2 Koningen 14:23-29
Hier is een bericht van de regering van Jerobeam II. Ik vrees dat het een aanduiding is van de genegenheid, die het huis van Jehu koesterde voor de zonden van Jerobeam de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, dat zij een vermoedelijke erfgenaam van de kroon naar zijn naam hebben genoemd, die naam eervol achtende, die in het boek Gods als eerloos is gebrandmerkt.
I. Zijn regering was lang, de langste van al de koningen Israëls, hij regeerde een en veertig jaren, maar zijn tijdgenoot Azaria, de koning van Juda, regeerde nog langer, namelijk twee en vijftig jaren. Deze Jerobeam regeerde even lang als Asa, 1 Koningen 15:10 en toch deed de een wat goed en de ander wat kwaad was. Wij kunnen het karakter van de mensen niet afmeten naar de lengte van hun leven of naar hun uitwendige voorspoed, enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze.
II. Zijn karakter was gelijk aan dat van de overigen van deze koningen, hij deed wat kwaad was, vers 24 want hij week niet af van alle zonden van Jerobeam, hij handhaafde de aanbidding van de kalveren, en liet daarvan niet af denkende dat daar geen kwaad in was, omdat: het de wijze van doen was van al zijn voorouders en voorgangers, maar een zonde is er niet minder kwaad om in Gods ogen-wat zij ook in onze ogen moge zijn-omdat zij van oudsher gepleegd werd, en het is een beuzelachtige reden tegen goeddoen, dat wij gewoon zijn geweest kwaad te doen.
III. Toch was hij meer voorspoedig dan de meesten onder hen, want hoewel hij in dat opzicht deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, zal er waarschijnlijk in andere opzichten iets goeds in hem geweest zijn, en daarom heeft God zich aan hem betuigd:
1. Door profetie. Hij verwekte Jona, de zoon van Amitthai, een Galileër (zozeer vergisten zij zich, die zeiden dat in "Galilea geen profeet is opgestaan," Johannes 7:5 en door hem gaf Hij Zijn voornemens van gunst over Israël te kennen in weerwil van hun tergingen. Hij moedigde hem en zijn rijk aan om de wapens op te vatten tot herovering van hun aloude bezittingen, en (hetgeen niet weinig bijdroeg tot hun voorspoed) verzekerde hun van de overwinning. Het is een teken, dat God Zijn volk niet verstoten heeft, als Hij getrouwe leraren onder hen laat blijven, toen Elisa, die de handen van Joas had gesterkt, was heengegaan, werd Jona gezonden, om zijn zoon te bemoedigen. Gelukkig het land, dat een opvolging heeft van profeten, die gelijklopend is met de opvolging van vorsten, opdat het woord des Heeren besta tot in eeuwigheid. Van deze Jona lezen wij veel in het kleine boek van de Schrift, dat zijn naam draagt. Waarschijnlijk was het, toen hij een jonge man was, geschikt voor zo'n expeditie, dat God hem naar Ninevé zond en dat het was, toen hij nog slechts weinig bekend was met de gezichten Gods, dat hij wegvluchtte en zich verbitterde, zoals hij gedaan heeft. Indien dit zo is, dan is het een ontwijfelbaar bewijs van de vergeving van zijn fouten en dwaasheden, dat hij later gebruikt werd als een boodschapper van de genade bij Israël. Een opdracht staat gelijk met een vergeving, en hij, die zelf genade heeft gevonden in weerwil van zijn tergingen, kon zoveel te beter hen aanmoedigen om op genade te hopen in weerwil van de hunne. Sommigen, die in het begin dwaas en driftig waren en hun werk zeer lomp en onhandig gedaan hebben, bleken later toch zeer nuttig en voortreffelijk te zijn, de mensen moeten om iedere fout niet dadelijk weggeworpen worden.
2. Door Zijn voorzienigheid, de uitkomst was naar het woord des Heeren, zijn wapens waren voorspoedig, hij bracht weer de landpale Israëls, heroverde de grenssteden en landstreken, die lagen van Hamath in het noorden tot aan de zee van het vlakke veld, dat is de zee van Sodom in het zuiden, van welke alle de Syriërs zich meester hadden gemaakt, vers 25. Er worden hier twee redenen gegeven, waarom God hen met deze overwinningen gezegend heeft.
a. Omdat de ellende zeer bitter was en dat maakte hen tot voorwerpen van Zijn mededogen, vers 26. Hij zag generlei teken van hun berouw en reformatie, maar Hij zag dat de ellende van Israël zeer bitter was. Zij, die woonden in de landstreken, waarvan de vijand zich meester had gemaakt, werden ellendig verdrukt en geknecht, zij konden niets het hunne noemen. De overigen waren, naar wij kunnen veronderstellen, zeer verarmd door de herhaalde invallen van de vijanden om hen te plunderen en te beroven, en voortdurend verschrikt door hun bedreigingen, zodat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, stad en land werden verwoest, beroofd van hun rijkdom, en er was geen helper. In veel streken van het land waren zij in het begin van Jerobeams regering tot dit uiterste gebracht, toen God in ontferming over hen hoorde het geroep van hun benauwdheid, (want er wordt hier geen melding gemaakt van de stem van hun gebed) en bracht verlossing voor hen door de hand van Jerobeam. Laat hen, die zich in rampzalige toestand bevinden zich vertroosten met de ontferming Gods, wij lezen van Gods ingewanden van de barmhartigheid, Jesaja 63:15, Jeremia 31:20, en dat Hij barmhartig en genadig is, Psalm 86:15..
b. Omdat het raadsbesluit nog niet was uitgegaan voor hun algeheel verderf. Hij had nog niet gesproken dat Hij de naam Israëls verdelgen zou, vers 27, en omdat Hij het niet gesproken heeft, zal Hij het niet doen. Indien dit verstaan wordt van de verstrooiing van de tien stammen, dan heeft Hij het gezegd, en niet lang daarna gedaan (uitstel van straf is nog geen kwijtschelding) indien van de volstrekte uitdelging van de naam Israël, dan heeft Hij dit nooit gezegd, en zal Hij het ook nooit zeggen, want die naam blijft nog onder de hemel in het Evangelie-Israël, en zal blijven tot aan het einde der tijden, en omdat zij voor het ogenblik die naam droegen, die deze blijvende eer zal hebben, bewees Hij hun deze gunst, zowel als om der wille van de aloude eer diens naams, Hoofdstuk 13:23.
Eindelijk. Hier is het einde van Jerobeams regering, wij lezen in vers 28 van zijn macht en hoe hij gekrijgd heeft, maar in vers 29, dat hij ontsliep met zijn vaderen, want ook de machtigste moet buigen voor de dood en kan aan die strijd niet ontkomen.
Er zijn in Israël vele profeten geweest, een gestadige opvolging van hen door alle eeuwen, maar geen van hun heeft zijn profetieën in geschrifte gelaten, totdat die van deze tijd het begonnen te doen, en hun profetieën maken deel uit van de canon van de Schrift. Het was onder de regering van deze Jerobeam, dat Hosea (die gedurende lange tijd geprofeteerd heeft) begon te profeteren, en hij was de eerste, die zijn profetieën geschreven heeft, daarom wordt het woord des Heeren door hem het begin van het woord des Heeren genoemd, Hosea 1:2. Toen begon dat deel van het woord des Heeren geschreven te worden, en in die tijd profeteerde Amos, en schreef zijn profetie, spoedig daarna Micha en toen Jesaja in de dagen van Achaz en Hizkia. Zo heeft God zich nooit zonder getuigen gelaten, maar heeft Hij ook in de donkerste en meest ontaarde tijden van de kerk sommigen verwekt om er brandende en lichtende kaarsen in te zijn, voor hun eigen tijd door hun prediking en hun leven, en enkelen om door hun geschriften licht te doen afstralen op ons, op wie de einden van de eeuwen gekomen zijn.