2 Koningen 14:8-14
Na de verdeling van het rijk heeft Juda gedurende verschillende opvolgingen veel geleden van de vijandschap van Israël. Na Asa's tijd heeft het onder verscheidene opvolgingen nog meer geleden van de vriendschap van Israël evenals door de verbintenis en de verwantschap met hen. Nu zien wij hen weer in vijandschap tegenover elkaar, nadat zij gedurende enige eeuwen in vriendschappelijke verhouding tot elkaar stonden.
I. Zonder enigerlei aanleiding, en zonder een reden voor de twist op te geven, daagt Amazia Joas uit om met hem te strijden, vers 8. "Kom, laat ons elkanders aangezicht zien, laat ons onze krachten meten in het strijdperk." Had hij hem tot een persoonlijk tweegevecht uitgedaagd, de dwaling zou hem alleen gegolden hebben, maar neen, zij moeten beide hun gehele strijdmacht te velde brengen, en van beide zijden moeten duizenden levens opgeofferd worden aan zijn gril. Hierin toonde hij zich hoogmoedig, vermetel en kwistig in bloedvergieten. Sommigen denken dat hij bedoelde het kwaad te wreken, dat de ontevreden, afgedankte Israëlieten onlangs bij hun terugkeer in zijn land hadden aangericht, 2 Kronieken 25:13, en dat hij ijdel genoeg was om te denken dat hij het rijk van Israël ten onder zou kunnen brengen, om het dan weer met Juda te verenigen. De lippen van de zot komen in twist, en zijn mond roept naar slagen. Aan hen, die uitdagen, kan het begin van het krakeel ten. laste gelegd worden, hetwelk is gelijk een, die het water opening geeft. Hij, die zo belust is op strijd of op het voeren van processen, kan er spoedig genoeg van hebben, en de eerste wezen om er berouw van te hebben.
II. Joas zond hem een ernstige bestraffing voor zijn uitdaging, met de raad om haar in te trekken, vers 9, 10.
1. Hij vernedert zijn hoogmoed door zichzelf te vergelijken bij een ceder, een statige boom, en Amazia bij een distel, een armzalig onkruid, hem zeggend dat hij, wel verre van hem te vrezen, hem verachtte, en het evenzeer beneden zich achtte om iets met hem te doen te hebben of een verbintenis aan te gaan, als de ceder om zijn dochter aan een distel te huwen. Het aloude huis van David acht hij niet waardig om op een dag met het huis van Jehu genoemd te worden, al was dit ook pas van gisteren. Hoe kan een nederig man glimlachen, als hij hoort hoe twee trotse, minachtende mannen hun vernuft te werk stellen om elkaar te onderschatten en te verlagen!
2. Hij voorzegt zijn val, het gedierte van het veld vertrad de distel, en maakte aldus een einde aan de onderhandeling met de ceder, zo gemakkelijk denkt Joas Amazia te kunnen verpletteren, en zo weinig instaat acht hij hem om weerstand te bieden.
3. Hij toont hem de dwaasheid van zijn uitdaging: "Gij hebt de Edomieten een zwak, ongewapend, ongedisciplineerd volk, dapper geslagen, en daarom denkt gij nu iedereen te kunnen overwinnen, het geregelde leger van Israël even gemakkelijk ten onder te kunnen brengen, uw hart heeft u verheven." Zie waar de wortel is van alle zonde, hij is in het hart, daaruit vloeit zij voort, en dat moet de schuld er van dragen. Het is niet de voorzienigheid Gods, niet de gebeurtenis, niet de gelegenheid, waarin die ook moge bestaan, die de mensen hoogmoedig, of vleselijk gerust, of ontevreden maakt, het is hun eigen hart, dat het doet. "Gij zijt trots op de slag, die gij Edom hebt toegebracht, alsof gij nu voor geheel het mensdom geducht zijt geworden." Diegenen misleiden zichzelf, die hun eigen daden vergroten en omdat zij met een kleine voorspoed gezegend werden en een weinigje roem hebben behaald, zich nu tot alles instaat en bekwaam achten.
4. Hij raadt hem aan om tevreden te wezen met de roem, die hij verkregen had, en die niet in de waagschaal te stellen door te haken naar hetgeen buiten zijn bereik is. "Waarom zoudt gij u in het kwade mengen, zoals dwazen, die zich in twist willen mengen", Spreuken 20:3. Velen zouden genoeg eer en rijkdom gehad hebben, indien zij slechts hadden geweten wanneer zij genoeg hadden. Hij waarschuwt hem voor de gevolgen, die niet alleen voor hemzelf noodlottig zullen zijn, maar ook voor zijn rijk dat hij behoort te beschermen.
III. Amazia blijft bij zijn besluit, en de uitkomst was slecht. Hij zou beter hebben gedaan met thuis te blijven, want Joas heeft hem zo in het aangezicht gezien, dat hij hem beschaamd maakte, uitdagers blijken gewoonlijk aan de verliezende kant te staan.
1. Zijn leger werd verslagen en verstrooid, vers 12. Josefus zegt: "Toen zij de slag zouden beginnen, werden zij door zulk een angst en schrik bevangen, dat zij het zwaard niet konden trekken, en iedereen zich trachtte te redden door de vlucht."
2. Hijzelf werd gevangen genomen door de koning van Israël, en toen had hij er genoeg van om zijn aangezicht te zien. Amazia's stamboom wordt hier ietwat plotseling vermeld de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, misschien wel omdat hij zich verhovaardigd had op de eer en waardigheid van zijn voorouders, of omdat hij nu boette voor hun ongerechtigheid.
3. De overwinnaar kwam te Jeruzalem, dat hem gedwee de poorten opende, en toch brak hij hun muur af en, zoals Josefus zegt, reed in triomf in zijn wagen door de bres, tot versmaadheid van hen, en teneinde, als het hem behaagde, bezit te nemen van de koninklijke stad.
4. Hij plunderde Jeruzalem, nam alles weg, dat van waarde was, en keerde met buit beladen terug naar Samaria, vers 14. Van Joas werd gezegd, dat hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, en van Amazia, dat hij deed wat recht was, en toch triomfeert Joas aldus over Amazia, en waarom? Omdat God in Amazia's lot wilde tonen dat Hij de hovaardigen weerstaat, of omdat-wat zij overigens ook waren-Joas zich onlangs eerbiedig had betoond jegens een van Gods profeten, Hoofdstuk 13:14, en Amazia beledigend jegens een andere, 2 Kronieken 25:16, en God eren wil, die Hem en Zijn profeten eren, maar dat zij, die hen verachten, en Hem, in hen licht geacht zullen worden.