was, dan haar er van te beroven, nu zij begon vertroosting en genot in hem te smaken. Het verlies van een zegen moet ons de gave ervan niet doen onderschatten. Of: b. Als een pleiten bij de profeet om het kind weer in het leven terug te roepen. Ik zei: Bedrieg mij niet, en ik weet, dat gij dat niet zult. Hoe de voorzienigheid God ons ook teleurstelling moge baren, wij kunnen er zeker van zijn dat de belofte Gods ons niet bedrogen heeft, noch ons ooit bedriegen zal. De hoop hierop zal ons niet beschaamd maken.
III. De wederopwekking van het kind tot het leven. Wij kunnen veronderstellen dat de vrouw een meer omstandig bericht aan Elisa heeft gegeven van de dood van het kind, en dat hij haar een meer uitdrukkelijke belofte heeft gegeven van zijn opstanding, dan hier verhaald is, waar ons kortelijk gezegd wordt:
1. Dat Elisa Gehazi zond, om in allerijl naar het dode kind te gaan, hem zijn staf gaf, en hem beval die op het gezicht van het kind te leggen, vers 29. Ik weet niet wat hiervan te zeggen. Elisa wist dat Elia het dode kind had opgewekt, door zich over het kind uit te strekken en te bidden, wederom en nogmaals, kon hij dan denken het kind op te wekken door zo gering een plechtigheid als het zenden van zijn staf, om die op zijn aangezicht te leggen, inzonderheid daar niets hem verhinderde zelf te komen? Zal een macht als deze overgedragen worden, en wel aan geen beter man dan Gehazi was? Bisschop Hall oppert de mening dat dit een menselijk bedenksel was maar geen Goddelijke aandrift, en daarom ook geen kracht van uitwerking had. God wil zulke grote gunsten niet al te goedkoop maken, zij zullen ook niet al te gemakkelijk verkregen worden, opdat zij niet worden onderschat.
2. De vrouw besluit niet zonder de profeet zelf terug te gaan, vers 30. Ik zal u niet verlaten. Zij had een grote verwachting van de staf, maar zij wil de hand hebben, en zij had gelijk. Misschien was het bedoeld ons er mee te leren, niet het vertrouwen te stellen in schepselen, die dienaren zijn, waarvan de macht van de Schepper, hun en onze Meester, alleen het gewicht zal dragen. Gehazi keert terug "re infecta, onverrichter zake," zonder de tijding van enig teken van leven in het kind vers 31. De jongen is niet ontwaakt, te kennen gevende dat zijn dood slechts een slaap was en dat hij verwachtte dat hij weldra zal ontwaken. In de opwekking van dode zielen tot geestelijk leven, kunnen leraren in hun eigen kracht niet meer doen dan Gehazi hier doen kon, zij leggen het woord, evenals de staf van de profeet, voor hun aangezicht, maar er is geen stem of opmerking, totdat Christus door Zijn Geest zelf komt, de letter alleen doodt, het is de Geest, die leven geeft. Het is niet het profeteren tot dorre doodsbeenderen, dat er leven in zal brengen, de adem moet van de hemel komen om op de gedoden te blazen.
3. Door vurig gebed verkrijgt de profeet van God, dat dit dode kind wederkeert tot het leven. Hij vond het kind dood op zijn eigen bed, vers 32, en sloot de deur voor hen beide toe, vers 32. Zelfs van het dode kind wordt gesproken als van een persoon, een van de beide, want het was nog in wezen. en niet verloren. Hij sloot alle gezelschap buiten, opdat hij de schijn niet zou hebben van te roemen in de macht, die God hem gegeven heeft, of haar met praalvertoon te gebruiken, en om van de mensen gezien te worden.
4.Merk op:
A. Met hoeveel zorg en nauwlettendheid hij zich op dit grote werk toelegde, zich misschien bewust zijnde, dat hij God te veel had verzocht door te denken dit te kunnen uitwerken door de staf in Gehazi's hand, waarvoor hij zich bestraft achtte door de teleurstelling. Hij vindt het nu moeilijker dan hij gedacht heeft, en daarom begeeft hij er zich nu met zoveel groter plechtigheid toe. a. Hij bad tot de Heere vers 33, waarschijnlijk zoals Elia gebeden heeft Laat toch de ziel van dit kind in hem weerkomen. Christus heeft de doden ten leven opgewekt als gezaghebbende: "Gij dochtertje, Ik zeg u, sta op. Jongeling, Ik zeg u, sta op. Lazarus, kom uit, " want Hij was machtig en getrouw als een Zoon, de Heer des levens, maar Elia en Elisa deden het door gebed, als dienstknechten.
b. Hij legde zich neer op het kind, vers 34 alsof hij hem zijn levenswarmte en levensgeesten wilde meedelen, aldus drukte hij de ernst en de vurigheid uit van zijn begeerte, en gaf hij een teken van de Goddelijke macht, waarop hij betrouwde voor de volbrenging van dat grote werk. Eerst legde hij zijn mond op de mond van het kind, alsof hij hem in de naam van God de levensadem wilde inblazen, toen zijn ogen op de ogen van het kind, om ze weer voor het licht van het leven te openen, toen zijn handen op de handen van het kind, om er kracht in te brengen. Daarna kwam hij weer en wandelde in het huis, als iemand die vol zorg is, geheel ingenomen is door het werk dat hij te doen heeft, toen ging hij weer naar boven en breidde zich weer over hem uit, vers 35. Zij, die het middel willen wezen om geestelijk leven te brengen in de dode zielen, moeten zich aldus wijden aan hun zaak, er zich naar schikken, en veelsoortig werkzaam zijn in het gebed voor hen.
B. Hoe de werking trapsgewijze werd volbracht. Eerst werd het lichaam van het kind warm vers 34, hetgeen de profeet aanmoedigde om te volharden in het gebed, na een poosje niesde de jongen tot zevenmaal toe, hetgeen een aanduiding was, niet alleen van leven, maar van levendigheid. Sommigen merken hier op dat niezen het hoofd verheldert, en dat daar de ziekte van het kind in gelegen was.
C. Hoe vreugdevol het kind aan zijn moeder werd weergegeven, vers 36, 37, en allen, die er bij betrokken waren, "waren bovenmate vertroost," Handelingen 20:12. Zie de macht van God die doodt en levend maakt, zie de macht van het gebed, gelijk het de sleutel heeft van de wolken zo heeft het ook de sleutel van de dood, zie de macht van het geloof, die vaste, bestendige wet van de natuur (dat de dood een weg is, van waar men niet terugkomt), zal eerder opgeheven worden, dan dat deze gelovige Sunamietische teleurgesteld zal worden.