1 Thessalonicenzen 2:17-20
In deze woorden geeft de apostel rekenschap van zijne afwezigheid. Merk op:
1. Zegt hij dat hij tegen zijn zin van hen verwijderd is. Wij, broeders, zijn van u beroofd geweest, vers 17. Dat was door de woede van zijne vervolgers. Hij was tegen zijn wil des nachts naar Berea gezonden, Handelingen 17:10.
2. Ofschoon hij afwezig was naar het aangezicht, was hij het niet naar het hart. Hij had hen gedurig in gedachten en droeg grote zorg voor hen.
3. Maar zijn lichamelijke tegenwoordigheid was slechts voor een kleine wijle tijds afgebroken. De tijd is kort, al onze tijd op aarde is kort en onzeker, hetzij wij met onze vrienden verenigd of van hen afwezig zijn. Deze wereld is de plaats niet om altijd, of zelfs lang, bij elkaar te zijn. In den hemel zullen de heilige zielen elkaar ontmoeten om niet weer te scheiden.
4. Hij begeerde ernstig en trachtte er naar om hen te zien. Wij hebben ons te overvloediger benaarstigd om uw aangezicht te zien, met grote begeerte, vers 17. De apostel besloot ten laatste, dat zijn afwezigheid slechts korten tijd zou duren. Hij begeerde en benaarstigde zich om zo spoedig mogelijk naar Thessalonica weer te keren. Maar mensen van zaken zijn niet meester van hun tíjd. Paulus kon niet meer doen dan zich sterk benaarstigen, vers 18. Hij zegt hun dat de Satan zijn terugkomst belet heeft, vers 18, dat is: een vijand of sommige vijanden, of de grote vijand der mensen, die tegenstand tegen Paulus verwekte, hetzij in zijn terugkeren naar Thessalonica, toen hij daartoe besloten was, hetzij door troebelen en beroerten in de plaats waar hij was, en waardoor zijn blijven noodzakelijk werd. De Satan is de voortdurende vijand van het werk Gods en doet al wat in zijn vermogen is om het te verhinderen.
5. Hij verzekert hen van zijne genegenheid en grote achting voor hen, ofschoon hij voor `t ogenblik niet, naar zijn verlangen, in hun midden kon zijn. Zij waren zijne hoop, blijdschap en kroon des roems, zijne heerlijkheid en blijdschap. Dat zijn uitdrukkingen van de tederste liefde en de hoogste achting. Het is gelukkig wanneer dienaren en gemeente zulke wederkerige liefde en achting voor elkaar gevoelen, en voornamelijk wanneer zij zich zo in elkaar verheugen, die zaait en die oogst zullen zich tezamen verblijden, en dat voor onzen Heere Jezus Christus in Zijne toekomst, vers 19. De apostel vestigt hier de aandacht der Thessalonicenzen er op, dat ofschoon hij thans niet tot hen komen kon, en al zou hij nooit weer instaat zijn om tot hen te komen, toch onze Heere Jezus Christus komen zal zonder dat iets Hem verhindert. En verder: wanneer Hij komt, moeten allen voor Hem verschijnen. Dienaren en gemeente moeten voor Hem verschijnen, en alle gelovigen zullen de blijdschap en heerlijkheid van getrouwe dienaren zijn in dien groten en heerlijken dag.