2 Koningen 11:4-12
Zes jaren heeft Athalia getiranniseerd. Wij hebben geen bijzonder bericht van haar regering, ongetwijfeld was zij uit één stuk met haar begin, terwijl Jehu de Baälsdienst in Israël uitroeide, heeft zij hem ingevoerd in Juda, zoals blijkt uit 2 Kronieken 24:7. Het hof en het rijk van Juda waren verdorven door bloedverwantschap met het huis van Achab, en nu is een uit dat huis een vloek en een plaag voor beide, met zondige vriendschap gaat het niet beter. En gedurende al die tijd lag Joas verborgen, recht hebbende op de kroon en ervoor bestemd, en toch levend begraven, als het ware in onbekendheid. De zonen en erfgenamen des hemels zijn nu verborgen, "de wereld kent hen niet, 1 Johannes 3:1, maar de tijd is vastgesteld wanneer zij in heerlijkheid zullen verschijnen zoals Joas in zijn zevende jaar. Toen kon hij vertoond worden, hij was nu geen klein kindje meer, maar had zijn eerste leerjaren van het leven reeds achter de rug, en, aan het eerste kritieke jaar gekomen zijnde, had hij een goede schrede vooruit gedaan naar de mannelijke leeftijd. Het volk was Athalia's tirannie toen al moede geworden en was rijp voor een omwenteling. Hoe die omwenteling tot stand kwam, wordt ons hier meegedeeld.
I. De leider in deze grote zaak was Jojada de priester, waarschijnlijk de hogepriester, of tenminste de sagan, ( zoals de Joden hem noemden) of een onderhorige van de hogepriester. Door zijn geboorte en zijn ambt was hij een man, bekleed met gezag, wie het volk door de wet verplicht was te gehoorzamen, inzonderheid als er geen wettige koning was op de troon, Deuteronomium 17:12. Door zijn huwelijk was hij verwant aan de koninklijke familie, en indien geheel het koninklijke zaad ware omgekomen, dan zou zijn echtgenote, als dochter van Joram meer recht gehad hebben op de kroon dan Athalia. Door zijn grote gaven en zijn Godsvrucht was hij toegerust om zijn land te dienen, en betere dienst kon hij er niet aan bewijzen, dan door het te bevrijden van Athalia's overweldiging, en wij hebben reden te geloven dat hij deze zaak niet ondernomen heeft vóór hij God om raad had gevraagd en met Zijn wil was bekend geworden, hetzij door profeten, of door de urim of door beide.
II. Hij ging tewerk met groot beleid gelijk het betaamde aan zo'n wijs en Godvruchtig man als Jojada was.
1. Hij kwam overeen voor de zaak met de oversten over honderd en de hoofdlieden, de mannen, die een kerkelijk, burgerlijk of militair ambt bekleedden. Hij liet hen bij zich in de tempel komen, beraadslaagde met hen, legde hun de grieven voor, waaronder zij nu zuchtten, nam hun de eed van geheimhouding af, en, bevindende dat zij gewillig en bereid waren om zich met hem te verenigen, toonde hij hun de zoon van de koning, vers 4, en zozeer waren zij overtuigd van zijn trouw, dat zij geen reden zagen om bedrog te vermoeden. Wij kunnen ons voorstellen welk een aangename verrassing het was voor de Godvruchtigen onder hen, die vreesden dat het huis en geslacht van David uitgeroeid waren, om nog zo'n vonk onder de as te vinden.
2. Hij posteerde de priesters en Levieten, die meer onmiddellijk onder zijn bestuur stonden, aan de verschillende toegangen van de tempel om er de wacht te houden, en stelde hen onder het bevel van de oversten over honderd, vers 9. David had de priesters verdeeld in afdelingen, die beurtelings dienst deden, iedere sabbatmorgen kwam een nieuwe afdeling om de dienst waar te nemen, maar de afdeling van de vorige week ging niet buiten dienst vóór de sabbatavond, zodat op de sabbatdag wanneer dubbele dienst gedaan moest worden, er een dubbel aantal priesters was om dienst te doen, beide die inkwamen en die uitgingen gebruikte Jojada om bij deze grote gelegenheid dienst te doen, hij voorzag hen van wapenen uit de magazijnen van de tempel, namelijk de spiesen en schilden van David, zijn eigene, of die hij van zijn vijanden genomen had, en aan de eer Gods had gewijd, vers 10. Waren zij oud en ouderwets-het feit dat zij van David geweest waren, kon hen, die ze gebruikten, herinneren aan Gods verbond met hem, tot welks handhaving en verdediging zij nu handelend moesten optreden.
Hun werd bevolen twee dingen te doen.
a. De jonge koning te beschermen tegen belediging, zij moeten de wacht waarnemen van het huis van de koning, vers 5, hem omsingelen, en bij hem wezen, om hem te beveiligen tegen de aanhangers van Athalia, want nog waren er van dezulken, die dorstten naar koningsbloed.
b. Zij moeten de heilige tempel er voor bewaren om ontheiligd te worden door een toeloop van volk, dat bij deze gelegenheid zal samenkomen, vers 6. Gij zult waarnemen de wacht van dit huis, opdat er niet ingebroken worde, en opdat het niet afgebroken worde, er geen troepen van vreemdelingen in komen of degenen, die onrein zijn. Hij was niet zo vervuld van ijver voor de beraamde omwenteling, dat hij er de Godsdienst door vergat. In tijden van de grootste beroering moet zorg gedragen worden Ne detrimentum capiat ecclesia-Dat er op de heilige dingen Gods geen inbreuk wordt gemaakt. Het is opmerkelijk dat Jojada aan ieder zijn plaats aanwees, zowel als zijn werk, vers 6, 7, want goede orde draagt zeer veel bij tot het welslagen van een grote onderneming, laat iedereen zijn plaats kennen en houden, en verdedigen, en dan zal het werk spoedig gedaan zijn.
3. Toen de wachten opgesteld waren, werd de koning tevoorschijn gebracht, vers 12. Verheug u zeer, gij dochter Zions, want uw koning verschijnt op uw heilige berg, wel nog een kind, maar niet zo'n kind, dat een wee brengt over het land, want hij is een zoon van de edelen, de zoon van David, Prediker 10:17. Wel nog een kind, maar hij had een goede voogd en opvoeder en, wat nog beter is, een goede God, tot wie hij zich kon begeven.
a. Zonder uitstel gaat Jojada over tot de kroning van deze jonge koning, want hoewel hij nog niet instaat is om de zaken van het rijk te behartigen, zal hij er toch trapsgewijs toe bekwaam worden, en dit geschiedde met grote plechtigheid, vers 12. Ten teken dat hij met de koninklijke macht werd bekleed, zette hij hem de kroon op, hoewel zij nog te groot en te zwaar was voor zijn hoofd. De koninklijke voorrechten werden waarschijnlijk bewaard in de tempel, en zo was dan de kroon onder hun bereik.
b. Ten teken van zijn verplichting om door de wet te regeren en zich het woord Gods tot richtsnoer te stellen, gaf hij hem de getuigenis, dat is: hij gaf hem een Bijbel in de hand, waarin "hij moest lezen al de dagen van zijn leven," Deuteronomium 17:18, 19.
c. Ten teken dat hij de Geest zou ontvangen, om hem bekwaam te maken voor het grote werk, waartoe hij was geroepen zalfde hij hem. Hoewel van de zalving van hun koningen alleen nota wordt genomen in geval van een onderbreking in de opvolging, zoals hier, en in het geval van Salomo, weet ik toch niet of die plechtigheid niet aan al hun koningen placht te geschieden, tenminste die van het huis van David, omdat hun koningschap een type was van het koningschap van Christus, die gezalfd was boven Zijn medegenoten, boven al de zonen van David.
d. Ten teken dat het volk hem aannam en zich onderwierp aan zijn regering, klapten zij met de handen van vreugde, en gaven uitdrukking aan hun hartelijke goede wensen voor hem: De koning leve! En zo maakten zij hem koning, maakten zij hem hun koning, stemden zij in, en werkten samen met de Goddelijke beschikking. Zij hadden reden om zich te verblijden, dat er nu een einde kwam aan Athalia's tirannie, en in het vooruitzicht van de herstelling en bevestiging van de Godsdienst door een koning, die onder de leiding was van zo'n Godvruchtige man als Jojada. Zij hadden reden hem welkom te heten op de troon, wie hij van rechtswege toekwam, en te bidden: Hij leve, die tot hem kwam als leven uit de dood, en in wie het huis van David zou leven. Met zulke uitingen van blijdschap en voldoening moet het koninkrijk van Christus welkom worden geheten in ons hart, als Zijn troon daarin is opgericht, en Satan, de overweldiger, uitgeworpen wordt, "Hosanna, gezegend is Hij, die komt, " klap met de handen en zeg: "De Koning Jezus leve, leve in eeuwigheid, leve en regere, en heerse in mijn ziel en in geheel de wereld." Het is beloofd, Psalm 72:15. "Hij zal leven, en men zal gedurig voor Hem bidden," voor Hem en voor Zijn koninkrijk.