2 Koningen 10:1-14
Wij verlieten Jehu in het rustig bezit van Jizreël, triomferende over Joram en Izebel, en moeten hem nu volgen op zijn verdere bewegingen. Hij wist dat het gehele huis van Achab uitgeroeid moest worden, en daarom gaat hij voort met het bloedig werk, en doet het niet bedrieglijk, Jeremia 48:10, of ten halve.
I. Hij liet aan al de zonen Achabs het hoofd afhouwen door hun eigen voedsterheren of voogden te Samaria. Achab had zeventig zonen (of kleinzonen), Gideons aantal zonen, Richteren 8:30.. Met zovelen, die zijn naam droegen, was er alle waarschijnlijkheid dat zijn geslacht in stand zou blijven, en toch is het plotseling verdelgd. Zulk een pijlkoker vol van pijlen kon zijn huis toch niet beschermen tegen de wraak Gods. Talrijke gezinnen, waarin goddeloosheid heerst, moeten niet verwachten lang te zullen bloeien. Deze zonen van Achab waren nu te Samaria, een versterkte stad, misschien daarheen gebracht bij gelegenheid van de oorlog met Syrië, als een plaats van veiligheid voor hen, of misschien wel op de tijding van Jehu's opstand. Met hen waren de oversten van Jizreël, dat is: de hoge beambten van het hof, die naar Samaria gingen om zich te beveiligen of om te beraadslagen over hetgeen geschieden moest. Diegenen van hen, die nog onder opzicht waren, hadden hun onderwijzers bij zich, aan wie de zorg voor hun opvoeding en onderricht was opgedragen, overeenkomstig hun geboorte en rang, maar het is te vrezen dat zij hen opvoedden in de afgoderijen van het huis huns vaders en Baälsaanbidders van hen maakten. Jehu achtte het niet geschikt om zijn krijgsmacht naar Samaria te brengen om hen te doden, maar opdat de hand Gods er zoveel duidelijker in gezien zou worden, deed hij hen door hun voogden of voedsterheren ombrengen.
1. Hij zond een oproep, een soort van uitdaging, aan hun vrienden om voor hen op te komen, hen bij te staan, vers 2, 3. "Gij, die van harte het huis van Achab zijt toegedaan nu is het de tijd om er voor op te komen. Samaria is een versterkte stad, gij zijt in het bezit ervan, gij hebt een krijgsmacht onder uw bevel, gij kunt van de leden van de koninklijke familie de vaardigste en bekwaamste kiezen om u aan te voeren. Gij weet dat gij niet aan de oudste gebonden zijt, tenzij hij de beste en gerechtigste is van de zonen van uw heer. Indien gij enige kloekmoedigheid hebt, toont het, plaatst één van hun op de troon van zijn vader, en ondersteunt hem met uw leven en uw vermogen." Niet dat hij begeerde dat zij dit zouden doen, of verwachtte dat zij het doen zouden, maar aldus verweet hij hun hun lafhartigheid en toonde hij hun hun volslagen onmacht om tegen de raadsbesluiten Gods te strijden.' "Doet het zo gij durft, en ziet wat er van komen zal." Zij, die hun Godsdienst hebben verlaten, hebben daarmee dikwijls ook hun gezond verstand en hun moed verloren, en verdienen dat men het hun verwijt, en er hen om bestraft.
2. Hiermede verkreeg hij dat zij zich aan hem onderwierpen. Zij redeneren voorzichtig met zichzelf: Zie, twee koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, maar vielen als offers van zijn woede, hoe zouden wij dan bestaan? vers 4. Daarom boden zij hem hun onderwerping aan. "Wij zijn uw knechten, uw onderdanen, en al wat gij tot ons zeggen zal, zullen wij doen, of het recht of onrecht is, en wij zullen niemand in mededinging met u stellen." Zij zagen dat het nutteloos was om met hem te strijden, en daarom was het in hun belang om zich aan hem te onderwerpen. Met veel meer reden kunnen wij ons door met onszelf te redeneren tot onderwerping brengen aan de grote God. Veel koningen en grote mannen zijn gevallen voor Zijn toorn om hun boosheid, hoe zullen wij dan bestaan? Tergen wij de Heere? Zijn wij sterker dan Hij? Neen, wij moeten of buigen, of breken.
3. Hiervan wordt gebruik gemaakt om hen tot de scherprechters te maken van hen, die onder hun voogdij stonden, vers 6. Zo gij voor mij zijt, neemt de hoofden van de zonen van uw heer, en komt tot mij morgen omtrent deze tijd. Hij wist dat het gedaan moest worden, en was er afkerig van om het zelf te doen, maar men zou denken dat hij niet kon verwachten, dat zij het zouden doen. Konden zij aldus het in hen gestelde vertrouwen verraden? Konden zij zo wreed zijn jegens de zonen van hun heer? Het schijnt dat zij zich zó diep bogen in de aanbidding van de opgaande zon, dat zij het gedaan hebben, zij hebben de hoofden van deze zeventig prinsen afgehouwen, en zonden die in een korf als een geschenk aan Jehu, vers 7. Leer hieruit geen vriend te geloven, niet op een leidsman te vertrouwen die niet zelf door beginselen van deugd en Godsvrucht geleid wordt. Men kan nauwelijks verwachten dat hij, die ontrouw is geworden aan zijn God, ooit trouw zal zijn aan zijn vorst. Maar let op Gods gerechtigheid in hun ongerechtigheid. Deze oudsten van Jizreël waren goddeloos onderdanig en gehoorzaam geweest aan Izebels order voor de moord op Naboth, 1 Koningen 21:11. Waarschijnlijk roemde zij in de macht, die zij over hen had, en nu maakt dezelfde lage gezindheid hen even plooibaar voor Jehu, en even bereid om zijn orders uit te voeren voor de moord op de zonen van Achab. Laat niemand naar willekeurige macht staan, opdat hij niet bevonden worde een steen te wentelen, die te eniger tijd op hem zal wederkeren. Vorsten, die hun volken tot slaven maken, slaan de kortste weg in om hen tot rebellen te maken, en door, evenals Izebel, der mensen geweten geweld aan te doen, verliezen zij alle invloed op hen.
Toen de afgehouwen hoofden tot hem gebracht werden, heeft hij hun loos hun daad verweten, maar erkende er de hand Gods in.
a. Hij schijnt hen te laken, die de volvoerders zijn geweest van deze wraak. De hoofden werden op twee hopen gelegd bij de poort de gepaste plaats van het gericht. Daar heeft hij het volk voor God en de wereld vrijgesproken, vers 9. Gij zijt rechtvaardig, en naar hetgeen de oversten van Samaria nu gedaan hadden, sprak hij, vergelijkenderwijs, zichzelf vrij, "ik doodde slechts één, zij hebben deze allen gedood, ik deed het door een verbintenis en met een doel, zij hebben dit enkel uit inschikkelijkheid gedaan en met blinde gehoorzaamheid. Laat dan het volk van Samaria of iemand van de vrienden van het huis van Achab, mij nooit verwijten hetgeen ik gedaan heb, nu hun eigen oudsten en de voedsterheren zelf de wezen dit aangedaan hebben." Het is iets geheel gewoons dat zij, die iets gedaan hebben, dat zeer slecht is, ter vermindering van hun schuld trachten anderen aan te sporen om nog iets slechters te doen. Maar,
b. Hij schrijft het alles toe aan het rechtvaardig oordeel Gods, vers 10. De Heere heeft gedaan wat Hij door de dienst van Zijn knecht Elia gesproken heeft. God is de werker niet van der mensen zonde, maar zelfs door hetgeen zij doen uit slechte beginselen, brengt Hij Zijn eigen doeleinden tot stand, en verheerlijkt Hij Zijn naam, en Hij is rechtvaardig in hetgeen waar zij onrechtvaardig in zijn. Als de Assyriër tot de roede gemaakt wordt van Gods toom, en het werktuig van Zijn gerechtigheid, dan meent hij het zo niet en zijn hart denkt alzo niet, Jesaja 10:7.
II. Hij ging voort met allen te verdelgen, die van het huis van Achab waren overgebleven niet slechts hen, die zijn afstammelingen waren maar ook hen, die in enigerlei betrekking tot hem stonden, al de beambten van zijn huis staatsministers, die onder hem bevel voerden, en hier zijn groten genoemd worden, vers 11, al zijn bloedverwanten en vrienden, die gedeeld hebben in zijn goddeloosheid, zijn priesters of huiskapelanen, die hij gebruikte in zijn afgodische eredienst, en die zijn handen sterkten, dat hij zich niet zou afkeren van zijn boze weg. Dit gedaan hebbende in Jizreël ging hij nu hetzelfde doen in Samaria, vers 17 hij versloeg allen, die van Achab te Samaria overgebleven waren. Dit was bloedig werk, en moet thans in generlei geval tot precedent gesteld worden. Laat de schuldigen lijden, maar niet om hunnentwille ook de onschuldigen. Misschien waren die ontzettende verdelgingen bedoeld als typen van de laatste verdelging van alle goddelozen. God heeft een zwaard dat dronken is geworden in de hemel, en het zal neerdalen op het volk, dat Hij verbannen heeft, en dan zal het vol zijn van bloed. Jesaja 34:5, 6, Dan zal Zijn oog niet verschonen en zal Hij niet sparen.
III. Door Gods voorzienigheid werden de broederen van Ahazia op zijn weg geleid, toen hij tot deze strafvoltrekking uitging, en hij versloeg hen desgelijks, vers 12-14. De broeders van Ahazia waren gedood door de Arabieren 2 Kronieken 22:1, maar deze waren de zonen van zijn broederen, zoals het aldaar in vers 8 verklaard wordt, en zij worden gezegd vorsten van Juda te zijn, die Ahazia dienden. Verscheidene dingen werkten samen om hen bloot te stellen aan de wraak, die Jehu thans volvoerde.
1. Zij waren takken van Achabs huis, daar zij afstamden van Athalia, en daarom waren zij in zijn opdracht begrepen.
2. Zij waren besmet met de goddeloosheid van het huis van Achab.
3. Zij waren nu op weg om hun hof te gaan maken aan de prinsen van het huis van Achab, Wij zijn afgekomen om de zonen van de koning en de zonen van de koningin te groeten, van Joram en Izebel, hetgeen toonde dat zij met hen verbonden waren in genegenheid, zowel als in bloedverwantschap. Deze prinsen, twee en veertig in getal, die bestemd waren als schapen ten offer, werden met plechtigheid gedood bij de bornput van Beth-Heked. De Heere is bekend geworden, Hij heeft recht gedaan.